Bron: Raad
Type document: Notulen
Onderwerp: Raadsvergadering 17-05-95
Datum publicatie:17-05-1995
Datum Raad:17-05-1995
 
Tekst:
 
OPENBARE VERGADERING OP WOENSDAG 17 MEI 1995.
 
Aanwezig: de leden Van der Aa (PvdA), mevr. Agtsteribbe (PvdA), mevr.
Alkema (D66), Bakker (D66), Balai (PvdA), Van Bommel (SP), Bouma (VVD),
Bijlsma (PvdA), Cherribi (PvdA), Cornelissen (D66), Van Duijn (De Groenen),
mevr. Van der Giessen (D66), Goedhart (CDA), De Grave (VVD), mevr. Grewel
(PvdA), Ten Have (D66), Holvast (GroenLinks), mevr. Hoogland (PvdA),
Hooijmaijers (VVD), mevr. Ter Horst (PvdA), Houterman (VVD), Hulsman
(GroenLinks), mevr. Irik (PvdA), mevr. De Jong (D66), K”hler (GroenLinks),
mevr. Krikke (VVD), Van der Laan (PvdA), Levie (PvdA), Meijer (PvdA),
Niamut (CDA), Oranje (D66), Peer (VVD), mevr. Peters (VVD), mevr. Princen
(GroenLinks), Robbers (D66), mevr. Schutte (GroenLinks), Van Sitteren (CD),
mevr. Spier-van der Woude (VVD), Spit (CDA), Stadig (PvdA) en Yalin (PvdA).
 
Afwezig: de raadsleden Dalkiran (GroenLinks), Enthoven (CD), Fortun‚
(CD) en Graman (Onafh.)
 
Middagzitting op woensdag 17 mei 1995.
 
Voorzitter: mr. S. Patijn, burgemeester.
 
Secretaris: drs. M. Sint.
 
De vergadering wordt om 13 uur geopend.
 
De VOORZITTER: Dames en heren.
Aan het begin van deze vergadering wil ik een kort herdenkingswoord
uitspreken in verband met het overlijden van oud-burgemeester Samkalden en
de oud-raadsleden Keja, Koets en Pels.
Op 1 mei 1995 overleed de heer A. Pels. Niemand van u in deze Raad heeft
hem als raadslid meegemaakt. Hij werd geboren in 1914 en is korte tijd lid
van de PvdA van deze Raad geweest, maar het was een grote verrijking. Hij
was een actief middenstander, met een behangers- en stoffeerdersbedrijf,
maar hij was ook hoofdbestuurslid van het Koninklijk Verbond van
Middenstandsverenigingen en ‚‚n van de vice-voorzitters van de Kamer van
Koophandel en Fabrieken van Amsterdam. De heer Pels was heel actief
betrokken bij de voorbereiding van het winkelcentrum in Noord, waarvan
men zo veel plezier heeft. Hij was slechts kort lid van de Raad, maar wel
zeer actief.
De heer Keja, velen van u wel bekend, overleed op 4 mei op 69-jarige
leeftijd. Hij was zeven jaar lid van de Amsterdamse Raad, namelijk van eind
1965 tot maart 1972. De heer Keja was een belangrijk lid, met name als
belangenbehartiger van Noord en hij was een van degenen die een betere
ondersteuning van raadsleden nodig achtte. De heer Keja was mede-
initiatiefnemer van een door de Raad aanvaarde regeling die financi‰le
middelen voor ondersteuning ter beschikking stelde. Ook was hij een van de
drijvende krachten achter de actie "Artis moet blijven", de actie waardoor
Artis nog steeds bestaat.
In 1972 ruilde de heer Keja het raadslidmaatschap in voor het
lidmaatschap van de Tweede Kamer. Hij is tot 1989 kamerlid gebleven en
verwierf vooral bekendheid als media-specialist van de VVD; hij was
voorstander van het open mediabestel. Ook in de Tweede Kamer bleef de heer
Keja echter voorvechter van Amsterdam. In een in memoriam in De Telegraaf
over de heer Keja stelde de heer Bolkestein dat de heer Keja als ervaren
kamerlid de huidige fractieleider bij diens eerste kamerdebat terzijde
heeft gestaan met opmerkingen die hij nu nog steeds relevant acht voor zijn
kameroptreden.
Ik ken Wim Keja als oud-collega in de Tweede Kamer. Hij was een groot
Amsterdammer met groot gezag in Den Haag.
Op 12 mei 1995 overleed oud-wethouder dr. P.J. Koets, 93 jaar oud. Op
dit moment, 13.00 uur, vindt de crematieplechtigheid van de heer Koets in
Leiden plaats. Toen de heer Koets in 1962 op 61-jarige leeftijd lid werd
van de Amsterdamse Raad, begon hij aan zijn vierde carriŠre. Eerder was hij
docent in het voormalig Nederlands-Indi‰, wat hij ook aan het
Baerleuslyceum was geweest, en hij raakte in Indi‰ in de kampen. Na de
oorlog werd hij directeur van het Kabinet van de gouverneur-generaal Van
Mook en speelde hij een vooraanstaande rol in de afwikkeling van het
Nederlandse koloniale tijdperk.
Teruggekeerd naar Nederland werd hij hoofdredacteur van Het Parool. Dat
was een keuzebenoeming voor een bijzondere man en daarna, elf jaar later,
tussen 1962 en 1970, was de heer Koets wethouder van Amsterdam en loco-
burgemeester. Zelf schetste hij die jaren als zwaar, maar kostelijk. Bij
zijn vertrek in 1970 kenmerkte wijlen burgemeester Samkalden hem als
afkomstig uit de Romeinse erflaters van onze beschaving: meester in de
politiek, de eerste regent, virtuoos der wetenschap, specialist tegen wil
en dank. Deze woorden zijn een goede kenschets voor een lokaal bestuurder
die voor de stad heel veel heeft gedaan. Amsterdam herdenkt hem in
dankbaarheid.
Een dag eerder, op 11 mei 1995, is overleden de Minister van Staat, dr.
I. Samkalden, oud-minister van Justitie, oud-burgemeester van Amsterdam.
Gisteren heb ik bij zijn crematie de Raad mogen vertegenwoordigen. In
aansluiting op het zeer vele dat in de afgelopen dagen over hem is gezegd
en geschreven, is het goed, ook hier, op de meest centrale plaats van de
Amsterdamse democratie, de raadzaal, hem te gedenken, dit in aanwezigheid
van mevr. Samkalden en zijn kinderen. Na een ambtelijke, wetenschappelijke
en politiek-bestuurlijke carriŠre werd de heer Samkalden in augustus 1967
tot burgemeester van de hoofdstad benoemd. De benoeming kwam tot stand door
een actieve opstelling van de toenmalige Raad en de wethouders. Men voelde
zich immers door de manier waarop zijn voorganger Van Hall door Den Haag
was ontslagen, grotelijks belazerd, om loco-burgemeester Koets die ik
zojuist herdacht, aan te halen. Men wilde niet opnieuw voor voldongen
feiten worden gesteld.
De heer Samkalden kwam hier met een indrukwekkende staat van dienst; hij
was hoogleraar en minister van Justitie. In 1966 had hij in de Tweede Kamer
naar aanleiding van de Telegraafrellen op overtuigende wijze de rechtsstaat
verdedigd en, kort daarop, eveneens de in ons land zo controversi‰le
strafonderbreking van de oorlogsmisdadiger Lages. Die laatste beslissing
rechtvaardigde hij als een man die ook persoonlijk zeer betrokken was bij
de Tweede Wereldoorlog. Hij rechtvaardigde dat ook in Amsterdam tijdens de
verkiezingscampagne voor de Tweede Kamer-verkiezingen die daarop volgden.
De stad was in 1967 in een zeer woelige periode terecht gekomen. De
tweede helft van de jaren '60 was immers de tijd waarin Nederland van land
in wederopbouw met horten en stoten overging in een welvaartsstaat. Het
niet meer vanzelfsprekend zijn van welke autoriteit dan ook, maakte de
positie van burgemeester van Amsterdam tot een centrale functie, in de
frontlinie van de veranderende Nederlandse maatschappij. In de stad was nog
geen sprake van een nieuw evenwicht. Tien jaar lang heeft de heer Samkalden
in die moeilijke situatie met grote intelligentie en grote openheid voor
het vele nieuwe, maar ook met aandacht voor behoud van het goede, Amsterdam
bestuurd. Bij zijn afscheid op 26 mei 1977 merkte burgemeester Samkalden
op: "Tien jaar Amsterdam, veel verrassingen, elke dag wel iets bijzonders
voor gemeentebestuurders, iets onverwachts waarover men verbaasd of
verwonderd kan zijn; de oude Grieken kenden de zinspreuk, dat uit
verwondering wijsheid wordt geboren. Wat zullen u en ik in de afgelopen
jaren dan wijs zijn geworden."
Hij was een geboren bestuurder die in het woelige Amsterdam zich
verwonderde en met wijsheid, volharding en trouw aan zijn stad het gevecht
om vernieuwing leiding gaf.
Bij zijn vertrek werd deze grote Amsterdammer begiftigd met de Gouden
Medaille van de stad, ons hoogste huldeblijk voor deze grote burgemeester,
die aan Amsterdam het gezag heeft teruggegeven dat verloren was gegaan.
Ik verzoek de aanwezigen op te staan, teneinde de overledenen in stilte
te herdenken.
 
De vergadering wordt geschorst van 13.14 uur tot 13.18 uur.
 
De VOORZITTER: Ik heropen de vergadering en ik deel u mede, dat
wethouder De Grave pas later op de dag de vergadering zal bijwonen.
Voorts deel ik u mede, dat de Commissie voor de Werkwijze van de
Gemeenteraad voorstelt om in verband met het feit dat vanavond de
stembussen van de beide referenda om 19 uur sluiten en naar wij aannemen
velen van u ge‹nteresseerd zijn in de uitslagen, de vergadering te beperken
tot een middagzitting. Teneinde er zeker van te zijn, dat wij de agenda
hedenmiddag om circa 17 uur kunnen afsluiten, stelt de commissie voor, een
aantal agendapunten, naar een volgende vergadering te verplaatsen. Dat
betreft de agendapunten 11 (wijziging Verordening Uitkerings- en
pensioenvoorziening voor gemeente-raadsleden) en 18 (stand van zake inzake
de uitvoering van de motie-Tammens c.s. (nr. 56 van 1990) met betrekking
tot de Zeeburgerdijk). Dit laatste punt zou moeten worden uitgesteld omdat,
zoals de heer K”hler mededeelde, er nog inspraak op sommige onderdelen moet
plaatsvinden.
Wethouder BAKKER: Bij dit laatste punt wordt alleen gevraagd, of de
motie-Tammens c.s. is uitgevoerd; de motie is naar de Raad "gepiept", maar
collega Stadig is bezig met voorbereidingen enz. en ik weet niet in
hoeverre dat werk door dit uitstel wordt opgehouden.
Wethouder STADIG: In de Commissie voor Volkshuisvesting enz. is over
deze motie gesproken en er is toen geconstateerd, dat de werken aan de
Panamaweg in weerwil van de motie kunnen worden uitgevoerd. De motie
betreft namelijk verkeersmaatregelen aan de Zeeburgerdijk; wij hebben
geconstateerd dat wethouder Bakker deze maatregelen altijd kan nemen, zodat
de andere werken aan de Panamaweg gewoon doorgaan. Ik wil daaraan ook
vasthouden want anders heb ik een groot probleem.
Wethouder BAKKER: De heer K”hler bevestigt dit. Ik stel dan toch voor,
dit agendapunt nu te behandelen. Ik doe iets extra's ernaast, maar er kan
naar mijn mening best worden vastgesteld dat de motie wordt uitgevoerd.
Mevr. GREWEL: Ik heb naar aanleiding van de vergadering in de commissie
die ik heb voorgezeten, toch sterk de indruk dat er weliswaar sprake is van
een eerste uitvoering van de motie, maar ook dat er wel degelijk door de
wethouder is toegezegd, dat er inspraak zou komen op de berichten die
zouden worden nagezonden. Het lijkt mij daarom verstandig, met de
behandeling van dit punt te wachten tot de onderliggende stukken volledig
zijn.
De VOORZITTER: De mededeling van wethouder Stadig dat bepaalde
werkzaamheden niet worden verhinderd wordt hierbij voor kennisgeving
aangenomen?
De heer K™HLER: Dat laatste is zonder meer duidelijk. Als wij niets
besluiten, voert wethouder Stadig gewoon het bestaande gemeentelijk beleid
uit. De andere discussie ging echter over de vraag of de motie voldoende
was ingevuld; die discussie is in de commissie nu halverwege. Er is
inderdaad gesuggereerd, daarover in de Raad verder te spreken, maar
daarvoor is vandaag helaas nauwelijks tijd. Anderzijds zou er nog nadere
informatie komen en ik heb toen begrepen, dat de wethouder er geen moeite
mee had om pas als alle stukken volledig waren, die discussie af te ronden.
Ik ben een beetje verbaasd dat de wethouder dit punt nu vandaag wil
afronden.
Wethouder BAKKER: Dat is niet juist; ik heb de vraag namelijk
doorgespeeld aan mijn collega en, zoals bekend, hebben wij een uitstekend
collegiaal bestuur. Ik heb er overigens geen moeite mee om te wachten
totdat alle gegevens beschikbaar zijn.
De VOORZITTER: Ik stel dan ook voor, dit punt van de agenda af te
voeren.
 
Conform besloten.
 
De VOORZITTER: Ik deel u vervolgens mede, dat punt 27 (preadvies op de
nota van het raadslid Hooijmaijers, getiteld: Modernisering erfpacht: eigen
grond versus erfpacht van of-of naar en-en (nr. 195 van 1994) van de wordt
agenda afgevoerd.
Ten slotte deel ik u mede, dat, zoals ook al schriftelijk is
medegedeeld, punt 17 (beantwoording schriftelijke vragen van het raadslid
K”hler inzake de gemeentelijke controle op de taxiwereld) van de agenda is
afgevoerd.
 
Aan de orde is de agenda:
 
1
Notulen van de raadsvergadering op 22 maart 1995, 5 april 1995 en 19
april 1995.
 
De notulen van de raadsvergaderingen, gehouden op 22 maart 1995 en 5
april 1995, worden ongewijzigd goedgekeurd.
De goedkeuring van de notulen van de raadsvergadering, gehouden op 19
april 1995, wordt aangehouden.
 
2
Mededeling van de ingekomen stukken.
 
1ø Adres van 18 april 1995 van J.G. Schipper, namens de Amsterdamse
Seniorenraad, inzake het ouderenbeleid in relatie tot de toekomstige
stadsprovincie.
 
Besloten wordt, dit adres in handen van Burgemeester en Wethouders te
stellen teneinde het te betrekken bij de door hen in te dienen voorstellen
ter zake.
 
2ø Adres van 13 april 1995 van J. Schrijver en G. Jorritsma, namens de
Nederlandse Vereniging van Marktbeheerders, inzake de procedure rond de
erfpachtuitgifte water en kade van de Bloemenmarkt aan de Singel.
 
Burgemeester en Wethouders stellen voor, dit adres in hun handen te
stellen ter afdoening.
 
De heer NIAMUT: Ik stel voor, het adres te behandelen in de Commissie
voor Economische Zaken enz.
Mevr. GREWEL: In mijn functie van voorzitter van de Commissie voor
beroep- en bezwaarschriften adviseer ik een andere afdoening. Het adres
betreft niet de Bloemenmarkt zelf, maar wel de vraag of het Stedebouwkundig
Programma van Eisen (SPvE) en de erfpachtuitgifte door de Raad zijn
vastgesteld. Dat is niet het geval. Is het overigens juist dat dit niet
door de Raad is vastgesteld, maar door het Grondbedrijf en de Commissie
voor Volkshuisvesting enz.? Het adres moet dan niet naar de Commissie voor
Economische Zaken enz., maar naar de Commissie voor Volkshuisvesting enz.
De heer NIAMUT: Ik kan mij daarin vinden.
Mevr. AGTSTERIBBE: Het is natuurlijk uitstekend dat grondzaken in
laatstgenoemde commissie worden behandeld, maar ik wijs erop, dat de
Bloemenmarkt in de Commissie Binnenstad is behandeld, overigens wel in
aanwezigheid van wethouder Stadig.
De VOORZITTER: Mevr.Grewel heeft zojuist uitgelegd waarover het adres
gaat. Het gaat om de wijze van uitvoering van het genomen besluit.
Mevr. AGTSTERIBBE: Ik heb dat begrepen, maar het ging mij nu om het
noemen van de verkeerde commissie van advies.
De heer ORANJE: Er is inzake de verdeling van de diverse onderdelen over
de commissies van advies een besluit genomen en het onderhavige onderwerp
staat op het lijstje van de Commissie Binnenstad.
Wethouder STADIG: Daar ben ik het mee eens.
Mevr. GREWEL: Ik weet wel dat dit onderwerp op de agenda van de
Commissie Binnenstad staat, maar het gaat nu om het feit dat het
Grondbedrijf namens het College de erfpachtuitgifte heeft afgedaan, terwijl
het SPvE op 31 mei 1994 door het College is vastgesteld. Is dit correct of
niet? Dit behoort naar mijn mening dan meer thuis in de commissie van
wethouder Stadig (sector Grondzaken) dan in de Commissie Binnenstad, die
het onderwerp in het algemeen behandelt.
De VOORZITTER: Concreet is niet aan de orde, waar het onderwerp zelf ter
bespreking is, maar wel waar het adres moet worden besproken. Mevr. Grewel
zegt dat, gelet op de teneur, dit adres door wethouder Stadig zou moeten
worden besproken, zijnde de verantwoordelijke voor het Grondbedrijf. Wij
kunnen stellen dat de Bloemenmarkt in de Commissie Binnenstad thuishoort,
maar dat in dit geval wethouder Stadig erbij moet komen om het een en ander
uit te leggen.
Wethouder mevr. TER HORST: Mag ik u helpen? De Commissie Binnenstad is
een commissie waarin de verantwoordelijke wethouders afhankelijk van het
onderwerp verschijnen. Wethouder Stadig verschijnt daar dan in zijn functie
van wethouder voor Grondzaken. Het gaat er nu om, dat de Commissie
Binnenstad er direct bij betrokken is. De wethouder voor Grondzaken komt
dus naar de Commissie Binnenstad en daar wordt het adres behandeld. Zo
hoort dat volgens mij.
De VOORZITTER: Ik stel voor, dit adres te behandelen in de Commissie
Binnenstad onder uitnodiging van wethouder Stadig.
Mevr. GREWEL: Ik wil juist dat het adres in de Commissie voor
Volkshuisvesting enz. wordt behandeld omdat de Commissie Binnenstad er al
een keer over heeft gesproken. Een andere commissie zou dan moeten
 
beslissen of de Commissie Binnenstad juist heeft gehandeld.
De heer NIAMUT: Onze steun aan de redenering van mevr. Grewel geldt nog
steeds. Het gaat niet zozeer om het onderwerp, maar wel om een juridische
kwestie en die hoort thuis in de Commissie voor Volkshuisvesting enz.
Wethouder STADIG: Als het een feit is, dat het SPvE nog niet door de
Raad is vastgesteld, is dat een onderwerp voor de Commissie Binnenstad,
waarin ook inhoudelijk de kwestie van de Bloemenmarkt is behandeld. Ik
steun het voorstel van wethouder mevr. Ter Horst.
De VOORZITTER: Ik stel vast, dat het adres ter behandeling wordt
verwezen naar de Commissie Binnenstad.
 
Zonder hoofdelijke stemming wordt besloten, het adres in handen van
Burgemeester en Wethouders te stellen ter afdoening na behandeling in de
Commissie Binnenstad.
 
3ø Adres van 30 maart 1995 van K.H. Polderman, ondersteund door enkele
anderen, inzake het verdwijnen van Discovery-channel van het kabelnet.
 
Besloten wordt, dit adres in handen van Burgemeester en Wethouders te
stellen teneinde het te betrekken bij de door hen in te dienen voorstellen
ter zake.
 
4ø Brief van 14 april 1995 van mevr. I. Bleeker, waarin zij, ingaande 16
april 1995, ontslag neemt als duo-raadslid van de CDA-fractie.
 
De brief wordt voor kennisgeving aangenomen.
 
5ø Adressen van 18 april 1995 van J. Bloemgarten en J. van den Berg
inzake de voorlichting over de toekomstige stadsprovincie.
 
Besloten wordt, deze adressen in handen van Burgemeester en Wethouders
te stellen ter afdoening.
 
6ø Adres van 18 april 1995 van mevr. V. De Zorzi, houdende verzoek om
subsidie voor een dans- en oefenruimte.
 
Besloten wordt, dit adres in handen van Burgemeester en Wethouders te
stellen ter afdoening.
 
7ø Adres van 19 april 1995 van H.J. Kampherbeek, namens de Industrie- en
Voedingsbond CNV, inzake mogelijke woningbouw in de Houthavens.
 
Besloten wordt, dit adres in handen van Burgemeester en Wethouders te
stellen ter afdoening.
 
8ø Adres van 24 april 1995 van drs. J.L.W. Tellegen, namens de
Amsterdamse Telematica Raad, houdende advies naar aanleiding van de verkoop
van KTV-netten in het ROA-gebied.
 
Besloten wordt, dit adres in handen van Burgemeester en Wethouders te
stellen teneinde het te betrekken bij de door hen in te dienen voorstellen
ter zake.
 
9ø Adres van 19 april 1995 van P. Gruter inzake de gevolgen van een
autoluwe binnenstad voor autobezitters die woonachtig zijn in de
binnenstad.
 
Besloten wordt, dit adres in handen van Burgemeester en Wethouders te
stellen ter afdoening.
 
10ø Adres van 27 april 1995 van P. Paschenegger, namens het Wijkcentrum
d'Oude Stadt, de Bewoners Sint Jorisstraat en Singel en de Buurtraad
Amstelveld/Rembrandtplein e.o., inzake de bouwactiviteiten voor een horeca-
onderneming in de Sint Jorisstraat/Reguliersdwarsstraat.
 
Burgemeester en Wethouders stellen voor, dit adres in hun handen te
stellen ter afdoening.
 
De heer CHERRIBI: Ik stel voor, dit adres te behandelen in de Commissie
voor Volkshuisvesting enz.
De heer VAN DUIJN: Ik ondersteun dit voorstel.
Wethouder STADIG: Ik heb daar geen bezwaar tegen. Ik heb overigens het
wijkcentrum een antwoord gestuurd. Ik weet helaas niet meer of dit
betrekking had op dit adres, maar in elk geval wel op dit onderwerp. Wij
zullen het adres in de commissie bespreken.
 
Zonder hoofdelijke stemming wordt besloten, het adres in handen van
Burgemeester en Wethouders te stellen ter afdoening na behandeling in de
Commissie voor Volkshuisvesting, Stadsvernieuwing, Ruimtelijke Ordening en
Grondzaken.
 
11ø Adres van 26 april 1995 van H.A.M. Stuijt, houdende verzoek te worden
ge‹nformeerd over de plannen omtrent de door de Vijzelstraat geprojecteerde
Noord-Zuidlijn.
 
Besloten wordt, dit adres in handen van Burgemeester en Wethouders te
stellen ter afdoening.
 
12ø Adres van 26 april 1995 van F. Weddepohl, namens de Kroonvaarders,
inzake de toekomst van het Open Havenmuseum.
 
Besloten wordt, dit adres in handen van Burgemeester en Wethouders te
stellen ter afdoening na behandeling in de Commissie voor Volkshuisvesting,
Stadsvernieuwing, Ruimtelijke Ordening en Grondzaken.
 
13ø Adres van 26 april 1995 van mr. E.A. Wubben, namens M. Ayren‡ i,
inzake een afgewezen aanvraag voor een krediet bij de Centrale Afdeling
Zelfstandigen van de Sociale Dienst.
 
Burgemeester en Wethouders stellen voor, dit adres in hun handen te
stellen ter afdoening.
 
Mevr. IRIK: Ik stel voor, een afschrift van het antwoord te zenden aan
de Commissie voor Werk enz.
Wethouder VAN DER AA: Daartegen bestaat geen bezwaar.
 
Zonder hoofdelijke stemming wordt besloten, het adres in handen van
Burgemeester en Wethouders te stellen ter afdoening. Van de wijze van
afdoening zal mededeling worden gedaan aan de Commissie voor Werk,
Onderwijs, Sociale Zaken, Minderheden en Nieuwkomersbeleid.
 
14ø Adres van 4 april 1995 van drs. R. CarriŠre inzake de herprofilering
van het Haarlemmerplein en enkele suggesties ter zake.
 
Besloten wordt, dit adres in handen van Burgemeester en Wethouders
stellen te stellen teneinde het te betrekken bij de door hen in te dienen
voorstellen ter zake.
 
15ø Adres van 28 april 1995 van S.C. Witteman, namens de coffeeshop
The Grasshopper, houdende verzoek een voorlichtingsboekje over de
regelgeving ter zake te toetsen, teneinde dit boekje in de coffeeshops rond
te delen.
 
Besloten wordt, dit adres in handen van Burgemeester en Wethouders te
stellen ter afdoening na behandeling in de Commissie voor Algemeen
Bestuurlijke en Juridische Zaken.
 
16ø Notitie van het raadslid mevr. A.M. Hoogland, getiteld: Participatie
van jongeren bij politiek en gemeentebeleid (Gemeenteblad afd. 1, nr. 256,
blz. 931).
 
Besloten wordt, deze notitie in handen van Burgemeester en Wethouders te
stellen voor preadvies.
 
17ø Brief van 2 mei 1995 van de fractie van de SP, waarin de heer
W.G.H. Paquay wordt voorgedragen als plaatsvervangend lid van de Commissie
voor Volkshuisvesting, Stadsvernieuwing, Ruimtelijke Ordening en
Grondzaken, alsmede van de Commissie voor Verkeer, Milieu, Cultuur en
Monumentenzorg.
 
Deze brief wordt voor kennisgeving aangenomen.
 
18ø Adres van 19 april 1995 van de Bewonersraad Nieuwmarkt inzake de
dreigende sluiting van de wijkbibliotheek Pintohuis.
 
Burgemeester en Wethouders stellen voor, dit adres in hun handen te
stellen ter afdoening.
 
Mevr. HOOGLAND: Ik stel voor, een afschrift van het antwoord te zenden
aan de Commissie voor Zorg enz.
De VOORZITTER: Wethouder mevr. Van der Giessen zou geen bezwaar hebben
gemaakt.
 
Zonder hoofdelijke stemming wordt besloten, het adres in handen van
Burgemeester en Wethouders te stellen ter afdoening. Van de wijze van
afdoening zal mededeling worden gedaan aan de Commissie voor Zorg,
Emancipatie, Drugsbeleid, (Facilitaire) bedrijven, Bestuurlijke Vernieuwing
en Informatievoorziening.
 
19ø Adres van 1 mei 1995 van B. Donks namens de Nationale Bond van
Kermisbedrijfhouders inzake de openingstijden van kermissen met ingang van
1996.
 
Besloten wordt, dit adres in handen van Burgemeester en Wethouders te
stellen ter afdoening na behandeling in de Commissie voor Algemeen
Bestuurlijke en Juridische Zaken.
 
20ø Adres van 24 april 1995 van J.C. Silver, namens de bond van cannabis-
detaillisten, inzake het beleid ten aanzien van coffeeshops.
 
Besloten wordt, dit adres in handen van Burgemeester en Wethouders te
stellen teneinde het te betrekken bij de door hen in te dienen voorstellen
ter zake.
 
21ø Adres van 8 mei 1995 van B. Pel inzake het weigeren van een
vergunning voor een antiek- en curiosamarkt.
 
Burgemeester en Wethouders stellen voor, dit adres in hun handen te
stellen ter afdoening.
 
De heer NIAMUT: Ik stel voor, dit adres te behandelen in de Commissie
voor Economische Zaken enz.
Wethouder PEER: Ik heb geen bezwaar.
 
Zonder hoofdelijke stemming wordt besloten, het adres in handen van
Burgemeester en Wethouders te stellen ter afdoening na behandeling in de
Commissie voor Economische Zaken, Haven en Luchthavenaangelegenheden, Markt
en Internationale Contacten.
 
22ø Adres van 8 mei 1995 van C. Peverelli, namens de pressiegroep
Kinderen Voorrang, inzake enkele suggesties, de verkeersveiligheid voor en
de zelfstandige bewegingsvrijheid van kinderen te verbeteren.
 
Burgemeester en Wethouders stellen voor, dit adres in hun handen te
stellen ter afdoening.
 
De heer K™HLER: Ik stel voor, een afschrift van het antwoord te zenden
aan de Commissie voor Verkeer enz. en de Commissie Binnenstad die zich zeer
met deze problematiek bezighouden.
Wethouder BAKKER: Daartegen bestaat geen bezwaar.
 
Zonder hoofdelijke stemming wordt besloten, het adres in handen van
Burgemeester en Wethouders te stellen ter afdoening. Van de wijze van
afdoening zal mededeling worden gedaan aan de Commissie Binnenstad en de
Commissie voor Verkeer, Milieu, Cultuur en Monumentenzorg.
 
23ø Adres van 3 mei 1995 van J. van Santen, namens de Tuindersvereniging
Blijkmeer, inzake de toekomst van het Zeeburgereiland.
 
Besloten wordt, dit adres in handen van Burgemeester en Wethouders te
stellen teneinde het te betrekken bij de door hen in te dienen voorstellen
ter zake.
 
24ø Adres, ingekomen op 10 mei 1995, van W. de Zeeuw, namens het
Wijkopbouworgaan De Gouden Reael, inzake de herinrichting van het
Haarlemmerplein.
 
Besloten wordt, dit adres in handen van Burgemeester en Wethouders te
stellen teneinde het te betrekken bij de door hen in te dienen voorstellen
ter zake.
 
25ø Adres van 10 mei 1995 van E.M. Elsthout inzake de restauratie van de
Oude Kerk en aanpalende kerkwoningen.
 
Burgemeester en Wethouders stellen voor, dit adres in hun handen te
stellen ter afdoening.
 
De heer ROBBERS: Ik stel voor, een afschrift van het antwoord te zenden
aan de Commissie voor Verkeer enz.
Wethouder BAKKER: Ik heb geen bezwaar.
 
Zonder hoofdelijke stemming wordt besloten, het adres in handen van
Burgemeester en Wethouders te stellen ter afdoening. Van de wijze van
afdoening zal mededeling worden gedaan aan de Commissie voor Verkeer,
Milieu, Cultuur en Monumentenzorg.
 
26ø Adres van 12 mei 1995 van het dagelijks bestuur van het stadsdeel De
Pijp inzake het ontruimen van gekraakte bouwlocaties in De Pijp.
 
Burgemeester en Wethouders stellen voor, dit adres te betrekken bij hun
voordracht nr. 278, punt van 5 van de agenda.
 
Mevr. SCHUTTE: Ik vind het een oneigenlijk afdoeningsvoorstel. Het adres
heeft niets te maken met nieuwe woonwagenbewoners die een sloap willen,
maar wel met een kraakactie als verzet tegen de bouwplannen in De Pijp. Ik
stel voor, het adres te behandelen in de Commissie voor Algemeen
Bestuurlijke en Juridische Zaken.
De VOORZITTER: Ik denk, dat ik namens wethouder mevr. Van der Giessen
kan zeggen, dat mevr. Schutte daarin gelijk heeft. Het adres kan in die
commissie worden behandeld als dat inmiddels al niet is gebeurd.
 
Zonder hoofdelijke stemming wordt besloten, het adres in handen van
Burgemeester en Wethouders te stellen ter afdoening na behandeling in de
Commissie voor Algemeen Bestuurlijke en Juridische Zaken.
 
27ø Adres van 13 mei 1995 van bewoners van de Gevleweg inzake het beleid
voor nieuwe woonwagenbewoners.
 
Besloten wordt, dit adres te betrekken bij de desbetreffende voordracht,
punt 5 van de agenda.
 
De VOORZITTER: Ik stel voor, thans eerst na te gaan, welke punten van de
agenda zonder discussie en hoofdelijke stemming kunnen worden afgedaan.
 
Conform besloten.
 
3
Mededeling en, zo nodig, bespreking van de ontwikkelingen met betrekking
tot het Regionaal orgaan Amsterdam.
 
Er zijn geen mededelingen.
 
De punten 4, 5 en 6 worden even aangehouden.
 
7
Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 3 mei 1995 tot wijziging
van de Legesverordening 1995 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 270, blz. 1092).
 
De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 1093 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.
 
8
Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 20 april 1995 tot
vaststelling van het aangiftebiljet vermakelijkheidsretributie
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 272, blz. 1096).
 
De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 1096 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.
 
9
Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 20 april 1995 tot
vaststelling van het aangiftebiljet waterzuiveringskosten (Gemeenteblad
afd. 1, nr. 271, blz. 1095).
 
De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 1096 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.
 
10
Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 3 mei 1995 tot
vaststelling van de Regeling Bijzonder Georganiseerd Overleg (Gemeenteblad
afd. 1, nr. 274, blz. 1101).
 
De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 1107 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.
 
Punt 11 is reeds van de agenda afgevoerd.
 
12
Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 3 mei 1995 tot het
vernieuwen van brug nr. 280 over de Waalseilandgracht (Gemeenteblad afd. 1,
nr. 282, blz. 1138).
 
De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 1139 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.
 
13
Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 3 mei 1995 tot aankoop van
aandelen KIWA NV (Gemeenteblad afd. 1, nr. 264, blz. 1066).
 
De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 1067 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.
 
14
Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 3 mei 1995 tot aankoop van
gronden in de Bethunepolder van Gemeentewaterleidingen ter bescherming van
de drinkwaterproduktie (Gemeenteblad afd. 1, nr. 263, blz. 1063).
 
De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 1066 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.
 
15
Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 3 mei 1995 inzake de
drinkwatervoorziening in Noord-Holland ten zuiden van het Noordzeekanaal
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 262, blz. 1057).
 
De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 1062 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.
 
16
Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 20 april 1995 tot
vaststelling van de vijfde parti‰le herziening van het bestemmingsplan
Amstelveld-/Den Texbuurt (Gemeenteblad afd. 1, nr. 269, blz. 1085).
 
De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 1086 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.
 
De punten 17 en 18 zijn reeds van de agenda afgevoerd.
 
19
Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 3 mei 1995 tot bestrijding
van geuroverlast op de rioolwaterzuiveringsinrichtingen Oost en Zuid
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 281, blz. 1136).
 
De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 1138 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.
 
20
Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 20 april 1995 tot het
vestigen van een erfdienstbaarheid ten laste van Carr‚ (Gemeenteblad afd.
1, nr. 284, blz. 1141).
 
De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 1141 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.
 
21
Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 3 mei 1995 tot het in
bruikleen geven van twee kunstwerken uit de collectie van het Amsterdams
Historisch Museum aan de gemeente Maarssen (Gemeenteblad afd. 1, nr. 276,
blz. 1115).
 
De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 1115 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.
 
Punt 22 wordt even aangehouden.
 
23
Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 3 mei 1995, houdende een
negatief advies aan de minister inzake een verzoek om aanwijzing tot
beschermd monument van de panden Amstel 264 en 266 (Gemeenteblad afd. 1,
nr. 273, blz. 1097).
 
Mevr. SPIER-VAN DER WOUDE (stemmotivering): Naar de mening van de VVD-
fractie is niet de discussie over de vroegere of de huidige opvattingen van
monumentenbescherming doorslaggevend, maar de feitelijke constatering dat
in 1969 de panden kennelijk niet op de lijst zijn geplaatst. In de
uitwerking leidt dit feit tot een onevenwichtige huurprijsstelling,
waardoor het beleid van een instelling als Stadsherstel voor het behoud van
de monumentale binnenstad wordt gefrustreerd.
 
De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 1099 van
afd. 1 van het Gemeenteblad, met inachtneming van de door mevr. Spier-van
der Woude gemaakte opmerking.
 
Punt 24 wordt even aangehouden.
 
25
Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 20 april 1995, houdende
voorstel voor het invullen van de bezuinigingstaakstelling van de
Stedelijke Woningdienst Amsterdam, zoals opgenomen in het Programakkoord
1994Ä1998 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 261, blz. 1053).
 
Hierbij komt tevens in behandeling:
 
Adres van 2 februari 1995 van E. van den Berg, ondersteund door talrijke
anderen, inzake de concept-nota, getiteld: De Lijn, en de voorgestelde
bezuinigingen bij de Stedelijke Woningdienst Amsterdam.
 
Mevr. PRINCEN (stemmotivering): De fractie van GroenLinks stemt niet in
met deze bezuinigingstaakstelling, omdat onbekend is wat de effecten zijn
van de nieuwe woonruimteverdeling door afschaffing van de centrale
inschrijving voor grotere groepen dan alleen de bewoners die onder de
indicatie vallen, zoals de starters en de nieuwkomers, alsmede om het
ontbreken van enig inzicht in de effecten van deze bezuinigingen ten
aanzien van de financi‰n en het personeel, zonder een bedrijfsplan, een
reorganisatieplan en een sociaal plan. Daarnaast is het onduidelijk in
hoeverre de huren zullen stijgen door de instelling van een facilitair
bedrijf.
 
De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 1056 van
afd. 1 van het Gemeenteblad, met dien verstande dat de fractie van
GroenLinks geacht wil worden, tegen de voordracht te hebben gestemd.
 
26
Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 3 mei 1995 inzake de
Verordening Woninggebonden Subsidies ROA 1995 e.a. en wijziging van de
Verordening op de stadsdelen (Gemeenteblad afd. 1, nr. 277, blz. 1117).
 
De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 1123 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.
 
Punt 27 is reeds van de agenda afgevoerd.
 
29
Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 3 mei 1995 tot uitbreiding
van kadevoorzieningen in de Amerikahaven (Gemeenteblad afd. 1, nr. 283,
blz. 1140).
 
De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 1140 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.
 
30
Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 3 mei 1995 tot
vaststelling van de bedragen, vermeld in art. 102 van de Wet op het
basisonderwijs, over 1985Ä1990 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 279, blz. 1128).
 
De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 1130 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.
 
31
Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 3 mei 1995 tot instemming
met het verzoek tot vervangende nieuwbouw voor de gymnastieklokalen van de
St. Paulusschool en de Johannesschool (Gemeenteblad afd. 1, nr. 275, blz.
1113).
 
De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 1114 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.
 
Aan de orde zijn de benoemingen.
 
De VOORZITTER: Ik benoem in het bureau van stemopneming de leden Ten
Have, K”hler en mevr. Spier-van der Woude.
 
Benoemd worden tot:
 
Lid van de Amsterdamse Sportraad (nr. 285): F.J. Vermij, R. Bouscher,
H.B. Plemper jr., ir. P.H.T.M. Broekman en A.P. ter Veer.
 
Lid van de Beklagcommissie Inspraak (nr. 287): mevr. A.M. de Waart-
Bakker, mevr. J.C. Kalt en F.A. van Drimmelen.
 
Plaatsvervangend lid van de Commissie voor Volkshuisvesting,
Stadsvernieuwing, Ruimtelijke Ordening en Grondzaken: W.G.H. Paquay.
 
Plaatsvervangend lid van de Commissie voor Verkeer, Milieu, Cultuur en
Monumentenzorg: W.G.H. Paquay.
 
Ingeleverd werden 34 biljetten. Allen werden benoemd met 34 (algemene)
stemmen, met uitzondering van R. Bouscher op wie 30 stemmen werden
uitgebracht.
 
De VOORZITTER: Ik dank de leden van het bureau van stemopneming voor de
bewezen diensten.
 
Aan de orde is thans:
 
4
Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 9 mei 1995 inzake het
draaiboek terrassenhandhaving 1995 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 286, blz.
1145).
 
De heer TEN HAVE: Mijnheer de Voorzitter. Ik heb twee concept-moties,
waarvan ik hoop dat ik die in tweede termijn niet behoef in te dienen,
gezien de positieve wijze waarop het College met de discussie in de
commissie van advies is omgegaan. Een aantal punten ten aanzien waarvan de
heer Robbers namens de fractie van D66 een voorbehoud had gemaakt is in het
desbetreffende stuk opgelost. Dat betreft met name punt 6, waar men wil
optreden tegen andere illegale voorwerpen. Ik toen heb aanbevolen, te
kijken naar wat wij in de wandeling het "Staalstraatregime" noemen. Dat is
nu ook schriftelijk opgenomen. Dat is genuanceerd zonder dat de
normstelling die aan ons terrassenbeleid ten grondslag ligt wordt
aangetast. Mijn fractie vindt het van groot belang dat de normstelling niet
ter discussie staat. Wij vinden ook, dat iedereen met een wandelwagen,
kinderwagen of invalidewagen door de stad moeten kunnen gaan. Het gaat dus
om de wijze waarop het een en ander wordt gehandhaafd.
Ik ben ook blij, dat er in het hoofdstuk Differentiatie erkenning is
voor het feit dat, onder handhaving van de norm, de fysieke verschijning
van de stad en de verschillende verkeersregimes een wat nauwgezetter
inventarisatie van wat wel kan en wat niet kan met zich brengt. Het
verheugt ons zeer dat in buurtbeheerplannen wordt bekeken wat wel en wat
niet kan, zodat inhoud kan worden gegeven aan de problemen van bijvoorbeeld
de kopprofielen, waar een ruimere doorgangsmaat dan de norm van 1,5 m kan
worden gehanteerd. Ik kan alleen maar uit ervaring zeggen, dat dit afhangt
van de hoek.
Het verkeersregime is zeer belangrijk. Ik verwacht, dat het door het
College voorgestane 30-kilometerregime wel eens tot andere opvattingen zou
kunnen leiden.
Wij zijn het eens met dit alles, maar de vraag is, aangezien het een
draaiboek voor de terrassenhandhaving is, hoe de handhaving zal zijn. Ik
zou het zeer vreemd vinden, als men, wanneer men op een bepaald moment gaat
kijken hoe en waar er in de toekomst terrasmogelijkheden zijn, nu als een
blind paard zou handhaven. Als ergens een terras overlast geeft en men zich
niet binnen de vastgestelde regels gedraagt, moet er worden opgetreden,
maar het getuigt niet van wijs bestuur als men met de meetlat in de hand
een situatie gaat opheffen zonder dat daar sprake is van overlast; men zou
wellicht in de toekomst - soms de zeer nabije toekomst - ook als bestuur
tot het inzicht kunnen komen dat een terras daar een verrijking is voor de
openbare ruimte in de plaats dat daaraan afbreuk wordt gedaan. In de
commissie heb ik gevraagd, om in elk geval met verstand te handhaven en ik
denk, dat men alleen in die gebieden waar men van plan is, buurtbeheer-
plannen te maken, met verstand handhaaft; ik ben een voorstander van
terrasjes, maar ik ben tegen een "terrazzia" op terrasjes. Dat zal naar
mijn mening bij de Amsterdamse bevolking niet goed vallen.
De D66-fractie stemt volledig in met het feit dat het terrassenbeleid is
gericht tegen de visuele vervuiling van de openbare ruimte. Geheel in lijn
met wat wij ook proberen te doen bij woonschepen enz., moeten er voor de
terrasjes welstandscriteria worden ontwikkeld die dan in de afgegeven
terrasvergunningen kunnen worden vastgelegd. Ik zal mijn motie ter zake
niet indienen als het College het daarin met mij eens is.
(De heer HOUTERMAN: Als u spreekt over welstandscriteria voor
woonschepen, doelt u dan op iets wat wij moeten gaan doen of wat wij
niet doen?)
Naar ik heb begrepen zijn er tot op heden nog geen welstandscriteria
voor woonschepen. Het voorgenomen beleid is, om die te ontwikkelen en in de
toekomst Ä ook weer met verstand Ä te handhaven.
(De heer HOUTERMAN: Vallen daaronder dan ook de bestaande
woonschepen?)
"Met verstand handhaven" betekent, dat men de bestaande woonschepen
bekijkt en zal trachten die bij de eerste de beste verbouwing aan de
criteria te laten voldoen.
(De heer HOUTERMAN: Anders krijgen wij straks een discussie over het
punt dat wij verbieden dat er terrasstoelen van kunststof in
Amsterdam zijn, terwijl er wel woonboten van kunststof in de grachten
liggen. U bent daar toch ook geen voorstander van?)
Wij moeten eerst criteria ontwikkelen, die dan vervolgens in de nieuw af
te geven terrasvergunningen moeten worden verwerkt. Het is zeker niet goed,
nu alle stoeltjes van plastic in beslag te nemen; dat getuigt niet van
behoorlijk bestuur.
(Mevr. GREWEL: Is het uw bedoeling, voor terrasmeubilair
welstandscriteria te ontwikkelen en alle terrassen in Amsterdam te
verplichten, hetzelfde soort meubilair aan te schaffen?)
Dat lijkt mij niet mogelijk, want naar mijn mening hebben wij alleen
iets te zeggen over de binnenstad; buiten de binnenstad is de Raad niet
bevoegd. Daarom moeten criteria worden ontwikkeld; de ene plek in de
binnenstad is visueel gevoeliger dan de andere plek. Dit moet in goed
overleg met de desbetreffende horeca-ondernemers gaan. Als ik bijvoorbeeld
kijk naar het Rembrandtplein, lijkt het mij best mogelijk, dat daar
gezamenlijk een afspraak over een bepaald type stoel wordt gemaakt. Of het
allemaal gelijk is dan wel misschien net iets verschillend, kan weer een
andere uitstraling geven aan de openbare ruimte.
(Mevr. GREWEL: Ik heb wel eens gehoord, dat sommige mensen in moties
uitdrukkingen gebruiken als visueel aantrekkelijk. Voor iemand zoals
ik, met "jampotglazen" in mijn bril, is visueel aantrekkelijk iets
anders dan voor mevr. Ter Horst die nog zonder bril tennist.)
(Wethouder mevr. TER HORST: Ik kan u mededelen, dat ik lenzen draag
en dat ik bovendien niet tennis.)
Ik denk, dat de verontrusting van mevr. Grewel ten onrechte is, want ik
mag erop wijzen dat wij bijvoorbeeld welstandscriteria hebben ontwikkeld
voor gebouwde terrassen aan het Damrak, om daar het visuele aspect nader
vorm te geven. Ik ben dan ook zeer hoopvol. Ik heb tijdens de
commissievergadering veel instemming voor die suggestie mogen vinden, maar
ik vind daarvan niets terug in de onderhavige voordracht. Als er nu echter
wijze woorden van de kant van het College worden gesproken, die dan in het
Gemeenteblad worden opgenomen, ben ik zeer tevreden.
Samenvattend merk ik op, dat wij het nagenoeg met alles eens zijn,
behalve dan dat ik met de vraag zit hoe het College, voordat er
buurtbeheerplannen zijn, denkt te handhaven.
Mevr. GREWEL: Mijnheer de Voorzitter. De PvdA-fractie vindt het prettig
dat er een uitgebreide regeling, met een stappenplan, is opgesteld. Wij
zijn het met een groot aantal punten eens. Wij vinden het prettig, dat in
samenwerking tussen de Milieudienst en andere handhavers een dergelijk
draaiboek tot stand is gekomen. Wij zijn voorstander van het terrassen-
beleid met de regels die hierin zijn opgenomen.
In de Commissie voor Algemeen Bestuurlijke en Juridische Zaken (ABJZ)
hebben wij bezwaar gemaakt tegen de "staande terrassen" en zeker tegen de
manier waarop nu wordt voorgesteld, ook op tropische dagen staande
terrassen toe te staan. In het oorspronkelijke stuk was dat zwaarder
geformuleerd, namelijk dat er helemaal niet meer naar zou worden gekeken.
Mijn fractie is voor de handhaving van de regel dat de mensen op een terras
moeten zitten. Er wordt nu voorgesteld, aan dit punt geen hoge prioriteit
te geven, maar alleen te reageren als er klachten zijn. Het moet bovendien
binnen de aangewezen ruimte zijn, het mag niet lastig zijn en de mensen
moeten volgens de regels weer naar binnen. Welke garantie heb ik echter,
dat na mijn klachten over overlast ook inderdaad wordt ingegrepen? Er zal
natuurlijk altijd een verschil van mening blijven bestaan tussen de horeca
en de bewoners. De horeca vindt dat de regels te star zijn en de bewoners
vinden dat die veel te soepel zijn. De vraag is, hoe wij dat met elkaar
regelen en welke garantie er is ingeval van overlast? Ik meen, dat zolang
de door ons gewenste "klachtentelefoon" er niet is, men geen enkele
garantie heeft.
Er wordt voorgesteld, een tropenrooster in te stellen. Als de
Milieudienst vindt dat het een zeer warme dag is, mogen de deuren en ramen
van de horecagelegenheden open, wat niet het geval is op dagen die niet als
zodanig door de Milieudienst worden aangewezen. Ik kan mij moeilijk
voorstellen, dat de burgemeester via AT5 aankondigt, dat het op die dag een
tropische dag is, terwijl, als het de volgende dag 2øC minder is, hij dan
weer op de televisie komt en mededeelt, dat het deze dag geen tropische dag
is. Als het zeer warm is en de dag daarop is het weer warm, zal het uiterst
moeilijk zijn om de eerste aankondiging ongedaan te maken. De deuren en
ramen mogen open Ä wij kunnen daarmee leven Ä als maar wordt gekeken naar
de geluidsoverlast. Het kan dus niet betekenen dat de deuren en de ramen
open gaan en dat de binnen toegestane muziek zonder meer naar buiten golft;
dan moet weer een andere milieuregel worden gehandhaafd, namelijk dat op
een bepaalde afstand uit de gevel geen geluidsoverlast mag bestaan. Er is
echter een voorstel dat nog verder gaat, namelijk dat op echte tropische
dagen mensen buiten mogen staan, ook bij zaken die geen terrasvergunning
hebben. Wij hebben het een en ander uitgezocht en vastgesteld, dat er het
vorig jaar 17 tropische dagen zijn geweest. Laten wij dat aantal als
criterium aanhouden. Ik wijs er dan wel op, dat die dagen niet allemaal op
vrijdag en zaterdag vallen, ook al zou de heer Robbers dat wel willen. Dit
betekent, dat op doordeweekse dagen de overlast zeer groot zal kunnen zijn
omdat iedereen overal buiten mag staan. Ook hier is weer een soort
compromis in het voorstel gekomen, namelijk: geen hoge prioriteit maar
optreden bij overlast. Welke garantie heb ik daarvoor? Zolang wij de
garantie niet hebben, dat, als er klachten over overlast zijn en als er
mensen werkelijk dag-in dag-uit worden gehinderd, er zal worden opgetreden,
kan mijn fractie niet echt enthousiast zijn, want wat nu in de voordracht
staat is geen vis en geen vlees. Het heeft geen hoge prioriteit, maar...
Wat het welzijnskarakter van het meubilair aangaat hoop ik toch, dat wij
niet gaan bepalen welke stoeltjes moeten worden aangeschaft; ik zou mij
daarbij wel iets kunnen voorstellen.
In de voordracht staat ook, dat er per geval zal worden bekeken of in de
straatjes waar eigenlijk geen terras is toegestaan, bijvoorbeeld in verband
met de trottoirbreedte, een uitzondering kan worden gemaakt. Regels zijn er
om de uitzondering toe te laten. Laten wij de regel handhaven, terwijl per
geval een beslissing wordt genomen en er geen algemeen differentiatiebeleid
wordt gevoerd.
De PvdA-fractie kan zich al met al met deze voordracht verenigen, als
maar wel de garantie wordt gegeven, dat er wordt opgetreden als er klachten
zijn. Er zal mij moeten worden uitgelegd op welke manier men dat denkt te
doen, want er is nog steeds geen centrale telefonische melding mogelijk.
De heer SPIT: Mijnheer de Voorzitter. De CDA-fractie kan zich redelijk
vinden in het resultaat van de in de commissie van advies gevoerde
discussie. Wij zijn tevreden met deze voordracht, met uitzondering van de
kwestie van het tropisch-weerscenario. Ik vind, dat de regeling onvoldoende
rekening houdt met het feit dat als het weer zodanig is dat de horeca de
deuren en ramen wagenwijd openzet, de bewoners in de omgeving uiteraard ook
de ramen en deuren wagenwijd openzetten. De deuren zijn niet zo erg, maar
de ramen wel, want de kinderen in de buurt kunnen dan niet slapen door het
lawaai enz. Ik vind het gestelde dat daaraan niet de hoogste prioriteit
wordt gegeven beslist onvoldoende. Het gaat ons iets te ver om om die reden
de voordracht af te wijzen, maar wij willen wel graag weten wat in de
praktijk precies een lage prioriteit heeft en of bij klachten ook rekening
met die klachten wordt gehouden, zodat de bewoners bij grote hitte hun
ramen niet dicht behoeven te laten in verband met de geluidsoverlast. Als
het College die wens redelijk vindt, kunnen wij ons verenigen met deze
voordracht; anders zullen wij, als er klachten zijn, daarop in de Raad
terugkomen.
De heer VAN BOMMEL: Mijnheer de Voorzitter. Ik kan mij met betrekking
tot de staande terrassen vinden in de in de voordracht opgenomen
voorstellen: optreden bij overlast, bijvoorbeeld als de weg wordt
geblokkeerd, maar overigens een lage prioriteit geven aan het bestrijden
van staande terrassen.
Ik heb wel grote problemen met het gestelde over het tropisch-
weerscenario, met name het uitgangspunt. In de nota Horeca in de binnenstad
wordt uitgegaan van het volgende uitgangspunt: "Bij tropisch weer moeten de
belangen van de exploitanten en hun bezoekers zwaarder wegen dan die van
bewoners." Ik maak daartegen principieel bezwaar. Niet alleen exploitanten
en bezoekers hebben te maken met het tropische weer, ook de omwonenden
zullen hun ramen en deuren wagenwijd open willen zetten. Bij de
vastgestelde regels ontstaat er dan een probleem en daarover zullen dan ook
klachten komen. Een garantie dat er iets met die klachten gebeurt is er bij
deze regeling niet, omdat de overlast die dan ontstaat, in feite niet meer
als overlast kan worden aangemerkt, immers, er mogen bij tropisch weer
ramen en deuren open en er mag levende muziek worden gemaakt tot 01.00 uur
op de weekdagen en tot 02.00 uur in het weekeinde. Dat leidt automatisch
tot overlast; dat kan niet anders. Ik ben tegen het tropisch-weerscenario
in het algemeen. Ik ben niet tegen tropisch weer, maar wel tegen het
scenario dat het College voorstelt met betrekking tot de horecaregeling en
wat wordt voorgesteld met betrekking tot de terrassenregeling, dus geen
uitbreiding op dit punt.
De heer HOUTERMAN: Mijnheer de Voorzitter. Voor de VVD-fractie is dit
draaiboek een eerste en goede stap in de richting van verandering van
Staphorst aan de Gracht naar Hoofdstad aan de Amstel. Deze voordracht laat
letterlijk en figuurlijk de zon in het water schijnen.
De fractie van de VVD is, evenals de heer Van Bommel, tegenstandster van
het tropisch-weerscenario. Wij willen een subtropisch-weerscenario omdat
het tropisch-weerscenario zich in Amsterdam te weinig voordoet. Als het
broeierig weer is, heeft dat heeft te maken met de relatieve
vochtigheidsgraad en niet met de absolute temperatuur. Dit verschijnsel
doet zich uiteraard ook 's avonds voor en wij vinden, dat, als dan de
vochtigheidsgraad het hoogst is, ook de tolerantie van onze kant het hoogst
moeten zijn.
(De heer VAN BOMMEL: Hebt u dit, evenals de PvdA-fractie, laten
doorrekenen door het KNMI? Kunt u aangeven om hoeveel dagen in het
jaar het dan gaat?)
Wij hebben het laten doorrekenen, maar dan wel door een particuliere
organisatie. Dagen met die relatieve hoge vochtigheidsgraad komen meer voor
dan tropische dagen. Vochtigheid is ook het kenmerk van de tropen.
(De heer VAN DUIJN: Hebt u daarbij ook rekening gehouden met het
broeikaseffect?)
Wat de communicatie naar belanghebbenden betreft kunnen wij ons niet
helemaal vinden in de schets van mevr. Grewel. In plaats van de dagelijkse
mededeling van de burgemeester op de televisie hebben wij meer behoefte aan
een elektronische burgemeester. Via Teletext op AT5 zou kunnen worden
gemeld wanneer dit regime relevant is.
Voor de VVD-fractie zijn welstandsnormen ten aanzien van het
terrasmeubilair bespreekbaar, mits aan een zeer strikte conditie is voldaan
in de sfeer van: gelijke monniken, gelijke kappen. Wij zijn voor een
uitgebreid welstandsbeleid in meerdere sectoren in onze stad. Als het
voorstel van D66 betekent, dat dit een eerste stap is en dat het
welstandsbeleid ook naar de andere sectoren Ä zoals woonboten Ä wordt
doorgetrokken, kan dit onze steun krijgen.
Met betrekking tot de horeca hebben wij in deze collegeperiode
letterlijk en figuurlijk de klok vooruit gezet. De voordracht is wat ons
betreft een stap in de goede richting, maar nog niet de laatste stap.
De heer VAN DUIJN: Mijnheer de Voorzitter. Ik heb ooit meegedaan aan een
verkiezingscampagne onder de leuze: Stem Provo voor mooi weer. Dat wil
echter niet zeggen dat ik voorstander ben van dit mooi-weerscenario, want
ook daarbij krijgen de bewonersbelangen te weinig aandacht. Er wordt dan
minder gehandhaafd en men krijgt meer overlast, al dan niet wandelend of
tennissend op stoepen in de stad. Ik ben voorstander van versterking van de
handhaving.
Mevr. SCHUTTE: Mijnheer de Voorzitter. In tegenstelling tot wat de VVD-
fractie denkt, gaat de zon toch ook bij tropisch weer onder en dan schijnt
de maan, hetgeen toch een iets andere sfeer veronderstelt dan door de VVD-
fractie wordt uitgedragen.
(De heer HOUTERMAN: Bedoelt u dan volle maan?)
Alle standen van de maan.
Mijn fractie kan zich vinden in de beslispunten 1ø tot en met 3ø; de
pijnpunten zitten bij punt 4ø (tropisch-weerscenario) en 6ø (optreden tegen
andere illegale voorwerpen). Bij het tropisch-weerscenario is zo
langzamerhand het hek van de dam, want wij hebben daarmee blijkbaar
stilzwijgend ook het geluidsscenario vastgesteld. Dat was echter gericht op
het openen van deuren en ramen omdat het anders binnen te heet werd; het
behoefde daarom geen gevolgen te hebben voor de muziek. Nu mag ook iedereen
buiten staan; ik voorzie, dat daarmee ook het geluid naar buiten zal gaan
en dat is naar de mening van mijn fractie niet de bedoeling. Op blz. 1150
staat dat geluidsoverlast geen reden is om op te treden. Dan zijn er
helemaal geen mogelijkheden meer om iets aan het geluid te doen, mede
gezien het feit dat er geen algemene klachtentelefoon is. Ik stel er prijs
op, dat bij het aangeven van de bovengrens de geluidsoverlast daarbij
hoort. Onze wens is, dat men bij tropisch weer wordt verzocht, het geluid
zachter te zetten.
Bij punt 6ø lijkt het erop, dat de commerci‰le exploitatie van de
openbare ruimte door de horeca maatgevend wordt voor andere niet
commerci‰le gebruikers, zoals bewoners die eventueel overgaan tot het
plaatsen van plantenbakken enz., terwijl het duidelijk gaat om de
verfraaiing van de stad. Ik vind, dat punt 6ø alleen moet gelden voor
handelingen van de horeca en niet voor de verfraaiingen die door bewoners
worden geplaatst.
De VOORZITTER: Ik ben het met de woordvoerders van de verschillende
fracties eens dat het plezierig is dat wij voor het gehele horecabeleid in
onze stad, voor zover wij daarvoor verantwoordelijk zijn, en met name voor
het terrassenbeleid, nadere regels hebben kunnen stellen.
Het probleem bij de terrassenhandhaving is, zoals is gebleken bij de
discussie over het meubilair en het tropisch-weerscenario, dat het niet
gaat het reguliere regime waarbij in het algemeen bij redelijk weer op
doordeweekse dagen terrasjes vol of iets minder vol zitten en er niets
bijzonders aan de hand is. Het gaat altijd om de vraag wat er in bijzondere
situaties wordt gedaan. Hoe wil men dan handhaven en hoe wil men dan
optreden? Wij hebben op dit punt enkele bijstellingen doorgevoerd, waarop
de heer Ten Have ook heeft gewezen. Dat betreft ook het tropisch-
weerscenario. Ik kom daarop terug.
Ik wijs er met betrekking tot de handhaving op, dat men handhavers niet
op pad kan sturen met een mededeling, dat er in principe wordt gedoogd,
tenzij er sprake is van overlast. Ik vind dat er een norm moet worden
gesteld, zodat men ook weet waaraan men zich heeft te houden. Als dat niet
gebeurt, kan men van degene die als handhaver op pad wordt gestuurd niet
vragen daadwerkelijk op te treden. Men kan ter plaatse niet over normen
gaan praten. Normen moeten vastliggen en er moet zijn vastgesteld, wat in
principe wel en niet mag. Gedogen tenzij er overlast is, is een moeilijk
uitgangspunt. Het betekent in feite, dat de medewerkers voortdurend in
discussie moeten treden met uitbaters en bezoekers van terrassen over de
vraag, wat overlast in de gegeven situatie is. Wij weten allen, dat men
niet alles altijd - ook niet het weer - in Amsterdam kan regelen. Men moet
echter trachten, willekeur te vermijden en er moet geen beleid ontstaan
waarbij iets ter plaatse moet worden bepaald. Dat betekent namelijk, dat
een volgende keer ingeval van overlast de buurman zich beroept op het
beleid ter zake dat gisteren of eergisteren bij zijn buurman is bepaald.
(Mevr. GREWEL: Wij vragen dan ook, waarom het College spreekt over
"lagere prioriteit". Het College schrijft dit, niet wij.)
Ik wijs erop dat de situatie waarbij geen vergunning voor een terras is
verleend, wordt gehandhaafd. Als er geen terrasvergunning is, is er ook
geen terras. Als men hier niet van uitgaat, kunnen wij niet werken. Bij
overlast moet er gewoon worden gehandhaafd.
(De heer HOUTERMAN: Naar mijn mening is de hele Raad het met u eens,
dat er duidelijke normen moeten worden gesteld, maar de vraag is, of
men bij de handhaving prioriteiten mag stellen. De Politie heeft dan
een bepaald aantal uren om te handhaven. Daarbinnen is er sprake van
hogere en lagere prioriteiten, maar de normen moeten wel duidelijk
zijn.)
De heer Houterman loopt vooruit op het punt waaraan ik nu zou toekomen,
namelijk de vraag, welke prioriteit men stelt in een situatie waarin er
iets uitzonderlijks is. Op Teletext van AT5 worden langs elektronische weg
de tropische dagen aangekondigd. Bij onzekerheid is er de mogelijkheid om
via een antwoordapparaat een boodschap in te spreken. Wij hebben in 1994
overigens 12 in plaats van 17 tropische dagen gehad. Wij tellen alleen
tropische en geen subtropische dagen. De vraag is echter, wat er dan wordt
gedaan. Iedereen heeft gesproken over belangen die botsen. Bezoekers van de
horeca gaan bij dat warme weer naar buiten omdat het binnen niet is uit te
houden. Dit gebeurt gemiddeld 12 dagen per jaar en de vraag is dan, wat de
handhaver moet doen. Op blz. 1150 wordt een bovengrens gesteld: er mogen
geen verkeersbelemmerende situaties ontstaan, de toegangen tot ruimten van
derden mogen niet worden geblokkeerd en na de sluitingstijd van het terras
moet iedereen weer naar binnen.
Daarnaast heeft men dan nog te maken met de situatie dat ramen en deuren
open staan, met als gevolg geluidsoverlast voor de buren. De vraag is, wat
men dan doet. Past men dan een algehele handhavingsnorm toe of treedt men
op als de zaak uit de hand dreigt te lopen op basis van klachten die zijn
binnengekomen danwel constateringen van de handhavers dat de zaak uit de
hand loopt? Ik vind, dat men voor die circa 12 dagen per jaar eigenlijk
niet zou moeten proberen, precieze regels te stellen. Wij kunnen eindeloze
detailleringen maken die wij dan echter in de praktijk niet kunnen
handhaven. Ik zou het overlaten aan het optreden van de Politie als het uit
de hand dreigt te lopen. Mevr. Grewel merkte op, dat dit geen vlees en geen
vis was, maar ik zou niet weten hoe ik een sluitende regeling moet maken
die ertoe leidt dat, als het zulk warm weer is, te allen tijde in de gehele
stad gelijk wordt gehandeld. Naar mijn mening moet er alleen worden
opgetreden als er sprake is van overlast. Ik geef toe dat het een lage
prioriteit heeft, maar ik vind, dat wij die onderkant van de handhaving ook
tegelijkertijd moeten regelen.
(Mevr. GREWEL: Het gaat niet alleen om het op blz. 1150 gestelde
inzake de bovengrens, maar ook over datgene wat op blz. 1148, punt A,
staat over "staande terrassen".)
(Mevr. SCHUTTE: Als het wel mogelijk is om verkeersbelemmerende
situaties als grens aan te geven Ä men kan nog discussi‰ren over de
vraag wanneer daarvan sprake is Ä waarom kan dan bij de bovengrens
niet de mate van geluidsoverlast die nog acceptabel worden
vastgesteld? Die grens zal in elk geval moeten worden genoemd, zodat
de Politie weet dat zij een criterium in handen heeft op basis
waarvan zij bij klachten kan optreden.)
De geluidsoverlast is het centrale element. Het feit dat men buiten
staat of zit en daar een consumptie nuttigt is ‚‚n ding, maar daarnaast is
natuurlijk de extra geluidsoverlast doordat er ook keiharde muziek zou
aanstaan weer een ander ding. De ervaring leert, dat het in het algemeen
gaat om geluidsoverlast van mensen die zich nog 's avonds laat staand of
zittend op een terras bevinden omdat het prachtig weer is. Het is niet in
de eerste plaats de geluidsoverlast in het kader van de geluidsvergunning
waarover klachten ontstaan, maar het feit dat men zich op straat bevindt.
(Mevr. SCHUTTE: De kans is toch groter bij een tropisch-weerscenario
dat juist wel de overlast zich zal toespitsen op de geluids-
installatie omdat de ramen en duren open mogen en de geluids-
installatie niet uit hoeft en zelfs niet eens zachter behoeft te
worden gezet!)
In het concrete geval heeft men, als het tropisch weer is, ook te maken
met een "tropisch-decibellenscenario". Het aantal decibels moet dan omlaag,
maar hoeveel? De Politie kan optreden, of het nu geluidsoverlast is of
overlast die te maken heeft met mensen die zich nog laat op het terras
bevinden en ik vind, dat men niet moet gaan proberen, nadere definities te
gaan opstellen voor wat wel en wat niet de norm is. Daar komt men nooit
uit.
(De heer VAN BOMMEL: U geeft eerst aan, dat er een norm moet worden
gesteld, die dan vervolgens moet worden gehandhaafd Ä in een
gedoogsituatie zou men daarvan eventueel kunnen afwijken Ä en nu zegt
u dat er geen norm moet worden gesteld. Hoe wilt u dan overlast
defini‰ren? Om hoeveel klachten moet het gaan?)
Ik kan dat absoluut niet zeggen, maar dat moet men ook niet willen. Men
moet zich voorstellen: het is tropisch warm in de stad; overal zitten
mensen buiten, ook op terrasjes zitten en staan mensen en er klinkt overal
vrolijke muziek. In sommige wijken heeft men daarvan geen last en in andere
wijken blijft dat tot laat in de avond duren; er ontstaat baldadigheid, er
is derhalve extra overlast. Er komen ‚‚n, twee of drie telefoontjes binnen,
de Politie gaat kijken sommeert om te stoppen aangezien het inderdaad te
ver gaat, terwijl elders in de stad nog vrolijk wordt feestgevierd, terwijl
daar niemand zich aan die muziek ergert. Moeten wij daarvoor dan allemaal
normen vastleggen? Laten wij toch van de wijsheid van de buurtbewoners, de
terrasbezoekers en de uitbaters uitgaan. In alles wat u zegt hebt u gelijk,
maar u moet mij niet vastpinnen op een "tropisch-weerhandhavingsnorm" die
ik in de praktijk niet kan handhaven.
(De heer VAN BOMMEL: Daarmee spreekt u zichzelf wat betreft de normen
wel enigszins tegen. U zegt dat er een norm moet worden gesteld die
vervolgens moet worden gehandhaafd, want naast de situatie die u
schetst ken ik een andere, namelijk bij caf‚s die levende muziek
produceren, waarbij niemand meer binnen zit omdat er zo luid wordt
gespeeld dat het wel op het terras hoorbaar moet zijn. Die situatie
is in de binnenstad bij tropisch weer veelvuldig aan de orde. Dat is
volgens mij het probleem.)
Er is met de horeca de afspraak gemaakt, dat, als er sprake van een
tropisch-weerscenario is en de deuren en de ramen openstaan, wel de
geluidsnorm en de 10-meternorm in acht zullen worden genomen. De
horecamensen zullen toch niet, omdat veel bezoekers buiten op het terras
zitten of staan, het geluid extra hard aanzetten? De geluidsnormen blijven
namelijk dezelfde en in de concrete situatie zal zoveel mogelijk worden
gestreefd naar het principe: leven en laten leven. Wij hebben echter een
bepaling nodig aan de hand waarvan wij kunnen ingrijpen als het uit de hand
loopt. Meer kan ik niet doen voor die 12 dagen per jaar, want alles wat men
mij verder wil laten vastleggen zal leiden tot een detaillering die in de
praktijk niet te handhaven is. Natuurlijk wordt er gehandhaafd als er
overlast is. Mevr. Grewel en de heer Spit hebben er echter terecht op
gewezen, dat er dan sprake is van een lage prioriteit. Ook de heer Van
Bommel sprak erover en deze is om die reden tegen dit onderdeel van het
voorstel.
Ik verzoek wethouder mevr. Ter Horst nader in te gaan op de opmerkingen
over het meubilair en de uniformering daarvan.
Wethouder mevr. TER HORST: Mijnheer de Voorzitter. De heer Ten Have
heeft gesproken over de welstandscriteria met betrekking tot het
terrasmeubilair en over een zekere differentiatie ten aanzien van de
terrasbepalingen, dus ook voor andere objecten dan terrassen.
Met betrekking tot de handhaving wijs ik erop, dat er zeker niet als een
blind paard zal worden gehandhaafd. Ik onderschrijf wat de Voorzitter
daarover heeft gezegd, namelijk dat men dat niet alleen moet doen bij
overlast, aangezien men dan allerlei discussies krijgt over de vraag wat
precies overlast is. Ik kan het de Dienst Stedelijk Beheer, waar die
verantwoordelijk is voor handhaving, ook niet aandoen, die op pad te sturen
met de boodschap dat eerst maar eens moet worden gekeken waar sprake is van
overlast en dat men daarna moet handhaven. Wij stellen regels op om ervoor
te zorgen dat die kunnen worden gehandhaafd. Ik meen, dat mijn opvatting
wat dat betreft wat minder rekkelijk is. Als wordt gesteld, dat er moet
worden gehandhaafd met verstand, kan ik daar zeker niet tegen zijn.
Wat betreft de welstandscriteria voor terrassen kan ik als
verantwoordelijk wethouder voor een mooie openbare ruimte zeer met de
gedachten van de heer Ten Have meevoelen. Ook ik vind, dat door een
verfraaiing van het terrasmeubilair een bijdrage wordt geleverd aan de
verfraaiing van de openbare ruimte. Men moet echter wel oppassen, dat men
weer niet allerlei regels gaat stellen, waartegen de horeca zich dan zo
goed als zeker gaat verzetten. Ik heb begrepen, dat men de regels als een
vergaande betutteling zou zien en dat de horeca zelf al bezig is, tot een
dergelijke verfraaiing te komen. Ik stel de Raad voor, eens te kijken naar
Groningen in plaats van Maastricht waarnaar wordt verwezen. Ik weet, dat in
Groningen is bepaald, dat alleen rieten stoelen zijn toegestaan. Ik vind
- daarmee ben ik het op dit punt niet helemaal eens met mevr. Grewel - dat
een zekere eenduidigheid in terrasmeubilair leidt tot een overzichtelijke
openbare orde en tot minder "rotzooi". Ik stel dan ook voor, eens te kijken
hoe dit probleem in Groningen en Maastricht is opgelost. Mijn bevindingen
zal ik dan in de desbetreffende commissie van advies melden.
(De heer HOUTERMAN: Ik vind, dat daarbij wel in acht moet worden
genomen, dat datgene wat aan de rand van het water plaatsvindt ook
wordt weerspiegeld in datgene wat in het water ligt. Dit betekent dat
wij niet aan de rand van het water streng kunnen zijn in de keuze van
het materiaal van de stoelen en de kussentjes, terwijl wel een
woonboot van kunststof voor het terras mag liggen.)
Wij besturen integraal. Ik ga niet over de woonboten, maar ik heb in wel
enige invloed op mijn collega die daar wel over gaat en ik weet zeker dat
het College zeer goed in staat is, zowel waar het gaat om terrasmeubilair
als waar het gaat om woonboten en straatmeubilair, tot een algehele
verfraaiing van de binnenstad te komen.
De heer Ten Have vroeg zich af, hoe het College zou willen handhaven
voordat er buurtbeheerplannen zijn. Die vraag ontgaat mij een beetje. Wij
hebben regels om te handhaven en dan wordt ook gehandeld op basis van die
regels. Ik zie niet in waarom wij daarvoor buurtbeheerplannen nodig hebben.
Ik ben het dan ook niet met hem eens, dat men, afhankelijk van het
buurtbeheerplan, regels moet stellen. Een buurt is geen gemeente en die
heeft ook geen buurtgrens. Men moet oppassen dat wat men in de ene buurt
doet, niet een voorbeeld wordt voor wat men in de andere buurt doet. Het
uitgangspunt moet zijn, dat er regels voor de hele stad worden gesteld.
(De heer TEN HAVE: Voor de Leidsebuurt hebt u keurig gedifferentieerd
Ä u hebt ook enige straten opgenoemd Ä waar wat mogelijk is, maar er
zijn ook andere plekken in andere buurten waar het ook zou kunnen,
alleen moet men die wel opzoeken. Bovendien Ä hierop sloeg mijn
opmerking Ä is het zo dat, met instandhouding van de norm, het
verpozen op straat binnen die norm in de vorm van een terras niet
kan, maar wel bijvoorbeeld in de vorm van een bank.)
Daar is ook niets tegen, maar er zijn regels die men wil handhaven om
bijvoorbeeld een goede doorgang mogelijk te maken. Een belangrijk criterium
voorr de Dienst Stedelijk Beheer is de breedte van het trottoir, namelijk
van 1.50 m. Als die breedte er is, is er ruimte om bijvoorbeeld bankjes of
plantenbakken neer te zetten. Die flexibiliteit is er, maar er moet wel aan
bepaalde regels worden voldaan.
De heer Houterman sprak erover, dat wij nu overgaan van Staphorst naar
iets Europees. Ik sluit mij, althans waar het mijn verantwoordelijkheid
betreft, niet aan bij die kenschets.
(De heer HOUTERMAN: U houdt het op Staphorst?)
Neen. Ik vind, dat de manier waarop wij in de binnenstad bezig zijn,
absoluut niets met Staphorst te maken heeft.
(De heer K™HLER: Wat is er met Staphorst? Is dat een negatief
begrip?)
Ik raad u aan, op zaterdagavond laat eens op het Rembrandtplein te
lopen; dan gaat elke vergelijking met Staphorst absoluut mank. Bovendien
kan ik mij voorstellen, dat de bewoners van de binnenstad toch wel eens met
verlangen uitzien naar een stadsdeelbestuur, omdat het kenmerk van een
stadsdeelbestuur is, dat alle leden van dat bestuur daar ook wonen. Voor
mensen die niet in de binnenstad wonen en dus geen overlast hebben, is het
wel erg gemakkelijk om te zeggen dat alles in de binnenstad moet worden
vrijgegeven.
(De heer HOUTERMAN: Zegt u dat ook in de discussie over Schiphol?)
Ik wil die discussie wel hier met u voeren, maar het verschil is, dat er
daar maar ‚‚n gemeente de zeggenschap over Schiphol zou heeft, terwijl het
aantal mensen dat met Schiphol te maken heeft in de zin van overlast, maar
ook als het gaat om de voordelen, veel groter is.
(De heer HOUTERMAN: Dat gaat ook op voor de binnenstad. Er zijn 1
miljoen bezoekers, terwijl de binnenstad 100.000 inwoners telt.)
Ik heb ook niet gezegd, dat een stadsdeelbestuur van de binnenstad
alleen maar zal opkomen voor de belangen van de inwoners. Ik ben altijd van
mening geweest, dat een stadsdeelbestuur in staat is, die mix goed te
maken. Men spreekt beter over een bepaald onderwerp als men zelf weet wat
het betekent.
(De heer HOUTERMAN: Op dat punt zijn wij het geheel eens, vandaar ook
dat wij vinden dat ambtenaren in de stad moeten wonen waar zij
werken.)
De heer TEN HAVE: Mijnheer de Voorzitter. Als de basis voor handhaving
wijsheid en verstand is en de prioriteit wordt gelegd bij het tegengaan van
overlast, heb ik vertrouwen in dit verstandige en wijze College dat het
inderdaad geen klopjacht Ä of de razzia zoals ik het noemde Ä zal
ontketenen.
Vanaf mijn zetel in de raadzaal kijk ik in de Staalstraat en bekijk,
hoeveel mensen van het trottoir gebruik maken. Dat bedoel ik nu als ik het
heb over een buurtbeheerplan: ga gewoon eens kijken, hoe een bepaalde weg
wordt gebruikt. Wij hebben dit daar ook gedaan en wij zijn toen tot een
aardig compromis gekomen. De conclusie was namelijk, dat daar de doorgaande
wandelaar midden op de weg loopt, niet gehinderd door fietsers.
 
 
 
 
Wij moeten
van die praktijk uitgaan en dat moeten wij niet hier doen, maar in de
desbetreffende buurt. Ik heb daarin echter alle vertrouwen.
Ik ben verheugd over de toezegging inzake de terrasstoelen. Wij doen een
en ander in overleg met de horeca en daar komen wij wel uit. Ik heb een
voorkeur voor de methode van Maastricht, omdat daar geen regel, maar een
instructienorm van kracht is. Soms kan men zonder regels en zonder
handhaving, maar met overtuiging heel veel bereiken.
Mevr. GREWEL: Mijnheer de Voorzitter. In eerste termijn heb ik reeds
opgemerkt, dat er altijd een wankel evenwicht zal zijn tussen bewoners en
de horeca, omdat de bewoners vinden dat de horeca te veel wordt losgelaten
en dat alles mag, terwijl de horeca vindt, dat er te strenge regels worden
gesteld. Wij moeten daarom een (wankel) evenwicht vinden, zodat het voor de
bewoners ook zo leefbaar mogelijk is. Ik wijs erop, dat ons uitgangspunt
altijd is geweest: ‚n uitgaan, ‚n wonen ‚n horeca. Ik heb al bij
interruptie een vraag gesteld over beslispunt A op blz. 1148. Het heeft
niets met het tropisch weer te maken; het heeft te maken met elke dag. Wij
weten, dat mensen die in een groepje buiten staan meer overlast veroorzaken
dan mensen die rustig op een stoeltje op een terras zitten.
(Mevr. SCHUTTE: Als dat stoeltje maar van riet is.)
Riet is helemaal niet prettig als men een short of een korte broek
draagt. Het gaat mij echter om het staan. Daarop heb ik nog bevredigend
antwoord gehad. Bovendien vraag ik mij af, hoe er wordt opgetreden als
iemand opbelt met de mededeling dat er overlast is.
De heer SPIT: Mijnheer de Voorzitter. Ik ben niet tevreden over de
antwoorden over het tropisch-weerscenario. Als op blz. 1150 een aantal
bovengrenzen wordt aangegeven, namelijk dat er geen verkeersbelemmerende
verkeerssituatie mag ontstaan, is dat een door de handhavende ambtenaar te
interpreteren bovengrens. Men kan ook een bovengrens aangeven voor
geluidsoverlast; die kan men vinden door een relatie te leggen met de
geluidsbelasting aan de gevel bij gesloten deuren. Die relatie is
gemakkelijk te leggen als men dat wil, maar kennelijk wil het College dat
niet. Daarover ben ik ontevreden. Het gaat erom, dat er geluidsoverlast
ontstaat die vergelijkbaar is met die bij gesloten deuren en dat er
rekening mee wordt gehouden dat bij tropisch weer de bewoners ook hun ramen
openzetten. Overigens moet ik aan het adres van wethouder mevr. Ter Horst
en de heer Houterman de opmerking kwijt, dat als men iedereen die beweert
een serieuze afweging te maken tussen belangen van bewoners en horeca, op
‚‚n hoop veegt als Staphorsters, men verkeerd bezig is.
De heer VAN BOMMEL: Mijnheer de Voorzitter. Ik kan mij ook niet vinden
in uw beantwoording. Ik ben bovendien verbaasd over de commotie die de
PvdA-fractie maakt over de staande terrassen, terwijl in de commissie van
advies juist zo lang is stilgestaan bij de overlast als gevolg van het
tropisch-weerscenario. Ik meen, dat vooral het tropisch-weerscenario het
meeste pijn deed en het lijkt mij dan ook, dat een meerderheid in deze Raad
zich niet kan vinden in dat tropisch-weerscenario, wanneer ik de
woordvoerder van de PvdA-fractie goed begrijp. Ik vind daarom, dat dit
tropisch-weerscenario uit het terrassenbeleid zou moeten verdwijnen.
(Mevr. GREWEL: Als u voor uw eigen partij een standpunt wilt innemen
vind ik dat best, maar misschien wilt u dat niet voor mijn partij
doen.)
Mevr. SCHUTTE: Mijnheer de Voorzitter. Als bovengrens is ook genoemd,
dat de normen voor het geluid dezelfde moeten blijven. Daaruit maak ik op,
dat de geluidsinstallaties niet naar buiten mogen worden verplaatst en dat
de orkestjes ook niet naar buiten gaan. Ik ben benieuwd naar de nadere
instructies van de Voorzitter aan de horeca en de Politie op dit punt.
De Voorzitter heeft ook gezegd, dat er bij geluidsoverlast dit een reden
is om op te treden. Ik zal de Voorzitter daaraan houden.
De VOORZITTER: Richting de heer Ten Have meld ik, dat er uiteraard geen
klopjachten zullen worden gehouden. Zonder dat wij een klopjacht houden,
kunnen wij echter wel duidelijk voor onszelf bepalen, dat dit ons beleid
zal zijn, welk beleid dan ook zal moeten worden gehandhaafd. Dat wil niet
zeggen dat elke vierkante millimeter met het meetlint wordt nagemeten, maar
na waarschuwingen volgen belemmeringen en hoge boetes. Dat is nu zo en dat
zal zo blijven. Dat is dan merkbaar in de portemonnee en in de bepalingen
inzake sluitingstijd. Ik moet wekelijks horeca-ondernemers opdragen, een
week of een paar dagen op een eerder tijdstip te sluiten danwel helemaal te
sluiten omdat zij zich niet aan de sluitingstijden houden. Dat is een
normaal scenario, waarmee de handhavers voor de dag kunnen komen en waarvan
de horeca-ondernemers ook weten dat het gebeurt als zij zich niet aan de
regels houden.
Met betrekking tot de vraag van mevr. Grewel wat er wordt gedaan bij
overlast van staande terrassen merk ik nog het volgende op. In wezen komt
dit overeen met het optreden bij tropisch weer. Als de situatie escaleert,
kan de Politie ingrijpen. Het is echter niet zo, dat bij elk staand terras
de Politie te allen tijde ingrijpt.
(Mevr. GREWEL: Hoe werkt dat dan? Ik bel op met een klacht en dan
komt de Politie?)
Dat kan. Als er een "kan-bepaling" is, wil dat nog niet meteen zeggen
dat de Politie steeds ingrijpt, maar zoals men bij elke melding bij de
Politie ervan moet uit gaan, dat de Politie optreedt, is dit ook hier het
geval. Het hangt dan van de situatie ter plaatse af of dat ook werkelijk
gebeurt.
De heer Spit en mevr. Schutte hebben mij goed begrepen dat het
geluidsoverlastcriterium dat men bij gesloten deuren moet handhaven, in
principe ook van toepassing is in het geval de deuren en ramen open staan
bij tropisch weer. Als men normaal een 10-meternorm vanaf de gevel heeft
bij gesloten ramen en deuren, geldt die ook bij open ramen en deuren. Dit
betekent dus dat dan de geluidsinstallatie zachter moet worden gezet.
(De heer SPIT: Als dit nu bij de bovengrens op blz. 1150 wordt
bijgeschreven, zij wij toch uit de discussie?)
Ik ben daartoe bereid. De normen voor geluidsoverlast bij gesloten of
geopende deuren moeten dezelfde zijn.
Ik kan de heer Van Bommel niet overtuigen. Deze wil het hele tropisch-
weerscenario schrappen. Ikzelf en de meerderheid van de Raad kunnen met die
zienswijze niet leven, omdat het in feite bezijden de werkelijkheid is
zoals die zich een aantal keren per jaar in deze stad zal voordoen.
Wethouder mevr. TER HORST: Mijnheer de Voorzitter. Bij de heer Ten Have
moet ik oppassen met een toezegging want als ik hem iets toezeg, krijg
ik het weer terug en dan pakt hij net iets meer dan wat ik heb gezegd. Ik
zou niet kunnen leven met de constatering, dat handhaven met verstand
alleen plaatsvindt als er overlast is. Ik vind, dat er moet worden
gehandhaafd op basis van de regels die wij samen vaststellen. Of er nu
sprake is van overlast of niet, dat moet gewoon gebeuren.
 
De discussie wordt gesloten.
 
Aan de orde is de stemming over de voordracht (nr. 286).
 
Mevr. SCHUTTE (stemmotivering): Op grond van de nadere toezeggingen van
de Voorzitter omtrent de muziek kunnen wij instemmen met deze voordracht.
De heer VAN BOMMEL: Op grond van de discussie kan ik instemmen met de
voordracht, met uitzondering van beslispunt 4, aangezien dat ik niet
geloof, dat het College de geluidsoverlast bij een tropisch-weerscenario
niet kan handhaven, maar ook niet echt wil handhaven.
Mevr. GREWEL: De PvdA-fractie stemt in met de voordracht, met dien
verstande dat wij graag willen weten wanneer er een evaluatie van dit
nieuwe beleid komt, met daarbij een inventarisatie van de klachten die,
zoals bekend, moeten worden geregistreerd.
De heer HOUTERMAN: De VVD-fractie gaat akkoord met de voordracht zoals
die op papier staat en uiteraard niet met de gedachtenspinsels die in de
laatste paar minuten ineens in het debat naar voren komen inzake de muziek
op het terras. Dat had beter in de besluitvorming moeten zijn verwerkt; dat
kan nu niet zo maar even in de marge van de besluitvorming worden geregeld,
ook niet als dit door de Voorzitter is toegezegd.
De VOORZITTER: Ik wijs erop, dat de kwestie van de bovengrens van de
geluidsoverlast met de horeca is besproken; ik heb dat niet ter plekke
verzonnen.
(De heer HOUTERMAN: Het is dus niet een nieuw gegeven?)
Het is niet een gegeven dat ik hier ter plekke verzin. Daarover is met
de horeca gesproken.
Aan het adres van mevr. Grewel zeg ik toe, dat aan het eind van het
terrassenseizoen de eerste evaluatie moet plaatsvinden.
 
De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de Raad
neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 1155 van afd. 1 van het
Gemeenteblad, met dien verstande, dat de leden Van Bommel en Van Duijn zich
niet kunnen verenigen met punt 4 van de beslispunten.
 
5
Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 3 mei 1995 inzake
uitvoering van het beleid met betrekking tot de nieuwe woonwagenbewoners
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 278, blz. 1124).
 
Hierbij komen tevens in behandeling:
 
Adres van 11 februari 1993 van de Nieuwe woonwagenbewoners/sters
(voorheen stadsnomaden) inzake enkele praktische tips ten behoeve van de
inrichting van zogenaamde sloaps;
Adres van 15 februari 1995 van J.R.A. Nawijn, namens de Amsterdamse
Industrie Vereniging, inzake de aanwijzing van locaties ten behoeve van de
stadsnomaden;
Adres van 21 maart 1995 van L. Voortman, namens de bewoners van de
Gevleweg en Stichting de Sloaper, inzake de aanwijzing van locaties ten
behoeve van stadsnomaden;
Adres van 13 mei 1995 van bewoners van de Gevleweg inzake beleid voor
nieuwe woonwagenbewoners.
 
Mevr. SCHUTTE: Mijnheer de Voorzitter. Het wonen in een woonwagen moet
op dezelfde manier worden benaderd als het wonen in een huis of op een
boot. Ik zeg met opzet "worden benaderd", aangezien de juridische erkenning
van het wonen in een woonwagen, ook als men niet voldoet aan het
discriminerende afstammingsbeginsel, nog even op zich laat wachten. Ik
veronderstel dat dit begin volgend jaar ook is geregeld. Ook zonder dat het
discriminerende afstammingsbeginsel is geschrapt, valt er echter best
ruimte en/of beleid te maken voor de nieuwe woonwagenbewoners. Dat bewijzen
de Gevleweg en de Amerikahaven, waar zonder al te grote problemen toch de
afgelopen jaren is gewoond en geleefd en dat bewijst ook de sloap (space
left over before and after planning) die nu wordt ingericht. Mijn fractie
begrijpt daarom niet, waarom het sloapbeleid voor de nieuwe woonwagen-
bewoners, zoals ook voorgesteld in de nota Gaan en Staan in Amsterdam (van
de VVD en GroenLinks), zo ontzettend magertjes wordt ingevuld: ‚‚n sloap
voor 30 plaatsen en verder wordt iedereen ontruimd als het waar is - wat ik
niet hoop - wat op blz. 1126 van de voordracht staat. Dit lijkt meer op een
ontruimingsbeleid voor de Gevleweg en de Amerikahaven dan op een positief
gebaar om letterlijk wat ruimte te maken voor de nieuwe woonwagenbewoners.
Dat was ooit de bedoeling. Ik breng graag onder de aandacht de brief van
25 augustus 1993 van oud-burgemeester Van Thijn aan het College van
Burgemeester en Wethouders, waarin hij als portefeuillehouder twee
voorstellen doet. Het is eerste wordt nu uitgevoerd; dat betreft het
inrichten van een sloap ten behoeve van de bewoners van de Amerikahaven en
de Gevleweg. In het tweede voorstel wordt gesteld: "De bewoners van de
overige kleine locaties worden uitgenodigd, een tijdelijke
gebruikersovereenkomst via HVO te sluiten." Voor de bewoners van de nu
bestaande kleine locaties (ik noem een onderzoek van de Stichting
Amsterdams Steunpunt Wonen (ASW) uit juni 1993) wordt niets gedaan. Ik zou
nu toch graag de toezegging van het College krijgen dat de bewoners van die
kleine locaties worden uitgenodigd om te bekijken of er tijdelijk
gebruikerscontracten kunnen worden gesloten. Als ik die toezegging krijg,
kan mijn fractie met deze voordracht akkoord gaan.
Er komt een draaiboek waarin staat, hoe moet worden gehandeld wanneer
personen zich zonder toestemming vestigen op terreinen die daarvoor niet
beschikbaar zijn. Er wordt voorgesteld, een co”rdinerende functionaris aan
te stellen die ervoor zorgt, dat, als mensen ergens gaan staan waar dat
niet mag, de problemen niet van deelraad naar deelraad worden
doorgeschoven, maar voor een oplossing, die in het algemeen toch op
ontruiming neerkomt, wordt gezorgd. Voor een dergelijke ambtenaar moet er
ook een positieve tegenhanger zijn en die zou ik graag willen plaatsen bij
de ASW. Kan er in de komende begroting geld voor een halve formatieplaats
worden vrijgemaakt als ondersteuning voor de nieuwe woonwagenbewoners?
Mevr. HOOGLAND: Mijnheer de Voorzitter. De nieuwe woonwagenbewoners van
de Gevleweg en de Amerikahaven die aan de criteria voldoen mogen straks op
de eerste, enige, echte sloap staan die Amsterdam heeft. Hoe staat het daar
eigenlijk mee? Welke locatie betreft het, op welke termijn kan
daadwerkelijk een sloap worden ingericht en voor hoelang geldt dit dan? Een
sloap bestaat namelijk totdat er een bestemming voor het terrein is. Hoe
gaan wij dus in Amsterdam om met nieuwe woonwagenbewoners als de enige
echte tijdelijke sloap weg is? Is het College dan niet genoodzaakt, andere
terreinen, waar nieuwe woonwagenbewoners neerstrijken, ook te voorzien van
basisvoorzieningen voor hygi‰ne en veiligheid? De onderhavige voordracht
rept hierover met geen woord. Een sloap kan toch ook ontstaan en als
zodanig worden aangewezen? In bijlage II is de conclusie, dat er voor
kleine groepen en ingeval van familiebezoek iets wordt gedaan op kleine
terreinen, terwijl voor asielzoekers het asielzoekerscentrum de aangewezen
plek is waarnaar de mensen worden verwezen.
Wat doet het College met de nieuwe woonwagenbewoners? Wij willen niet,
dat mensen naar gemeentegrenzen worden gesleept. Een van de mogelijkheden
is, dat nieuwe woonwagenbewoners neerstrijken op grond van de gemeente.
Wanneer daarvoor op korte termijn geen bestemming is, is dat een sloap
totdat er iets mee gebeurt. De PvdA-fractie wenst, dat het College op dat
punt een politieke wil en een actieve houding heeft als het gaat om
voorzieningen voor en afspraken met belanghebbenden. Zonder afspraken en
overleg dreigt, zoals al vaker is gebeurd, stigmatisering van de mensen.
Mijn fractie wil juist respect en begrip voor nieuwe woonwagenbewoners die
zo willen wonen als zij dat zelf wensen. Zij die daarvoor kiezen, weten dat
alles tijdelijk is, dat verhuizen erbij hoort en dat zowel sloaps als
campings mogelijkheden bieden.
Mevr. KRIKKE: Mijnheer de Voorzitter. Het wonen op wielen is niet
noodzakelijk om onder de Stichting Hulp voor Onbehuisden (HVO) te vallen.
De woonvorm moet men zelf kunnen kiezen, op wielen, op het water of gewoon
in een huis; wonen is wonen. De Stichting HVO kan daarnaast iets betekenen.
Dat verklaart de aanvankelijk aarzelende houding van de VVD tegen deze
voordracht. Wij begrijpen dat er goed overleg heeft plaatsgevonden tussen
de desbetreffende wethouder en de bewoners van de Gevleweg en de
Amerikahaven en dat uit dit overleg naar voren is gekomen, dat de Stichting
HVO zich met name zal opstellen als een soort van huisbaas en alleen zal
ingrijpen als er problemen zijn. Niet de hulpverleningstak van de Stichting
HVO zal hier sterk aanwezig zijn, maar de huisbazentak.
Oorspronkelijk was de gedachte om meer sloaps in de stad in te richten,
maar er wordt nu slechts ‚‚n terrein ingericht als sloap. De VVD-fractie
vraagt zich af, of het niet mogelijk is, meer sloaps in te richten met een
tijdelijk gebruikerscontract voor de bewoners die op dit moment op een
dergelijk terrein staan. Het gaat daarbij om een plek die op dat moment
nergens anders voor wordt gebruikt en met een gebruikerscontract is het
voor iedereen duidelijk hoe lang men op die plek mag staan. Wij kunnen ons
verenigen met de voordracht, maar wij willen graag uitbreiding van het
aantal sloaps.
De heer VAN DUIJN: Mijnheer de Voorzitter. Ik vind het verschijnsel van
de nieuwe woonwagenbewoners een aardige verrijking van het stadsleven, dus
een terugdringing van het verschijnsel vind ik niet gewenst. Ik ben soms
een beetje bang, dat daarop wordt aangestuurd. Ook het ontruimen van kleine
plekken voor enkele woonwagenbewoners die zich daar goed kunnen handhaven
vind ik spijtig.
Aan alles wat mijn collega's hebben gezegd heb ik nog iets toe te
voegen, namelijk een vraag over de zigeunerpleisterplaatsen. Dat onderwerp
moet in samenhang hiermee worden gezien. Al in 1987 heeft de Raad in ruime
meerderheid een motie aangenomen inzake het inrichten van een pleister-
plaats voor trekkende zigeunernomaden. Dat is nog steeds niet gerealiseerd.
Er wordt voortdurend geschermd met de noodzaak van overleg met
stadsdeelraden en provincies - allemaal ingewikkelde overlegsituaties - en
dat heeft erin geresulteerd, dat er nog absoluut niets is gebeurd aan de
uitvoering van deze reeds acht jaar oude motie. Hoeveel jubilea zal de
niet-uitvoering van de motie nog moeten vieren?
Wethouder mevr. VAN DER GIESSEN: Mijnheer de Voorzitter. Verschillende
fracties hebben de vraag gesteld, waarom er sprake is van maar ‚‚n sloap.
Bij de laatste begrotingsbehandeling is voor 30 plaatsen geld beschikbaar
gesteld, te weten een bedrag van Ÿ 150.000. Dit betekent, dat wij dit jaar
30 plaatsen kunnen realiseren; men kan dan twee sloaps van 15 plaatsen of
‚‚n sloap van 30 plaatsen inrichten. Dat laat onverlet Ä dat signaal hoor
ik heel nadrukkelijk uit de Raad Ä dat wij natuurlijk kunnen kijken of er
meer kunnen worden gerealiseerd. Daarvoor zijn drie dingen nodig, namelijk
de politieke wil - die is er klaarblijkelijk - terreinen en geld. Het geld
kunnen wij met elkaar regelen, maar zoals bij alles vormen de terreinen
meestal het ingewikkeldste deel. Als wij er echter uit zouden willen komen,
zou dat moeten kunnen.
Een sloap is er in elk geval voor drie jaar. Daaraan worden
inrichtingseisen gesteld en het geheel is heel helder. Mocht het referendum
inzake het weilandje de Vrije Geer zodanig uitpakken, dat daar geen huizen
worden gebouwd, dan kan misschien een deel van dat terrein hiervoor in
aanmerking komen.
Mevr. Krikke is blij met de pogingen die wij hebben ondernomen om met de
bewoners al die zaken te regelen die mogelijk zijn en met het feit wij hun
daarin ook een behoorlijke autonomie geven. Het overleg is nog niet
afgerond, maar ik verwacht dat wij er binnen anderhalve week uit zijn.
Wat betreft de halve formatieplaats waarom mevr. Schutte heeft gevraagd
wijs ik erop, dat bij de ASW een woonwagenfunctionaris is geweest die al
zijn tijd heeft besteed aan de ontruiming van een ander terrein. De
verwachting is, dat die functionaris genoeg tijd overhoudt om aan het
onderhavige onderwerp te besteden. Indien dat niet het geval mocht blijken
te zijn, zal ik kijken wat wij dan verder kunnen doen.
Ik meen, dat de kwestie van de sloaps nu wel duidelijk is. De Voorzitter
kan wellicht nog mededelingen doen over zaken die nog moeten worden
geregeld met mensen die eventueel van de te ontruimen terreinen af moeten.
Er zijn afspraken met zowel het stadsdeel Westerpark als met het
Gemeentelijk Havenbedrijf, namelijk dat de terreinen per 1 januari 1995
zouden zijn ontruimd. Dat de wagens er nog staan komt doordat men daar
soepel omgaat met die afspraken, maar ook duidelijk heeft laten weten dat
het nu niet meer kan.
De VOORZITTER: Het centrale punt in de vraag wie in aanmerking komt voor
een sloap is in de voordracht geregeld, namelijk onder punt B, blz. 1125.
Alle mensen die niet aan de daarin gestelde criteria voldoen, komen niet in
aanmerking voor plaatsing op de in te richten sloap waarover de wethouder
zojuist heeft gesproken. Dit betekent, dat datgene wat onder punt 3 op blz.
1126 staat, van kracht wordt. Degenen die niet voor een sloap of een woning
in aanmerking komen, dienen te verhuizen, met de vier mogelijkheden die
zijn opgesomd. Dit is alle betrokkenen bekend. Vanaf het moment dat
duidelijk is gemaakt wie naar de sloap kunnen, moeten de anderen
vertrekken. Er is nog iets anders. In het begin van de voordracht wordt een
beslissing genoemd die door de Commissie voor Algemeen Bestuurlijke en
Juridische Zaken op basis van de nota Gaan en Staan in Amsterdam is
genomen. Daarin staat Ä wethouder mevr. Van der Giessen noemde het al Ä dat
de terreinen aan de Gevleweg en de Amerikahaven uiterlijk per 1 januari
1995 zullen worden ontruimd. Het zijn communicerende vaten. Een aantal
bewoners van de Gevleweg en de Amerikahaven komt in aanmerking voor een
sloap, maar voor het overige worden de terreinen ontruimd. Bij de
behandeling van de ingekomen stukken werd vanmiddag melding gemaakt van een
brief van de voorzitter van de stadsdeelraad De Pijp. Mevr. Schutte merkte
daarbij op, dat het adres niets te maken had met een sloap.
(Mevr. SCHUTTE: Het gaat mij niet om de bewoners van de Gevleweg en
de Amerikahaven die niet op deze sloaps kunnen. Er staan op
verschillende andere plaatsen in Amsterdam kleine groepjes nieuwe
woonwagenbewoners, maar ik weet niet of zij al dan niet een tijdelijk
contract met de eigenaar van de grond hebben. Op blz. 1126 van de
voordracht staat, dat na de ontruiming van de Amerikahaven en de
Gevleweg ook de andere terreinen zullen worden ontruimd. Ik doel op
kleine bestaande locaties, waarvan in een vorige collegeperiode is
gezegd, dat zal worden gekeken of wij deze mensen, die beslist geen
overlast bezorgen, kunnen helpen door, voor zover het binnen de
mogelijkheden ligt, tijdelijke gebruikerscontracten aan te bieden.)
Het College stelt voor om ‚‚n sloap voor 30 plaatsen in te richten. Al
het andere is dus geen sloap. Wij spreken ons op dit moment niet uit over
ontruiming van andere locaties dan de Amerikahaven en de Gevleweg. Het zou
best kunnen zijn dat die andere locaties, gelet op het verzoek van de
eigenaar of de rechthebbende, ook dienen te worden ontruimd danwel dat de
betrokkenen met de daar tijdelijk staande mensen enigerlei afspraak hebben
dat zij daar voorlopig mogen blijven staan. Vraag echter niet aan de
gemeente, daar voorzieningen te treffen, want het zijn geen sloaps. Er is
slechts ‚‚n sloap en dat is de sloap die wij aanwijzen en waaraan wij ons
geld gaan uitgeven.
(Mevr. KRIKKE: Dat is toch in tegenspraak met wat wethouder mevr. Van
der Giessen zojuist heeft gezegd! De wethouder heeft gezegd, dat zij
zich kan voorstellen dat er meer sloaps kunnen komen; daarvoor zijn
een politieke wil Ä ik beluister hier die wil Ä en terreinen nodig,
hetgeen problematisch zou kunnen zijn, en er moet wat geld bij, wat
waarschijnlijk ook nog wel kan worden geregeld. U zegt dat er ‚‚ ;n
sloap komt en dat is het dan. De wethouder kan zich echter
voorstellen dat er meer sloaps komen, zeker gezien de politieke wil
van de Raad om meer sloaps in te richten.)
Ik ben bang dat er sprake is van een misverstand. Wij spreken vanmiddag
over de instelling van ‚‚n sloap. Als over een halfjaar of over een jaar de
Raad beslist, dat er wederom geld is voor meer sloaps en er plekken worden
gevonden waar wij wat kunnen doen, is er geen enkel bezwaar om daartoe over
te gaan. Er is beslist geen sprake van een absolute limiet van ‚‚n sloap.
Op dit moment zijn echter twee beleidsbeslissingen aan de orde. De eerste
is de inrichting van ‚‚n sloap van 30 plaatsen, waarvan de bewoners zullen
komen van de Gevleweg en de Amerikahaven en die daar sinds juli 1991
aantoonbaar hebben gewoond. De tweede beslissing die op dit moment aan de
orde is, is de ontruiming van de terreinen aan de Gevleweg en de
Amerikahaven. Wat wij later gaan doen, zien wij dan nog wel; het is dan
best mogelijk dat wethouder mevr. Van der Giessen een voornemen voor het
inrichten van meer sloaps aan u voorlegt.
Uit hoofde van mijn functie als handhaver van de openbare orde zal ik
bij de stadsdeelraad, na daarover met de commissie van advies te hebben
gesproken, de ontruiming van de Amerikahaven en de Gevleweg aan de orde
stellen; niet meer dan dat. Het kan ook niet langer worden uitgesteld; de
stadsdeelraad Westerpark en het Gemeentelijk Havenbedrijf dringen erop aan.
Het is dan jammer voor degenen die er nu staan, maar die niet aan de door
de Raad vastgestelde criteria voldoen. Wij kunnen aan hen geen plek bieden.
Het is volstrekt helder dat de situatie die zich in De Pijp voordoet,
namelijk dat op kleine locaties woonwagens zijn geplaatst, een kwestie is
die niet in verband met dit onderwerp staat, maar een openbare-ordekwestie
is, waarbij de rechthebbende op het terrein aan het hoofd van de Politie
kan vragen een terrein te ontruimen waar ten onrechte bewoners zijn
neergestreken. Het heeft niets te maken met het sloapbeleid zoals wij dat
hedenmiddag vaststellen.
Mevr. SCHUTTE: Mijnheer de Voorzitter. Ik neem aan dat de laatste
opmerking nu alleen voor de situatie in De Pijp geldt. Daarover komen wij
echter nog wel in de Commissie voor Algemeen Bestuurlijke en Juridische
Zaken te spreken.
Ik heb begrepen, dat niets anders wordt ontruimd dan de Gevleweg en de
Amerikahaven. Ik houd het College hieraan en ik hoop, dat voor de andere
bestaande locaties Ä ik bespeur bij de andere fracties dat de politieke wil
aanwezig is Ä wordt toegewerkt naar tijdelijke gebruikerscontracten. Bij
sommigen behoeft beslist geen HVO-regime te worden toegepast. Het hoeft ook
niet zoveel geld te kosten en ik ga ervan uit, dat wij in de toekomst
hierover weer zullen spreken.
Mevr. HOOGLAND: Mijnheer de Voorzitter. Gezien de toezeggingen gaat de
PvdA-fractie akkoord met de voordracht. Wij hebben goed in onze oren
geknoopt, dat de politieke wil bij het College aanwezig is om ten aanzien
van toekomstige terreinen waar mensen gaan staan, te bekijken wat daar
mogelijk is en dat die zo mogelijk geschikt kunnen worden gemaakt voor
sloaps.
Mevr. KRIKKE: Mijnheer de Voorzitter. De VVD-fractie gaat akkoord met de
voordracht. Wij zijn zeer verheugd over de aanwezige politieke wil bij
zowel College als Raad.
De heer VAN DUIJN: Mijnheer de Voorzitter. U bent nu ‚‚n jaar
burgemeester en ik neem het u niet kwalijk dat u geen antwoord hebt gegeven
op mijn vraag over de zigeunerpleisterplaatsen. Ik stel die vraag al acht
jaar.
Uw voorganger nam ik het af en toe wel kwalijk, maar u nog niet. Dat kan
echter wel komen. De Raad van Amsterdam heeft in 1987 met algemene stemmen
een motie aangenomen met als strekking, dat er in Amsterdam zigeuner-
pleisterplaatsen moeten komen. Tot op heden zijn die er niet en mijn vraag
is nu, wanneer wij met de aanleg daarvan beginnen. Het betreft ook nomaden
die sinds lang een aparte cultuur op wielen vertegenwoordigen.
Wethouder mevr. VAN DER GIESSEN: Mijnheer de Voorzitter. De situatie is
helder. Wij stellen bepaalde eisen en een vorm van beheer aan de sloaps.
Wat mevr. Schutte wenst behoeft niet zo duur te zijn. Het genoemde bedrag
van Ÿ 150.000 is bestemd voor de inrichting, zoals elektriciteit, douches
en sanitaire voorzieningen. De Stichting HVO doet dit tegen een zeer
geringe vergoeding van onkosten. Het is niet een vergoeding aan de
Stichting HVO, maar dat laat onverlet dat men op andere plekken in de stad
toch tot een andere contractvorm zou kunnen overgaan. Als men het op een
andere manier wil, zal het College weer bij de Raad komen.
Aan het adres van mevr. Hoogland merk ik op, dat wij niet naar de
eventuele terreinen behoeven te zoeken, want die staan gewoon in het
bestemmingsplan. Het betreft terreinen die na de planning over zijn; dat is
de periode nadat zij zijn opgenomen in een planbesluit en voordat zij in
ontwikkeling zijn genomen. Het enige wat men dan moet doen is weer
overleggen met de stadsdeelraad en de buurt.
De VOORZITTER: Richting de heer Van Duijn wijs ik erop, dat er in het
verleden in de Raad natuurlijk verschillende keren over de zigeuner-
pleisterplaatsen is gesproken. De heer Van Duijn refereert aan de motie uit
1987, maar die motie is niet aan de orde gekomen bij de behandeling van de
nota Gaan en Staan in Amsterdam, die tot de besluitvorming hier leidt. Het
gaat hier heel concreet om de inrichting van een tijdelijke verblijfplaats
voor mensen die van een bepaalde plek afkomstig zijn. Wat de heer Van Duijn
wil is veel breder. Hij wil een pleisterplaats, maar wij hebben op dit
moment niet besloten, de Raad daarover een voorstel te doen. In de
commissie van advies hebben wij ook niet besproken dat dit een onderdeel
van deze besluitvorming moet zijn. Ik zal mij samen met wethouder mevr. Van
der Giessen moeten beraden op wat wij daarmee moeten.
Ik ben erkentelijk voor het feit dat de Raad nu wil beslissen. Als wij
nu niet beslissen en niet snel de sloap inrichten, zal dit er weer toe
leiden dat de bestaande twee plaatsen aan de Gevleweg en de Amerikahaven
aan het eind van de zomer aanzienlijk voller zullen zijn dan zij nu zijn.
(De heer VAN DUIJN: Wat ik zei over zigeunerpleisterplaatsen is niet
als een verweer, maar als een aanvulling bedoeld.)
Ik kan met deze aanvulling op dit moment niet uit de voeten, omdat op
dit moment de Raad niet heeft aangedrongen op het inrichten van
zigeunerpleisterplaatsen. Ik zou op dit moment beslist niet weten, waar ik
plaatsen op ons grondgebied voor open zigeunerpleisterplaatsen, waar mensen
tijdelijk kunnen staan, zou kunnen vinden. Wij hebben al moeite genoeg om
een sloap te vinden.
(De heer VAN DUIJN: Het betreft wel een door de Raad aangenomen
motie.)
Ik zal die motie opdiepen en in het College aan de orde stellen, want
het lijkt mij niet zo zinvol om over een motie die niemand in de laatste
twee jaar heeft besproken, nu inhoudelijk een toezegging te doen. Ik wil in
de Commissie voor Algemeen Bestuurlijke en Juridische Zaken wel eens over
die motie spreken en zal daarbij ook de vraag voorleggen, of de huidige
Raad van oordeel is, dat die motie een aanvulling is op het sloapbeleid.
 
De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de Raad
neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 1127 van afd. 1 van het
Gemeenteblad.
 
De mede bij de behandeling van deze voordracht aan de orde gestelde
adressen worden in handen van Burgemeester en Wethouders gesteld ter
afdoening.
 
6
Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 20 april 1995 inzake de
afwikkeling van overname van oude tekorten (Gemeenteblad afd. 1. nr. 280,
blz. 1133).
 
De heer HULSMAN: Mijnheer de Voorzitter. Het bereiken van
overeenstemming met het rijk over dit soort omvangrijke bedragen vergt
meestal nogal wat tijd, maar in dit geval lijkt het wel alsof met de tijd
ook de overeenstemming steeds kleiner wordt, met als gevolg dat Amsterdam
in laatste instantie het gelag zou moeten betalen. Waar in 1992
overeenstemming was met het rijk over een bedrag van ruim 770 miljoen
gulden, waarvan toen al het College met gemengde gevoelens 133,6 miljoen
gulden voor zijn rekening nam, resteerde een schuld van het rijk aan
Amsterdam van 639,3 miljoen gulden. Daarover bestond overeenstemming;
iedereen was ervan overtuigd, dat het rijk dat bedrag aan Amsterdam was
verschuldigd. Wat gebeurt er echter? Andere gemeenten gaan dwars liggen, de
Tweede Kamer zegt dat men het de andere gemeenten niet kan aandoen en
vervolgens blijkt het recht dat Amsterdam op dit bedrag zou hebben toch
niet zo'n heel zeker recht te zijn. Vervolgens gaat het College opnieuw in
onderhandeling met het rijk Ä het rijk zit aan de geldkraan en als het het
geld niet geeft dan geeft het het niet Ä en wil, dat er voor dit bedrag een
toezegging komt over de Noord-Zuidlijn. Tot zover kunnen wij het nog
volgen.
Wij gaan nu echter kijken wat er ten aanzien van die Noord-Zuidlijn
precies is toegezegd. Wat die lijn betreft is er een toezegging in het
Vinex-akkoord van 950 miljoen gulden, een bedrag waarvan wij weten dat
daarvoor de Noord-Zuidlijn niet kan worden aangelegd van het Station-Zuid
tot aan het Centraal Station, laat staan dat ook het stuk tot aan het
Buikslotermeerplein daarvoor kan worden aangelegd. Als niettemin het
aanlegbesluit hier zou moeten worden genomen, zou dat betekenen, dat er op
de een of andere manier een financiering moet zijn voor een bedrag tussen
950 miljoen gulden en 1,5 miljard gulden. Als er nu zwart op wit de
toezegging van het rijk lag, dat men ervoor zal zorgen dat die 1,5 miljard
gulden er zou komen, zou ik kunnen zeggen dat het een redelijk bod is, op
grond waarvan wij 200 miljoen gulden zouden kunnen inleveren. Men moet
echter ook met de mogelijkheid rekening houden, dat er geen overeenstemming
met het rijk ontstaat over een Noord-Zuidlijn, gegeven het grote gat dat er
is tussen het aangeboden bedrag in het Vinex-akkoord en het benodigde
bedrag voor de aanleg. Zou die situatie zich voordoen, nadat wij met dit
besluit akkoord zijn gegaan met het afboeken van 200 miljoen gulden op de
vordering op het rijk, dan zouden wij vervolgens met lege handen staan. Het
lijkt mij, dat dit nooit de bedoeling kan zijn van een overeenstemming over
een bedrag, waarvan op zichzelf de rechtmatigheid van de claim niet ter
discussie staat. Ik zou van de wethouder voor Financi‰n graag een
toelichting willen krijgen op wat nu precies de hardheid is van
toezeggingen. Ik heb de brieven erop nagelezen en ik kan nergens die harde
toezegging vinden. Over bedragen gaan die brieven al helemaal niet, maar
ook de formulering zoals die in diverse brieven van het rijk aan de orde is
geeft mij onvoldoende zekerheid dat wij voor die 200 miljoen gulden ook
iets terugkrijgen. Men kan zich toch wel voorstellen dat de fractie van
GroenLinks op deze basis niet akkoord gaat met het voorgenomen besluit, met
name niet met punt III.
 
Tijdens het betoog van de heer Hulsman heeft de burgemeester de
vergadering verlaten, na het presidium te hebben overgedragen aan wethouder
mevr. Ter Horst.
 
De heer LEVIE: Mevrouw de Voorzitter. De PvdA-fractie gaat akkoord met
de voordracht, onder de kanttekening het een uitermate onbevredigende
materie blijft, zoals ook al in de commissievergadering is vastgesteld. Het
betreft het afhandelen van een oude schuld, die in de zeventiger jaren is
ontstaan. Toen ik het in memoriam van oud-burgemeester Polak bij het
overlijden van oud-burgemeester Samkalden las, viel mij de volgende passage
op: "Zo verwierf Samkalden in en buiten de Gemeenteraad groot gezag. Ik heb
dat ook ervaren toen wij, hij als woordvoerder voor Amsterdam en ik als
staatssecretaris, na 1973 aan verschillende kanten van de tafel zaten te
onderhandelen over de gezondmaking van de Amsterdamse gemeentefinanci‰ n."
Over de nasleep daarvan spreken wij nu. Hij gaat verder: "Door zijn
indringende betogen begon zelfs in Den Haag begrip te ontstaan voor de
gecompliceerde grootstedelijke problemen en voor het rare Amsterdam."
Terecht stelt de heer Hulsman vragen bij de reikwijdte van dat begrip. Er
is eerst 133,6 miljoen gulden afgeboekt en vervolgens wordt er nu daar
bovenop nog eens 200 miljoen gulden afgeboekt op die oude schuld.
Daartegenover staat, zoals de wethouder al in de commissie mededeelde, geen
spijkerharde toezegging van het rijk. Uiteindelijk gaat het hierbij niet om
de grootte van het mogelijke Vinex-gat, het gaat om de redenen die er voor
de Raad zijn om in te stemmen met het voorstel van het College om 200
miljoen gulden af te boeken van de schuld van het rijk. In de voordracht
staat dat er in juli 1994 door de toenmalige minister van Financi‰n
toezeggingen zijn gedaan, in december 1994 herhaald door de minister van
Verkeer en Waterstaat in een brief aan het dagelijks bestuur van het
Regionaal orgaan Amsterdam. Uit die toezeggingen zou kunnen blijken, dat er
voor Amsterdam voldoende zekerheid is dat dit geld bijvoorbeeld niet nodig
zou zijn voor de Noord-Zuidlijn, dus voldoende redenen om die 200 miljoen
gulden af te boeken. Wij gaan akkoord met de voordracht, maar wij vragen
wel van het College, richting Kabinet nogmaals vast te leggen dat die
afboeking wordt gedaan op basis van de uitspraken van genoemde ministers.
In de commissievergadering is uitgebreid gesproken over de reden van die
afboeking en het lijkt mij verstandig, deze zaak, die al sedert begin 1970
speelt, gewoon af te ronden. Het blijft onbevredigend en richting het
Kabinet moet maximaal duidelijk worden gemaakt, dat de enige reden om op
deze schuld af te boeken die toezeggingen zijn. Het feit dat al eerder in
het Vereveningsfonds ruimte werd gemaakt om die afboeking te kunnen doen
had voor Den Haag geen enkele aanleiding mogen zijn om een verdere deling
in deze rijksschuld aan Amsterdam te vragen.
De heer CORNELISSEN: Mevrouw de Voorzitter. Er wordt hier een hoofdstuk
afgesloten met zowel een bevredigend als een onbevredigend resultaat. Het
bevredigende is natuurlijk, dat deze zaak eindelijk wordt afgewikkeld;
onbevredigend blijft, dat het rijk bij een dergelijke afwikkeling er dan
toch weer de nodige miljoenen guldens uitsleept en die niet toekent. Dat is
buitengewoon vervelend en daarvan kan men inderdaad een punt maken, zoals
de heer Hulsman doet. Als men dat doet, heb ik daarvoor alle begrip, maar
ik denk niet dat het ons verder helpt. Het is naar mijn mening nuttig, deze
zaak nu af te sluiten met een open einde erin, waarover al tot in de
finesses is gesproken. Ten aanzien van al de claims die wij richting het
rijk in de komende jaren op het gebied van de infrastructuur gaan leggen,
zal het rijk toch ook over de brug moeten komen. Wanneer wij starten met
die projecten, mogen wij ook verwachten dat het rijk al doende in
financi‰le zin verder bij die projecten betrokken zal raken. Vanuit dat
perspectief van geven en nemen en in gezamenlijkheid optrekken, stemmen wij
in met de afsluiting op de wijze zoals die nu aan de Raad is voorgelegd.
Wethouder DE GRAVE: Mevrouw de Voorzitter. Het is waar, dat het allemaal
lang heeft geduurd, maar dit is typisch zo'n discussie waarvan het afhangt
aan welke kant van de streep men begint of hoe men ertegen aankijkt. Toen
ik in 1990 aantrad als wethouder voor Financi‰n, stond in Amsterdam deze
claim voor 100% opgevoerd, maar in de boeken van het rijk stond "florijn
nul" opgevoerd. De startpositie was een claim van Amsterdam van bijna 800
miljoen gulden en bij het rijk stond nul gulden. Het eerste contact bestond
uit de mededeling van het rijk dat het niet erg onder de indruk was van de
claim en: daar was het gat van de deur. Vanuit dat perspectief gezien
betekent datgene wat er nu is bereikt een aanmerkelijke verbetering en een
verandering in de oorspronkelijke positie van het rijk. Het probleem was
dat niet evident was, hoe hard die claim was. Amsterdam had sterke
argumenten, maar het was lang geleden, afspraken waren voor verschillende
uitleg vatbaar en dan komt men in een schemergebied waarbij men kan vragen,
wat men er eigenlijk mee opschiet om het langs juridische lijnen uit te
vechten. Het gaat op een bepaald moment ook om het punt, dat in het geheel
van de sanering van de financi‰le positie van Amsterdam, een belangrijke
rol heeft gespeeld dat het rijk het Amsterdam mogelijk heeft willen maken
om uit de problemen te komen. Ook de huidige omstandigheden zijn betrokken
bij het oordeel van het rijk. De eerste fase, die 133,6 miljoen gulden
betrof, had in belangrijke mate te maken met het oordeel van de accountants
over de formele juistheid van de claims. Het tweede deel had meer te maken
met het bestuurlijke element, namelijk met de vraag wat redelijk is. De
heer Hulsman heeft naar mijn mening terecht aangegeven, dat met name het
feit dat vele andere gemeenten stelden dat dit er voor Amsterdam nog een
keertje bovenop kwam; dat heeft een rol gespeeld bij de vraag of wij dit
met elkaar moeten verbinden, ook in de relatie met de discussie over Vinex.
Een en ander hangt sterk af van de vraag, hoe men de startpositie ziet om
te kunnen beoordelen of het nu een redelijk of een onredelijk compromis is.
Het is geen compromis van 100%; het is ook geen compromis waarbij wij staan
te juichen. Echter, vanuit de startpositie redenerend is er wel veel in het
overleg met het rijk bereikt.
(De heer HULSMAN: Ik kan mij deze redenering van uw kant gezien heel
goed voorstellen als het gaat om het eerste gedeelte van het traject,
waarbij Amsterdam ook de goede wil heeft laten zien door 133,6
miljoen gulden voor zijn rekening te nemen. Vervolgens heeft dat
geleid tot een vorm van overeenstemming, maar ook tot instemming van
de kant van het rijk dat die claim gerechtvaardigd was. Er begint dan
toch een nieuw traject, waarbij de rijk plotseling als vragende
partij gaat optreden?)
Ik ben het met u eens dat wij dat botweg hadden kunnen weigeren. Wij
hadden wat betreft die tweede tranche kunnen zeggen, dat er afspraken waren
gemaakt en dat wij er niet aan beginnen. Wij hebben dan echter wel te maken
met een probleem. Wij zitten rond de tafel en het rijk zegt, dat het dit
toch wel vervelend vindt; het roept nogal wat vragen op in het Parlement en
er zijn ook nogal wat vraagtekens bij andere gemeenten: moet het allemaal
wel? Tegelijkertijd zit de burgemeester aan tafel zit om over een paar
miljard gulden in het kader van de Vinex te spreken. Collega's zitten rond
de tafel om over grote bedragen te spreken, bijvoorbeeld met betrekking tot
het Stadsvernieuwingsfonds enz. Ik denk dan, dat ons standpunt over die
gemaakte afspraken, in die zin dat wij geen enkel begrip hebben voor de
reactie van het rijk, niet in het belang van de gemeente zou zijn geweest.
Wij hebben het dus in zekere zin verplaatst en wij hebben tegen het rijk
gezegd, dat het rijk de kwestie nu ter tafel heeft gebracht, maar dat wij
ook nog verschillende wensen hebben; die twee belangen zouden wellicht op
een goede manier met elkaar kunnen worden verbonden. Dat is in zekere zin
gebeurd met de koppeling aan de Noord-Zuidlijn. De kernvraag is, of datgene
wat daarover is afgesproken toereikend is. Bekend is, dat ik zeer lang heb
gewacht voordat ik het voorstel aan de commissie van advies heb voorgelegd
en ook weer heel lang heb gewacht voordat ik het voorstel vervolgens in de
Raad aan de orde heb gesteld. Waar zat nu het springende punt? Ik wilde pas
naar het College voor instemming op het moment dat duidelijk was dat het
rijk zou accepteren dat de Noord-Zuidlijn een rijkszaak zou zijn, zodat het
rijk niet meer de gelegenheid zou hebben om te zeggen dat Amsterdam ook
maar een stuk van die lijn zou moeten betalen. In de beide brieven van de
genoemde ministers is dat helder weergegeven. De heer Hulsman kan dan wel
zeggen dat het niet zwart op wit staat dat het rijk de hele Noord-Zuidlijn
zal betalen, maar dat heeft te maken met het probleem hoe het rijk
begrotingstechnisch kan omgaan met toezeggingen. Het probleem is nu
eenmaal, dat hier afspraken worden gemaakt over een lange periode en dat
het rijk pas toezeggingen kan doen die in een budgetcyclus van vier jaar
zijn geperst. Wij spreken hier over een periode tot 2005 en een budgettaire
periode van het rijk tot 1998.
Ik zal proberen het op een rijtje te zetten. Een- en andermaal is van de
zijde van het rijk gebleken, onlangs nog herbevestigd, welk enorm belang
het aan de Noord-Zuidlijn hecht. Er is bevestigd, dat de financiering van
die lijn een rijksaangelegenheid is; het rijk kan dus niet meer een
bijdrage van Amsterdam vragen, dit los van de discussie over de 5%-
bijdrage. Binnen het hetgeen wij op dit moment van het rijk kunnen vragen,
gelet ook op die budgettaire cycli, kan het rijk gewoon niet verder gaan.
Ik vind dan, dat de overheden op een gegeven ogenblik niet moeten kijken
naar handtekeningen, garanties enz. Het is geen cli‰nt of een
bankinstelling, het is een mede-overheidsinstelling waarmee bestuurlijke
afspraken worden gemaakt. Als de minister van Financi‰n en de minister van
Verkeer en Waterstaat beiden nadrukkelijk aangeven, dat zij het project van
de hoogste prioriteit vinden, dat het rijk verantwoordelijk is voor de
financiering en vervolgens overtuigend aangeven dat de toezegging met
betrekking tot het deel naar Noord en het deel naar Schiphol pas in een
latere fase in budgettaire zin echt van een handtekening kan worden
voorzien, geloof ik, dat men vanuit een bestuurlijk oogpunt moet zeggen,
dat er is afgesproken wat er redelijkerwijs is af te spreken. Dat is dan
niet voor 100% zeker, zoals - ik heb dat een- en andermaal verklaard - er
overigens nog zo veel niet precies is afgeregeld rond het Vinex-akkoord,
maar men doet dat op basis van het vertrouwen dat men het eens is over de
gezamenlijke doelstellingen en dat men er met elkaar in redelijkheid
uitkomt op het moment dat trajecten verder gaan. Laten wij niet vergeten,
dat er ook allerlei onderwerpen zijn waarbij Amsterdam de vragende partij
in de richting van het rijk zal blijven.
Samenvattend wil ik stellen, dat het geen voorstel is om de vlag erbij
uit te steken, maar het is wel een alleszins verdedigbaar voorstel, gelet
op het geheel van omstandigheden die een rol hebben gespeeld. Vandaar ook,
dat het College het voorstel op deze wijze aan de Raad heeft voorgelegd.
De heer HULSMAN: Mevrouw de Voorzitter. Ik bestrijd niet dat het op het
moment dat het rijk als vragende partij bij ons komt met de vraag om een
gedeelte van het eerder toegezegde bedrag voor onze rekening te nemen, het
wijs beleid van het College is om te kijken of dat kan worden ingeruild
tegen een toezegging. Die ruimte wil ik het College graag geven, maar het
is natuurlijk wel zo, dat in het totaal van het Vinex-akkoord er ook
omvangrijke bijdragen van de gemeente Amsterdam naast de Vinex-bijdragen
van het rijk worden gevraagd om uiteindelijk die Vinex-doelstellingen te
realiseren. Dat gaat dus niet alleen maar over een eigen bijdrage van
misschien 5% aan de Noord-Zuidlijn, maar ook om omvangrijke bijdragen voor
IJburg en andere projecten. Ik vind dan ook, dat er een keiharde toezegging
nodig zou zijn om hier het besluit te rechtvaardigen dat wij afzien van een
claim van 200 miljoen gulden. Voor mijn fractie is de toezegging, zoals die
in genoemde brieven aan de orde is, boterzacht. Die is in elk geval
onvoldoende om daarop op dit moment een verder niet-geclausuleerd besluit
te nemen ten aanzien van die 200 miljoen gulden. Zou het College ons een
voorstel voorleggen waarbij het zegt, dat het die 200 miljoen gulden wil
afboeken onder de voorwaarde dat de Noord-Zuidlijn tot aan het
Buikslotermeerplein wordt aangelegd, dan zou het College onze fractie
ogenblikkelijk aan zijn zijde vinden. Gegeven het feit dat het College een
dergelijk besluit niet aan ons voorlegt, kan de fractie van GroenLinks wel
steun geven aan de onderdelen I en II van het besluit, maar niet aan III.
De heer LEVIE: Mevrouw de Voorzitter. Heeft de wethouder nog overwogen,
het Kabinet de vraag te stellen of het akkoord kan gaan met de gedachte,
het bedrag van 200 miljoen gulden niet af te trekken van het oude tekort,
maar te reserveren voor eventuele grotere tekorten op de Noord-Zuidlijn na
deze kabinetsperiode?
De heer CORNELISSEN: Mevrouw de Voorzitter. Het antwoord van de
wethouder ligt volkomen in de lijn van onze bijdrage.
Wethouder DE GRAVE: Mevrouw de Voorzitter. Ik zou toch nog een poging
willen wagen, om de fractie van de heer Hulsman te overtuigen. Als ik het
gevoel had, dat het rijk de vraag van de heer Hulsman op dit moment met
"ja" kon beantwoorden, had ik dat een zeer redelijke voorwaarde gevonden.
Als het alleen maar onwil van de kant van het rijk zou zijn om klip en
klaar nu antwoord te geven over de ontbrekende delen van de Noord-Zuidlijn,
zou ik ook hebben gezegd, dat dit wel de kern van de afspraak was en dat ik
niets aan vage brieven heb. Het probleem is echter, dat het rijk op dit
moment gewoon niet in staat is, dit vanuit de budgettaire afspraken voor de
lopende vier jaar te doen. De financiering van infrastructuur heeft te
maken met de vulling van het aardgaspotje. Daar zit een bepaalde mate van
onzekerheid in en bepaalde elementen van overloop na 1998. Het rijk is niet
in staat, gewoon via de budgetcycli met Amsterdam budgettaire afspraken te
maken voor de periode na 1998. De potten zijn leeg. Wat het rijk kan doen
is, op alle mogelijke manieren in bestuurlijke zin duidelijk te maken wat
de intenties zijn, maar men kan dat niet met een handtekening of met een
harde afspraak benadrukken.
(De heer HULSMAN: Dat wil ik u nog nazeggen, maar dan nog hebt u
geprobeerd een prioritaire toezegging te krijgen voor de periode
daarna en wat u ervoor terug hebt gekregen is een mededeling, dat het
rijk toch nog eerst goed moet kijken naar de vervoerswaarde (wat het
allemaal kost) en dat het nog moet worden afgewogen tegen andere
projecten. Amsterdam krijgt die prioritaire toezegging niet. Dat
staat in die brief.)
Dit is misschien een wat hogere uitlegkunde van de brief van de minister
van Financi‰n. Zou de heer Hulsman het vreemd vinden als ik zeg, dat
voordat de ministers van Financi‰n handtekeningen zetten onder brieven, zij
in het algemeen de natuurlijke neiging hebben om die brieven zo voorzichtig
mogelijk te formuleren?
De opmerking over de vervoerswaarde van onderdelen van de Noord-Zuidlijn
zijn naar mijn mening terecht. Over het trac‚deel naar Schiphol hebben wij
naar mijn beste weten ook altijd zelf gesteld dat daarover de discussie
over de vervoerswaarde moet plaatsvinden. Dat het rijk dit voorbehoud
herhaalt vind ik terecht, maar de kern van het verhaal is dit. De
onderhandelingen hebben lang geduurd, omdat het rijk lang heeft geweigerd
om de voor mij cruciale zin op te schrijven - die staat er wel degelijk
in - dat het ontbrekende deel van de Noord-Zuidlijn, mits in het kader van
de gebruikelijke verkeers- en vervoersdiscussie besloten, een zaak zou zijn
van het rijk. Daarmee kan het rijk niet opnieuw verwijzen naar een bijdrage
van de gemeente Amsterdam. Vervolgens heeft het rijk mij overtuigd van het
feit dat het in dit stadium niet verder kan gaan dan in de brieven
duidelijk is gemaakt. Er staat, dat het in prioritaire zin zal worden
meegenomen bij de afweging na 1998. Vanuit een stukje ervaring uit het
verleden kan ik zeggen dat dit een verregaande toezegging is.
(De heer HULSMAN: Stond dat "prioritair" er nu maar! U hebt erom
gevraagd, maar u hebt het niet gekregen. In de brief van de
toenmalige minister van Financi‰n staat, dat het niet prioritair kan
worden toegezegd.)
U haalt nu twee prioritaire zaken door elkaar. Die prioritaire
toezegging kan niet in financi‰le zin worden gedaan omdat men niet kan
afwijken van het budgettaire kader tot 1998, wel in beleidsmatige prioritaire
zin. Het rijk is van mening dat de Noord-Zuidlijn, zoals is afgesproken,
hoog op het lijstje staat.
Nu gaat het om het voorbehoud rond de vervoerswaarde voor het deel naar
Schiphol; dat hebben wij zelf ook...
(De heer HULSMAN: Wij hebben het over het deel naar het
Buikslotermeerplein; anders moet ik een hoger bedrag dan 1,5 miljard
gulden in de strijd gooien. Wij hebben het voorlopig over de lijn van
het Buikslotermeerplein tot aan het Station-Zuid/WTC. Het woord
prioritair staat er echt niet. U kunt het er in uw interpretatie wel
proberen in te voegen, maar het staat er niet.)
Het blijft in die zin toch een discussie over de kern. De heer Hulsman
zegt, dat hij alleen bereid is akkoord te gaan indien de garantie er is.
Die kan echter niet worden gegeven. Vervolgens is het hogere uitlegkunde
van de betekenis van de beide brieven. Laat ik het andersom proberen te
formuleren. Stel, dat het rijk zegt: dat gezeur van Amsterdam, stel maar
een briefje op met de een of andere vage formulering; dan zijn zij daar wel
tevreden mee. Zo werkt dat niet. Men kan van mij aannemen, dat ik met
minister Kok hierover zeer uitvoerig heb gesproken en de brief is er
gekomen pas nadat er intern lang over is gediscussieerd, omdat de minister
zich als geen ander de bestuurlijke betekenis van de brief die hij had
geschreven, realiseerde. Het is geen 100%-garantie, dat kan ook niet want
diverse verplichtingen van na 1998 kunnen niet worden nagegaan. Ik vind ook
niet, dat wij als bestuur zo met elkaar moeten omgaan. Als een Kabinet
zegt, dat, gelet op reacties uit de Tweede Kamer en andere gemeenten, het
bedrag van 700 miljoen gulden nogal wat commotie heeft veroorzaakt en
vraagt of het redelijk is als daarvan een bepaald bedrag wordt afgeboekt,
mede in verband met een aantal andere zaken die aan de orde zijn en de
miljarden guldens die Amsterdam wel heeft gekregen in het kader van het
Vinex-akkoord, vind ik datgene wat het rijk nu op tafel heeft gelegd
toereikend, hoewel ik liever meer had gehad.
Wat kan er gebeuren als de Raad zegt dat dit niet gebeurt? Ik moet dan
terug naar het Kabinet om mede te delen, dat wij er niet toe bereid zijn en
dat wij een glasharde garantie willen, terwijl ik weet, dat die niet kan
worden gegeven. Dit betekent dan, dat de situatie tot 1998 onopgelost
blijft en dat die bij het opbouwen van een zo goed mogelijke constructieve
verhouding tussen Amsterdam en het rijk als een bestuurlijk obstakel blijft
staan. Dat lijkt mij toch niet verstandig.
(De heer K™HLER: Dat kan toch niet waar zijn? Wij hebben met het
College afgesproken bij het aanlegbesluit - het eerste deel in 1996 -
dat wij dat alleen doen als wij dan de garantie van het Kabinet
hebben dat het eerste deel, Centraal Station - Station Zuid/WTC,
geheel zal worden gedekt; dat is ook al meer dan die 950 miljoen
gulden. Binnen een jaar zal het rijk duidelijk moeten maken dat er
ongeveer 200 miljoen gulden meer op tafel komt. Dat is toch in strijd
met uw bewering dat wij voor 1998 toch niet meer geld los krijgen?)
(De VOORZITTER, wethouder mevr. TER HORST: Ik wijs erop, dat het
College nog maar 3 minuten spreektijd heeft voor de resterende
agendapunten. Het lijkt mij verstandig, verder heel kort te
antwoorden.)
Aan het adres van de heer Levie merk ik nog op, dat ik er geen bezwaar
tegen heb om de voorwaarden zoals hij die heeft geformuleerd, per brief aan
het Kabinet mede te delen.
De heer K”hler weet het antwoord op zijn vraag ook zelf wel. Het gaat
hier om die onderdelen van het hele infrastructuurpakket die buiten de
toekenning in eerste instantie zijn gegaan. Daaronder valt het deel
Centraal Station - Buikslotermeerplein; dat krijgt een tweede ronde. Daarna
zijn er allerlei plussen en minnen in de besteding van het eerste pakket,
onderuitputting, vertragingen en zaken die duurder zijn. Hoe het rijk de
zaak oplost is een zaak van het rijk - daar blijf ik buiten - maar het is
niet mogelijk, nu een onderdeel dat in de tweede ronde zijn plek krijgt, al
in de eerste ronde te plaatsen. Het eerste deel, Centraal Station - Station
Zuid/WTC, maakt onderdeel uit van de eerste ronde.
Als wij wat minder lang over tropische dagen hadden gesproken, hadden
wij over een onderwerp van bijna 1,5 miljard gulden nu wat langer kunnen
spreken.
(De VOORZITTER, wethouder mevr. TER HORST: Dit is inderdaad een zeer
belangrijk onderwerp.)
(De heer LEVIE: Ik heb nog steeds geen antwoord gehad op mijn vraag,
waarom die 200 miljoen gulden niet worden gereserveerd voor de Noord-
Zuidlijn in plaats van afgeboekt.)
Het punt is, dat het rijk nu de financieringstekorten in ‚‚n klap met
meer dan 800 miljoen gulden moet verhogen. Dit heeft allerlei gevolgen voor
de begroting en het Gemeentefonds.
 
De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 1135 van
afd. 1 van het Gemeenteblad, met dien verstande dat de fractie van
GroenLinks geacht wil worden, tegen onderdeel III van het besluit te hebben
gestemd.
 
22
Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 3 mei 1995 met betrekking
tot het investeringsplan eerste fase inzake achterstallig onderhoud
kunstaccommodaties (Gemeenteblad afd. 1, nr. 266, blz. 1069).
 
Mevr. SPIER-VAN DER WOUDE: Mevrouw de Voorzitter. Ik heb het woord
gevraagd, niet omdat er nog zoveel over dit onderwerp moet worden gezegd,
maar omdat mijn fractie er behoefte aan heeft, het College een compliment
te maken voor de wijze waarop de door mij ingediende motie ter zake (nr.
580 van 1992) is uitgevoerd. Het in goede staat verkeren van de
accommodaties van kunstinstellingen is een visitekaartje voor de stad,
vandaar dat wij samen met de fractie van D66 indertijd ook die motie hebben
ingediend.
In het rapport van het Adviesbureau voor bouw en installaties (GEAM)
wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen het onderhoud dat ten laste
van de eigenaar en dat ten laste van de gebruiker komt. Het is heel goed,
dat dit onderscheid nu eens duidelijk wordt gemaakt; dat was tot nu toe nog
niet het geval.
De VVD-fractie heeft kennisgenomen van het belangrijke advies van het
GEAM tot het maken van een meerjarige onderhoudsplanning voor
kunstaccommodaties. Wij vinden dit zeer verstandig en ik hoop, dat het
College daarmee voortvarend aan de slag gaat.
Wij zijn gelukkig met de geschapen financi‰le mogelijkheden van 5,2
miljoen gulden, omdat nu de urgentiegraad I ter hand kan worden genomen. De
renovatie van de Stadsschouwburg is een hoofdstuk apart. Ik hoop, dat
daaraan te zijner tijd voldoende aandacht wordt geschonken, maar ik ben er
ook wel van overtuigd dat dit gezien de hele opstelling ten aanzien van de
Stadsschouwburg zal gebeuren.
Ik heb nog twee opmerkingen bij de financi‰le opstelling. De eerste
betreft het bedrag van Ÿ 505.000 dat zal worden besteed aan de geluidseisen
ten aanzien van de Stichting Melkweg. Naar mijn mening is dat geen kwestie
van achterstallig onderhoud en derhalve zou het in deze opstelling niet
thuis horen. Het betreft een extra milieu-eis na de renovatie van de
Melkweg, maar collega's zien hier de oplossing van een deel van de
problemen; dat zie ikzelf ook, vandaar dat mijn fractie daarmee akkoord wil
gaan.
De tweede opmerking betreft de post brandweereisen en verbouwing van de
theaters Bellevue en Nieuwe De la Mar, twee voor ons zeer belangrijke
theaters. De urgentie om daar tot ingrijpend opknappen te komen is heel
hoog; die post staat nu p.m., maar de wethouder heeft gesteld, dat in de
uitwerking van de kunstplannen dit op redelijk korte termijn naar voren
komt. Hij houdt daarbij dan rekening met voorzieningen voor 1996 en 1997.
Wij vinden, dat er in 1996 toch echt een beslissing moet vallen of daar
moet worden opgeknapt of niet. Er is gesteld dat er "rekening wordt
gehouden met voorzieningen", maar daarvan heb ik nog geen financi‰le
vertaling gezien. Ik neem echter aan, dat die ook wel ter tafel zal komen.
 
Tijdens het betoog van mevr. Spier-van der Woude is de burgemeester weer
ter vergadering gekomen en heeft deze het presidium overgenomen van
wethouder mevr. Ter Horst.
 
Wethouder BAKKER: Mijnheer de Voorzitter. Ik dank mevr. Spier voor haar
instemmende woorden; ik weet hoe zij zich inzet bij het onderwerp waarover
wij nu spreken.
Bekend is, wat ten aanzien van de drie genoemde prioriteiten in het
Amsterdams Kunstenplan is opgenomen; wij zijn daarmee aan het werk, maar er
staat ook nog een toevoeging bij over Bellevue/Nieuwe De la Mar en daarmee
zijn wij op dit moment bezig. Zodra het mogelijk is zal ik daarover nadere
mededelingen doen.
 
De discussie wordt gesloten.
 
Aan de orde is de stemming over de voordracht (nr. 266).
 
Mevr. AGTSTERIBBE (stemmotivering): De PvdA-fractie gaat akkoord met dit
investeringsplan omdat het wegwerken van achterstallig onderhoud bijzonder
belangrijk is. Hiermee wordt aan het raadsbesluit van juli 1992 en ook aan
het programakkoord gevolg gegeven. Er is overeenstemming met het
kunstenveld en dit alles stemt ons zeer tevreden. Wij gaan akkoord met de
voordracht.
 
De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de Raad
neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 1075 van afd. 1 van het
Gemeenteblad.
 
24
Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 3 mei 1995 inzake het
Raamraadsbesluit Nieuwbouw en Verbetering 1995 (Gemeenteblad afd. 1,
nr. 258, blz. 939).
 
De VOORZITTER: Voordat ik mevr. Princen het woord verleen, deel ik u
mede dat wethouder Stadig een korte mededeling zal doen in verband met een
verbetering op het voorstel.
Wethouder STADIG: In de commissie van advies heb ik toegezegd, de
voordracht op twee punten aan te passen. Om technische redenen is dat nog
niet doorgevoerd, maar als ik die nu voorlees is dat wel een feit.
Er wordt een nieuw beslispunt, namelijk XXII, c, toegevoegd, waarin
staat dat 1,5 miljoen gulden wordt uitgetrokken voor verlaagde huren voor
stadsvernieuwingsurgenten met een inkomen lager dan modaal.
Het tweede is, dat aan beslispunt XII, c, wordt toegevoegd, dat de
woningen met verlaagde huren ook bij tweede en latere toewijzing worden
toegewezen aan huishoudens die behoren tot de primaire doelgroep.
Deze twee punten zijn in de commissie van advies aan de orde geweest en
zijn bij deze geamendeerd in de voordracht.
Mevr. PRINCEN: Mijnheer de Voorzitter. Ik dank de wethouder voor het
gestand doen van de in de commissie van advies gedane toezeggingen. Ik had
toen nog niets op papier gezien en begon al te twijfelen aan deze " ware"
woorden, vandaar mijn dank.
In de commissie van advies zijn verschillende plannen genoemd en is
opgemerkt, dat het huidige planaanbod wat betreft de 30% goedkope woningen
niet evenredig in de stadsdelen wordt gerealiseerd. Wij maken ons daarover
wel wat zorgen. Kan daarop in nader overleg met de stadsdelen oor het
College nader worden ingegaan?
Het voorstel was, gelden in het kader van de Wet Voorzieningen
Gehandicapten (WVG) in te zetten om 50 woningen voor ouderen te bouwen. Het
College zou bekijken of dit met andere middelen dan deze mogelijk was. Wij
zijn het er ook niet mee eens, deze gelden voor dat doel in te zetten. Kan
de wethouder hierop nader ingaan?
In de voordracht wordt voorgesteld, de sociale koopwoningen met
3 miljoen gulden te subsidi‰ren. De fractie van GroenLinks kan hiermee niet
instemmen. Het argument van het College is, om in gebieden waar een geringe
marktpositie is, deze aantrekkelijker te maken door sociale koopwoningen
met subsidie te bouwen, zodat de duurdere koopwoningen daar ook kunnen
worden verkocht. Wij geloven daar niet in; wij menen, dat ook op dit moment
duidelijk wordt bewezen dat duurdere koopwoningen ook zonder dat
middensegment uitstekend kunnen worden verkocht en vinden, dat die
3 miljoen gulden beter kan worden besteed aan bijvoorbeeld het verbeteren
van de goedkope voorraad woningen. De subsidie die wij uitgeven aan de
sociale koopwoningen komt eigenlijk vooral terecht bij de middeninkomens en
niet bij de lagere inkomens. Dit is overigens een principi‰le discussie
over de vraag of dit wel de juiste manier is om de middelen in te zetten;
die zullen wij ook de komende jaren blijven voeren.
In de voordracht wordt tevens voorgesteld, het anti-speculatiebeding in
het kader van de sociale koopwoningen te laten vervallen. Dat komt dan nog
eens bovenop de subsidie van deze woningen. Daarmee kunnen wij ook niet
instemmen.
Ik wijs erop Ä het Amsterdams Steunpunt Wonen (ASW) heeft dat ook al
naar voren gebracht Ä dat de bewonersinvloed bij particuliere
woningverbetering niet in het Besluit Woninggebonden Subsidies 1995
(BWS'95) is opgenomen. Dat hoort daar wel thuis, maar wij zouden het ook in
het Raamraadsbesluit Nieuwbouw en Verbetering 1995 als voorwaarde voor de
binnenstad kunnen opnemen. Wij vragen om een continuering van het huidige
beleid ten aanzien van de bewonersinvloed en ik zou graag van de wethouder
vernemen, of hij van plan is, de voordracht op dat punt aan te passen.
Mevr. AGTSTERIBBE: Mijnheer de Voorzitter. De streefcijfers als genoemd
in de voordracht zijn uitstekend, maar wij willen ook toetsen of die
doelstelling wordt gehaald. De woningbouwverenigingen zijn zelfstandiger
geworden en het College onderhandelt met hen en sluit convenanten af. Ik
wil graag een nadere toelichting op de vraag, welke machtsmiddelen het
College heeft om bij te sturen als de doelstellingen niet worden gehaald.
De wethouder heeft aan het begin van dit debat enkele toezeggingen die
hij in de commissie heeft gedaan verzilverd. Ik complimenteer hem daarvoor.
Het betekent, dat de verlaagde aanvangshuren blijvend effect hebben.
Met betrekking tot de sociale koopwoningen wordt voorgesteld, het anti-
speculatiebeding te laten vervallen, waarvoor in de voordracht ook redenen
worden genoemd. Een dergelijk beding kunnen wij actief en passief
toepassen, zoals dat bij het aanschrijvingsbeleid wordt gedaan. Men kan
zeggen dat het beding helaas moet worden afgeschaft - de reden daarvoor
wordt genoemd - maar wat komt daarvoor in de plaats? Is het mogelijk, dat
wordt uitgegaan van bijvoorbeeld maatschappelijk gebonden eigendommen? De
Stichting Experimenten Volkshuisvesting (SEV) heeft een overzicht geleverd
van plaatsen waar dat is onderzocht. Ik stel prijs op een nadere
toelichting. Het is mij bekend dat het "slechts" - maar het is toch
redelijk substantieel - om 200 woningen per jaar gaat. Het is toch heel
plezierig om ervoor te zorgen dat die niet bij de tweede of derde
doorverkoop uit de goedkope koopcategorie verdwijnen.
Het College zet 1,5 miljoen gulden in om de huren in de binnenstad laag
te houden. Dat is zeer belangrijk voor de binnenstad omdat het moeilijk is
om daar te bouwen. Het is zuur, dat daar nu al veel woningen uit de
kernvoorraad verdwijnen. Door deze handeling houdt het College een
draagvlak onder de stadsvernieuwing.
Met betrekking tot de doorstroomhuren is er, gelet op de tabel, een
koppeling met de oppervlakte. De woningbouwverenigingen wordt de
mogelijkheid geboden om af te wijken, maar wij missen de redenen waarom men
zou afwijken. Wellicht kan daarop nog een toelichting worden gegeven.
Voor de middeldure woningen wordt maximaal Ÿ 27.000 per woning ingezet.
Wij willen echter die inzet besteden aan woningen beneden de
huurliberalisatiegrens omdat wij dan kunnen sturen in de toewijzing en
werkelijk kunnen spreken over doorstroomwoningen.
Mijn laatste punt Ä mevr. Princen sprak er ook over Ä betreft de
bewonersinvloed. Die was in de vorige verordening geregeld. Wij zouden
graag zien, dat het College, ook in ROA-verband, regelingen treft door
onderhandelingen met de corporaties zodat de huurdersinvloed wordt
gewaarborgd. Wij vernemen graag wanneer en hoe het College van plan is dat
te regelen.
De heer ORANJE: Mijnheer de Voorzitter. Wij hebben in het Oostelijk
Havengebied verschillende projecten tot stand gebracht die veel lof hebben
gekregen: het Java-eiland, dat nog moet worden bebouwd (al op voorhand) en
het KNSM-eiland. De fractie van D66 hecht er sterk aan, dat die lof ook de
locatie Borneo/Sporenburg wordt toegezwaaid. Het stedebouwkundig plan is
met veel enthousiasme onthaald, maar ik heb toch uit verschillende
richtingen, zowel van de Schoonheidscommissie als andere instanties,
signalen ontvangen, dat het budget wellicht te kort zou kunnen schieten om
de beoogde kwaliteit van de sociale en licht-gesubsidieerde woningen te
behouden. Dit komt doordat het stedebouwkundig plan verschillende elementen
vertoont die afwijken van de "gewone" sociale woningbouw en die extra
kosten veroorzaken. Ons pleidooi is, dat wij daar een absolute kwaliteit
willen hebben. Ik dien een amendement in, om in elk geval een deel van het
budget daarvoor ter beschikking te stellen, maar wellicht is het ook goed
als in de commissie van advies apart wordt gediscussieerd over dat project.
Wij kunnen dat dan misschien meteen in relatie brengen met de afspraken met
het rijk en de problemen die er zijn met het halen van het convenant;
volgens het convenant zou voor 1 januari 1996 voor alle woningen die daar
worden gebouwd een bouwvergunning moeten zijn verleend. Ik constateer nu,
dat er niet voor alle woningen voor die datum een beschikking zal zijn en
dat is dan wel een probleem; misschien kan dat in ‚‚n keer worden
meegenomen.
Ik ben het niet eens met hetgeen in de commissievergadering door het
College is overgenomen ter zake van de verlaagde aanvangshuren in de
stadsvernieuwingsgebieden. Ik meen, dat de collegepartijen hadden
afgesproken, dat dit zou worden gedaan voor woningen in
uitbreidingsgebieden ten einde daar woningdifferentiatie tot stand te
brengen. Het zou worden gedaan voor grote woningen en voor woningen voor
ouderen, terwijl ook was afgesproken, dat dit zou worden gefinancierd met
meer te behalen grondopbrengsten. Naar onze mening is niet afgesproken, dat
daaraan de element van verlaagde huren in stadsvernieuwingsgebieden zou
worden toegevoegd. Wij wensen daarvoor geen budget beschikbaar te stellen,
omdat naar onze mening daar al voldoende woningen in de kernvoorraad
aanwezig zijn, ook in de binnenstad. De "puntprijs" is volgens het
Woningwaarderingsstelsel in de binnenstad zelfs lager dan in bijvoorbeeld
Zuidoost. Het desbetreffende bedrag zou ik willen inzetten voor meer
produktie en wel 50 groepswoningen voor ouderen in de Rietlanden die niet
uit de WVG-gelden kunnen worden betaald. Dat voorstel heeft het niet
gehaald in de Commissie voor Zorg enz., onder andere door tegenstand van de
PvdA-fractie, maar ik hecht er zeer aan dat die woningen wel worden
gebouwd. Ik dien een amendement ter zake in.
In de commissie heb ik gesproken over de extra produktie-impuls die wij
van het rijk hebben gekregen. Uit de evaluatie en de programmering blijkt
niet, dat daaruit geweldig veel produktiviteit is voortgekomen. Die
produktie-impuls ging er met name vanuit, dat er onconventionele vormen van
wonen tot stand zouden worden gebracht. Mijn fractie vindt, dat met
verhoogde inspanning naar leegstaande kantoren en wonen op het water moet
worden gekeken. Ik heb overigens begrepen dat ten aanzien van een aantal
woonschepen langs bijvoorbeeld de IJ-oevers die inspanningsverplichting
waarschijnlijk niet kan worden waargemaakt. Ten aanzien van die
onconventionele woonvormen zullen dan ook onconventionele methoden moeten
worden ingezet. Wij zullen daaraan niet altijd alle kwaliteitseisen moeten
stellen die wij normaal stellen.
De fractie vindt het zeer belangrijk, dat de investeringen in de
volkshuisvesting worden verhoogd, met name in de particuliere voorraad. Na
verbetering moeten mogelijkheden worden geschapen om die te splitsen en in
de vrije verkoop aan te bieden. Naar onze mening moet de sociale
kernvoorraad de echte kernvoorraad zijn; er zal dus een verruimd
splitsingsbeleid tot stand moeten komen. Het College zal met voorstellen
ter zake komen en wij zullen daarop dan graag terugkomen.
 
De VOORZITTER deelt mede, dat zijn ingekomen:
 
28ø Amendement van 17 mei 1995 van het raadslid Oranje inzake een
reservering van 1,5 miljoen gulden voor de bouw van 50 (groeps)woningen
voor ouderen op de locatie Rietlanden (Gemeenteblad afd. 1, nr. 307, blz.
1230).
 
29ø Amendement van 17 mei 1995 van het raadslid Oranje om de BWS-
stimuleringsbijdragen van 3 miljoen gulden te bestemmen voor het handhaven
van de kwaliteit van de woningbouw in het project Borneo/Sporenburg
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 308, blz. 1231).
 
De amendementen worden voldoende ondersteund en terstond in behandeling
genomen.
 
De heer GOEDHART: Mijnheer de Voorzitter. De CDA-fractie kan zich in het
algemeen vinden in het Raamraadsbesluit, inclusief de door de wethouder
aangegeven toevoegingen naar aanleiding van de bespreking in de commissie
van advies. Wij geloven hem daarbij op zijn woord.
In de commissievergadering is gesproken over aanpasbaar bouwen. De
wethouder heeft daarover een toezegging gedaan Ä ik neem aan dat hij die
ook gestand zal doen Ä maar er is ook gesproken over milieubewust en
duurzaam bouwen. De voorzitter van de Bond van Bouwbedrijven, de heer
Brinkman, heeft er onlangs op gewezen, dat de staatssecretaris van
Volkshuisvesting wat achterblijft met zijn plan van aanpak op dit gebied.
Ik heb er in de commissie voor gepleit, dit in Amsterdam toch ook expliciet
als een aandachtspunt op de agenda te zetten en ik zou graag de concrete
toezegging hebben, dat dit punt in de besprekingen met de bouwers op de
Amsterdamse woningbouwmarkt wordt meegenomen.
De heer BOUMA: Mijnheer de Voorzitter. Uit de voordracht blijkt in elk
geval, dat er wat de gemeente betreft een aantal zaken op termijn een
probleem vormt; dat heeft dan voornamelijk te maken met teruglopende
budgetten. Het betekent, dat veel nadrukkelijker dan voorheen keuzen moeten
worden gemaakt. Als ik spreek over keuzen en als ik dan kijk naar de
differentiatie van de woningbouw Ä sociale-sectorwoningen en vrije-
sectorwoningen - vindt de VVD-fractie, dat men niet te rigide moet kijken
of in elk plan wel die 30:70-verhouding wordt gehaald. Men moet wel nagaan
of die verhouding in de stad wordt gehaald, wat op zichzelf al zeer
moeilijk zal zijn, maar men zal ook vanuit een regionale invalshoek naar
een dergelijke verdeling moeten gaan. Daarbij is het van belang dat in de
Amsterdamse regio veel meer dan voorheen in de sociale sector wordt
gebouwd, met name omdat er behoefte aan bestaat om mensen de gelegenheid te
geven zich richting werkgelegenheidsgebieden te vestigen.
(Mevr. PRINCEN: Hoe weet u dat er behoefte aan bestaat om mensen met
lagere inkomens in de buitengebieden te "plaatsen"?)
Ik kijk bijvoorbeeld naar problemen zoals die spelen bij het aantrekken
van personeel. Bij de bloemenveiling van Aalsmeer kan bijvoorbeeld
personeel worden geplaatst, terwijl er in Amsterdam veel mensen graag
zouden willen werken, maar die willen niet dagelijks de afstand tussen
Amsterdam en Aalsmeer overbruggen. Vanuit die invalshoek bezien zou men er
dan voor moeten zorgen dat daar waar veel werk is, ook voor
lagergeschoolden, ook woningen voor deze mensen worden gebouwd. Die
regionale visie moet veel nadrukkelijker aan de orde komen den ik schat ook
in, dat de woningcorporaties in samenwerking meer op regionaal niveau gaan
denken.
Ik vind, dat de wethouder met betrekking tot het in de voordracht
overgenomen voorstel van de commissie van advies inzake de verlaagde
aanvangshuren voor stadsvernieuwingsurgenten te snel door de bocht gaat. Er
is geld over, terwijl er toch een groot aantal problemen op ons afkomt. Ik
denk dan aan bijvoorbeeld de sanering van de Woningcorporatie Nieuw
Amsterdam. Wij willen bij voorkeur die discussie afwachten om dan te
bepalen waaraan die 42 miljoen gulden moet worden besteed. Wij vinden het
nu te snel om van dat bedrag al 1,5 miljoen gulden te besteden aan
verlaging van die huren.
Afhankelijk van het antwoord van het College zou de VVD-fractie het
amendement van de heer Oranje inzake de bouw van de woningen van ouderen
kunnen steunen.
Wethouder STADIG: Mijnheer de Voorzitter. Wat betreft de evenredigheid
van de 30% over de stadsdelen, waarover mevr. Princen sprak, meen ik, dat
wij daarover in september 1994 in de commissie van advies aan de hand van
een stuk hebben gesproken. Er zij argumenten om te zeggen dat bijvoorbeeld
in Buitenveldert de verhouding 40%:60% zou moeten zijn, omdat daar al
zoveel dure woningen zijn; dat is de overweging de ene kant op. De
overweging de andere kant op was Ä wij gingen ook optimaliseren Ä dat men
juist nu in Buitenveldert geld kon verdienen en dat men dan liever naar een
verhouding 20%:80% zou moeten gaan. Die overwegingen werken echter tegen
elkaar in; dat was ook de intentie van de notitie. Wij hebben toen gezegd,
ook om allerlei buitengewoon moeilijke discussies te voorkomen, dat de
verhouding overal 30%:70% zou moeten zijn; een stadsdeel mag daar wel iets
onder zakken, minder dan 30%, maar meer mag het niet. Alle stadsdelen
proberen natuurlijk zo dicht mogelijk tegen die 30% aan te komen. Dat is de
inzet van het College en als men dat dan vervolgens vertaalt in
jaarprogramma's, moet men zich wel realiseren, dat woningbouwprojecten al
snel een voorbereidingstijd van drie tot vier jaar hebben. Het is dus niet
altijd gemakkelijk meteen alle knoppen om te zetten. Ik ben inmiddels met
verschillende stadsdelen in gesprek over het maken van meerjarige
afspraken. Dat is het kader en ik constateer dat iedereen zich na enig
tegenstribbelen daarin ook voegt. Naar mijn mening is de evenredigheid
redelijk geregeld.
De heer Bouma sprak over de samenwerking van de corporaties in regionaal
verband. Ik meen dat wij het nog maar even moeten houden zoals het nu is.
Ik kan mij voorstellen, dat men op den duur daarover misschien wat
genuanceerder gaat oordelen, maar ik heb het gevoel dat als men nu een
dergelijke inzet formuleert, wij alleen geld kwijt raken aan de regio
zonder dat daar iets concreets tegenover staat. Ik zeg niet, dat ik nooit
in die gedachtenlijn mee zou willen gaan, maar het is nu nog wat vroeg. De
inzet van het College is nog steeds een verhouding van 30%:70% als algemeen
kader, waarbij iedereen dan ook weet waaraan hij zich heeft te houden.
Wat betreft de 50 ouderenwoningen waarvoor WVG-gelden zouden worden
ingezet, wijs ik erop, dat ik daarover in gesprek ben wethouder mevr. Van
der Giessen. Wellicht kan zij daaromtrent nadere mededelingen doen. Mijn
inzet is nog steeds, die 50 woningen te laten bouwen, hoe dan ook.
Voorlopig is mijn hoop nog steeds gevestigd op mijn collega.
Als men de voordracht goed bekijkt, ziet men dat het College zeer
terughoudend is wat betreft sociale koopwoningen; 200 woningen is toch niet
vreselijk veel. Bovendien zullen die woningen worden ingezet in gebieden
waar om technische redenen duurder bouwen niet mogelijk is. Ik spreek dan
over delen van de 19e-eeuwse gordel, Bos en Lommer, De Baarsjes en de
Bijlmermeer. Ik vind zelf de Bijlmermeer een heel goed voorbeeld. Als men
daar op dit moment koopwoningen wil afzetten, heeft men te maken met een
moeilijke markt. Wil men dat laten lukken, dan moet daar de prijs
aantrekkelijk worden gemaakt. Dat is de overweging om daar sociale
koopwoningen te bouwen. Het betekent tevens, dat daar speculatie niet
zozeer aan de orde is. Wij mikken met onze prijsstelling zo, dat de
verkoopprijs is wat men in de Bijlmermeer in de huidige markt kan halen.
Gezien de kosten komt men dan in de wat zwaarder gesubsidieerde koopsector
terecht. Iemand die morgen in de Bijlmermeer een sociale koopwoning koopt,
zal naar schatting, als hij die woning overmorgen verkoopt, daarvoor
precies hetzelfde bedrag krijgen. Dit komt doordat de markt daar wat zwak
is en dat is ook de reden waarom wij daar wat extra willen doen. De
essentie van de gedachte is, dat men wel een anti-speculatiebeding kan
verzinnen, maar dat slaat dan nergens op slaat omdat men toch geen winst
kan maken. Wij kunnen allen wel wensen dat het straks in de Bijlmermeer
beter gaat, zodat die woningen misschien over tien jaar of zelfs over vijf
jaar meer zouden kunnen opbrengen, maar dan kan men zich afvragen of dat
een kwestie van speculeren is. Men kan ook zeggen, dat wij degenen die het
eerst hun nek hebben uitgestoken, kennelijk een pionierspremie hebben
gegeven. Kennelijk heeft dat dan ook het gewenste effect gesorteerd,
aangezien het dan in de Bijlmermeer beter is geworden. Een anti-
speculatiebeding kan men overigens heel snel opschrijven, maar als het op
handhaven aankomt is het allemaal niet zo eenvoudig. Wij hebben daarvoor
dan ook ambtenaren nodig en zoals men weet hebben wij daarvan steeds
minder.
Mevr. Agtsteribbe suggereerde, het anti-speculatiebeding eventueel te
vervangen door het sociaal gebonden eigendom. Over dit onderwerp wordt in
de volkshuisvesting al ongeveer 20 jaar gesproken. Het is in Rotterdam wel
eens gebruikt, maar dat is daar niet tot grote tevredenheid verlopen en men
is daarmee gestopt. Ik wijs erop, dat de gemeente wel van alles kan willen,
maar dat er wel een initiatiefnemer moet zijn die zegt dat hij dat wil
uitvoeren. Wij hebben op dit moment helaas geen corporaties in de
aanbieding die zeggen dat zij maatschappelijk gebonden eigendom willen
realiseren in de sociale-koopsfeer.
(Mevr. AGTSTERIBBE: De SEV heeft een overzicht gemaakt van plaatsen
waar het wel is gedaan. Misschien kunnen wij dat overzicht nog eens
bij de discussie betrekken. Het moet wel in discussie worden
gebracht, want als het niet wordt besproken, weet men niet of het wel
of niet mogelijk is. In het overleg met de bouwers en de
woningbouwverenigingen zou dit punt kunnen worden meegenomen.)
Dat zal zich dan wel beperken tot de woningbouwverenigingen, want ik kan
mij niet voorstellen dat andere bouwers hierin zouden zijn ge‹nteresseerd.
Ik wil best aan de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties vragen, of
corporaties ge‹nteresseerd zijn, in die sector aan de gang te gaan. Ik ben
daarover echter niet optimistisch.
Mevr. Princen en anderen hebben gesproken over de bewonersinvloed. Wij
hebben kennelijk in Amsterdam een andere manier van omgaan met bewoners en
het vastleggen van spelregels daaromtrent dan in de randgemeenten. Ik heb
dat ook geconstateerd toen in het ROA de vraag aan de orde was, of een
regionaal consumentenplatform moest worden gesteund. De randgemeenten
deelden toen mede, dat zij daar niet veel voor voelden, althans niet in dit
stadium van het ROA. In de ROA-verordening staat nu niet een voorwaarde,
dat er alleen geldelijke steun wordt verleend als er bepaalde spelregels
zijn afgesproken. Dit betekent formeel-juridisch, dat men zich moet
realiseren, dat wij werken binnen het kader van een ROA-verordening die aan
de gemeente Amsterdam bevoegdheden mandateert, uit hoofde waarvan wij het
geld kunnen verdelen, maar dat betekent wel dat wij nu niet nadere
voorwaarden kunnen toevoegen aan wat juridisch in de ROA-verordening is
geregeld. Amsterdam kan nu niet zeggen, dat wij aan de kaders die de ROA-
verordening schept, een nieuwe subsidievoorwaarde toevoegen, namelijk de
voorwaarde die wij vroeger hadden, dat men alleen subsidie krijgt als men
zich aan het protocol houdt. Formeel gezien kan ik helaas niets doen, maar
naar mijn mening is dit in de meeste stadsdelen voldoende ingesleten en ik
heb geen enkele indicatie dat stadsdelen daarmee willen ophouden. In meen,
dat op de werkvloer de soep niet zo heet wordt gegeten als die wordt
opgediend. Ik begrijp dat het ASW en andere instanties die invloed heel
graag willen vastleggen, maar ik zie daartoe geen mogelijkheden, behalve
dan dat ik zeg dat wij het in Amsterdam moeten blijven doen zoals wij het
de afgelopen jaren hebben gedaan.
Dit brengt mij op de vraag van mevr. Agtsteribbe, welke machtsmiddelen
de gemeente heeft als woningcorporaties zich niet aan de gemaakte afspraken
houden. In de commissievergadering heb ik gezegd, dat wij in essentie in de
huidige ordening niet veel machtsmiddelen van de Regering hebben gekregen.
Aan het verstrekken van subsidies mag men maar in zeer beperkte mate
voorwaarden verbinden. Als wij bijvoorbeeld de voorwaarde stellen, dat men
alleen subsidie ontvangt als men zich aan onze doorstroomtabel houdt en men
vervolgens die voorwaarde niet accepteert, kan ik die voorwaarde niet
opleggen. Ik kan wel proberen de woningcorporaties zover te krijgen - dat
hebben wij ook uitgebreid gedaan - maar er zijn bepaalde zaken die niet met
de woningcorporaties kunnen worden afgesproken. Wat is de sanctie? Op een
bepaald moment loopt het bijvoorbeeld dermate de spuigaten uit, dat ik naar
de staatssecretaris ga en ik hem vraag, of hij dit ook zo'n
verschrikkelijke schande vindt en of hij dan een aanwijzing wil geven. Als
echter een woningcorporatie zich bijvoorbeeld niet aan een dergelijke
doorstroomtabel wil houden, kan men niet volhouden dat er zo'n
noodtoestand ontstaat dat dit al aan de orde is. Mijn machtsmiddelen
bestaan voornamelijk uit overtuiging en overreding en ik heb geconstateerd,
dat ik daarmee nog steeds een heel eind kom. Laten wij dus onze zegeningen
tellen. Erg veel macht hebben wij helaas niet.
Ik kom dan aan het punt van de lagere huren. De lagere huren waarover de
heer Oranje sprak, financieren wij uit grondopbrengsten en die zijn
permanent. In de commissie van advies is daaraan op verzoek van het ASW
toegevoegd dat die lagere huur alleen geldt voor de eerste bewoner. Dat
noemt men een processubsidie in het kader van de stadsvernieuwing. Wij
kunnen zeggen, dat wij dat niet meer nodig hebben omdat wij al veel nieuwe
woningen hebben. Anderzijds laat de discussie over Schievink zien, dat het
draagvlak onder de bevolking snel afkalft als niemand meer in een nieuwe
woning terecht kan komen. In de commissie bleek een meerderheid te zijn die
dat laatste dan toch het zwaarst liet wegen. Ik heb dat gevolgd en ook het
College heeft dat gevolgd. Die twee categorie‰n moeten wij wel scherp
onderscheiden; in het programakkoord gaat het niet over deze categorie.
Met betrekking tot de opmerking over dure huurwoningen onder de huur van
Ÿ 963 per maand merk ik op, dat er geen dure huurwoningen beneden Ÿ 963
zijn; dat begint helaas bij een hoger bedrag, dus als men zegt, dat wij
alleen dure huurwoningen onder een maandhuur van Ÿ 963 subsidi‰ren,
subsidi‰ren wij niets.
(Mevr. AGTSTERIBBE: Het is maar wat u duur noemt. Voor veel mensen is
dit duur; vandaar mijn opmerking om de huur daaronder te houden in
verband met de doorstroming.)
Wat betreft het amendement van de heer Oranje inzake het omzetten van
huurwoningen in koopwoningen (nr. 308) wijs ik erop, dat dit voor een deel
niet mogelijk is omdat wij verplichtingen jegens het Sociaal Fonds hebben,
onder andere over Borneo/Sporenburg. In die zin is reeds voorzien in
hetgeen in het amendement wordt gevraagd. Voor een ander deel zou het wel
mogelijk zijn, maar dan wijs ik erop, dat wij behoefte hebben aan een
gedifferentieerd aanbod, niet alleen onder de huur van Ÿ 963, maar ook
daarboven en ook aan koop, goedkoop, duur en heel duur. In het kader van
dat gedifferentieerde pakket hecht het College eraan, de lijn voort te
zetten die het heeft ingezet. Ik ontraad dan ook aanneming van dit
amendement.
Met betrekking tot het amendement-Oranje (nr. 307) inzake de bouw van de
50 woningen voor ouderen heb ik het gevoelen van de commissie van advies
gevolgd. De argumenten pro en contra zijn duidelijk. Ik ben er door het ASW
en de commissie van advies van overtuigd, dat het misschien toch wel een
goed idee is, hoewel ik richting degenen die nu hun zin krijgen opmerk, dat
het misschien het volgend jaar toch niet meer zo is.
(De heer K™HLER: Kunt u ten aanzien van het amendement nr. 307 nog
mijn indruk bevestigen, dat stemming over dit amendement niet nodig
is? In uw voorstellen is daarin toch al voorzien!)
Ik heb ten aanzien van dit amendement gezegd, dat ik over dat onderwerp
nog steeds in gesprek ben met wethouder mevr. Van der Giessen. De inzet is
nog steeds ongewijzigd, namelijk dat die 50 woningen er moeten komen. Als
dat niet zou lukken, hebben wij natuurlijk nog een potje van vorig jaar
waaruit die woningen eventueel zouden kunnen worden betaald.
De heer Goedhart sprak over milieubewust en duurzaam bouwen. Ik wijs
erop, dat deze punten zijn opgenomen in de richtlijnen voor de kwaliteit;
deze richtlijnen zijn met de woningcorporaties op vrijwillige basis
afgesproken, zodat ik ervan uitga, dat zij die ook zullen nakomen. Ook hier
geldt echter, dat, als een corporatie dat op een bepaald moment niet doet,
ik geen formele middelen heb om die corporatie te dwingen, zich aan de
afspraak te houden.
De VOORZITTER: Is er dringend behoefte aan een tweede termijn? Als dat
het geval is, zal in verband met de spreektijd het College niet of
nauwelijks kunnen antwoorden.
De heer SPIT: Ik vind dat het College tijd moet gebruiken naar rato van
de tijd die de fracties per onderwerp gebruiken. Als dat niet wordt gedaan,
krijgen wij deze ellende.
De heer ORANJE: Het is altijd de schuld van de Voorzitter.
De VOORZITTER: Inderdaad.
Mevr. PRINCEN: Mijnheer de Voorzitter. Moeten wij het nu zonder een
antwoord van wethouder mevr. Van der Giessen doen? Kan zij slechts met haar
hoofd knikken en schudden als reactie op datgene wat wij zeggen? Ik ben
benieuwd.
(De heer ORANJE: Dat is dan leuk voor de luisteraars die de
vergadering via de radio volgen.)
Er is gesteld, dat er nog een poging wordt gedaan om de 50
ouderenwoningen via de WVG-gelden te financieren. Wethouder mevr. Van der
Giessen schudt met haar hoofd, hetgeen "nee" betekent en ik ga er dan
vanuit, dat de wethouders Stadig en mevr. Van der Giessen samen zullen
proberen, die bouw via een andere financieringsbron voor elkaar te krijgen.
Wethouder Stadig heeft eigenlijk al aangegeven, dat hij daarvoor wellicht
nog een ander potje weet, misschien wel de BWS'95-gelden. Ik neem aan, dat
ik ook niet meer mijn stem behoef uit te brengen over amendement nr. 307,
want dit is dan naar mijn mening overbodig.
Ik houd problemen met de sociale koopwoningen; gezien het geheel is
inderdaad sprake van een relatief klein bedrag. De wethouder heeft
opgemerkt, dat er verschillende buurten zijn waar duurdere koopwoningen
absoluut nog geen aantrekkingskracht hebben. Ik bestrijd dat. Tot voor kort
waren er meer buurten in Amsterdam waarvan men zou zeggen, dat daar de
duurdere koopwoningen niet in trek zouden zijn, maar dat blijken zij wel te
zijn.
Gesteld is, dat wat deze woningen betreft het anti-speculatiebeding kan
vervallen. De wethouder merkte op, dat na een aantal jaren wellicht winst
op de woningen zou kunnen worden gemaakt door de eerste koper en dat men
dat dan maar moest beschouwen als een pionierspremie. Dat gaat mij te ver.
Of men houdt het ene in stand omdat men ook met subsidies werkt of men
schaft het allemaal af. Mijn voorkeur gaat dan uit naar het niet-besteden
van het bedrag van 3 miljoen gulden aan de sociale- en licht-gesubsidieerde
woningbouw en behoud van het anti-speculatiebeding.
Wat de bewonersinvloed betreft heeft de wethouder gezegd Ä het zal niet
op schrift worden gesteld Ä dat hij er ook voor is, dat de oude situatie
wordt gehandhaafd. Ik had liever dat dit wel zwart op wit stond.
(Wethouder STADIG: Ik wijs u erop, dat hetgeen ik zeg wel degelijk
zwart op wit staat, namelijk in de notulen van deze raadsvergadering.
Ik deel u echter mede, dat u formeel gezien aan het zwart op wit niet
echt iets hebt.)
Bij nader inzien moet ik dat toegeven.
Het moge duidelijk zijn, dat de fractie van GroenLinks tegen de punten
XIII, punt c, en XXX van het besluit zal stemmen. Zij stemt wel in met het
amendement nr. 308.
De heer ORANJE: Mijnheer de Voorzitter. Met betrekking tot de verlaagde
aanvangshuren bij de eerste toewijzing in stadsvernieuwingsgebieden meen
ik, dat de kern van de afspraak die destijds is gemaakt bij de
akkoordonderhandelingen is, dat er nog maar voor drie categorie‰n verlaagde
huren zouden gelden; nu wordt er een categorie aan toegevoegd die er juist
was uitgehaald. Het College geeft wel een zeer goede argumentatie waarom
dat niet meer nodig is, namelijk omdat 65% van de woningvoorraad in deze
stad behoort tot de kernvoorraad onder de Ÿ 570. Het zou toch vreemd zijn
dat wij mensen moeten subsidi‰ren terwijl elders gewoon ruimte vrij is. In
dit verband is het natuurlijk helemaal merkwaardig als tegelijkertijd
woningcorporaties scheef mogen toewijzen.
Als er met beleggers verplichtingen zijn aangegaan met betrekking tot
huurwoningen, zal ik mij daartegen niet verzetten, maar daar waar die niet
zijn aangegaan vind ik, dat het niet zo kan zijn dat middeldure
huurwoningen wel worden gesubsidieerd en middeldure koopwoningen niet. Als
de wethouder dan zegt, dat de middeldure huurwoningen wel moeten worden
gesubsidieerd om te voorkomen dat de markt zijn werk doet, namelijk dat die
woningen worden omgezet in middeldure koopwoningen, vraag ik mij af,
waarmee wij bezig zijn. Wij gaan dan tegen het marktmechanisme in en wij
gaan er ook nog geld aan besteden. Dat is toch het omdraaien van het een en
ander.
(Wethouder STADIG: Middeldure koopwoningen worden ook gesubsidieerd,
alleen niet door ons, maar door de minister van Financi‰n, en wel
vrij stevig.)
Dat is prima. Wij waren daar toch voor?
(Wethouder STADIG: De ongelijke behandeling van de huur- en
koopsector is mij een doorn in het oog; dat is overigens wel een
particuliere opvatting.)
Naar mijn mening zullen de volkshuisvestingssubsidies in toenemende mate
naar de regio gaan. Wij krijgen steeds minder geld en de regio Ä
Aerdenhout, Bentveld, Bloemendaal enz. - krijgt straks in feite de
rijkssubsidies via de hypotheekrenteaftrek. Moeten wij er dan geen gebruik
van maken? Als wij dat niet doen zijn wij wel heel suf bezig.
(De heer K™HLER: Begrijp ik nu goed dat u uw amendement nr. 308
bijstelt, in die zin, dat u daar de al aangegane verplichtingen ten
aanzien van premiehuurbeleggingswoningen van aftrekt?)
De Commissie voor Zorg enz. heeft die mogelijkheid geblokkeerd en naar
mijn mening ook terecht. De fractie van D66 vindt dat die woningen moeten
worden gebouwd en dan vind ik het geen goede manier van handelen als een
wethouder zegt dat wij daarvoor dan nog wel een potje hebben. Ik meen, dat
de Raad het budgetrecht heeft en dat, wanneer er restanten zijn, wij die
eerlijk ten opzichte van andere prioriteiten moeten verdelen. Ik houd niet
van de uitdrukking: daar hebben wij nog wel een potje voor.
(De heer K™HLER: Dit begrijp ik niet. In de commissievergadering is
toegezegd, dat het niet uit de WVG-gelden moest komen want dat wilde
men niet, maar dat er wordt gekeken of er nog middelen zijn voor de
ouderenhuisvesting en of misschien kan worden geschoven. Als dat niet
zou lukken, zou het spaarsaldo van de subsidiegelden voor de
woninggebonden subsidies worden aangesproken. Dat is dan toch een
duidelijke afspraak? Het is toch niet een vaag potje? Als wij dat nu
allemaal weten, kennen wij de dekking.)
(Wethouder STADIG: Ik wijs erop, dat wij bijvoorbeeld ook liften
subsidi‰ren, die ook subsidiabel zijn voor de WVG. Men zou dan de
druk op het budget van de volkshuisvesting kunnen verlichten door
liften ter subsidi‰ring bij wethouder mevr. Van der Giessen aan te
bieden en zo zou dan ruimte kunnen ontstaan.)
Ondanks alles handhaaf ik toch mijn amendement, omdat ik vind dat die
verlaagde aanvangshuren moeten sneuvelen. Ik vind het ook zuiverder om, als
men nu al weet dat men die woningen wil bouwen, bij het Raamraadsbesluit
die beslissing te nemen en niet achteraf via spaarsaldi enz. Ik houd van
ordentelijke procedures.
(De heer K™HLER: Stelt u uw amendement nr. 308 nog bij?)
Ik deel mede, dat aan het amendement moet worden toegevoegd: voor zover
er geen verplichtingen zijn aangegaan met beleggers. Als men dat als
toevoeging aan het amendement zou willen beschouwen, meen ik dat het
probleem is opgelost.
 
Het amendement nr. 308, ingetrokken zijnde, maakt geen onderwerp van
behandeling meer uit.
 
De VOORZITTER deelt mede, dat is ingekomen:
 
30ø Amendement van 17 mei 1995 van het raadslid Oranje om de BWS-
stimuleringsbijdragen van 3 miljoen gulden te bestemmen voor het handhaven
van de kwaliteit van de woningbouw in het project Borneo/Sporenburg, voor
zover er geen verplichtingen zijn aangegaan met beleggers (Gemeenteblad
afd. 1, nr. 309, blz. 1232).
 
Het amendement wordt voldoende ondersteund en terstond in behandeling
genomen.
 
De heer GOEDHART: Mijnheer de Voorzitter. Wat betreft het milieubewust
en duurzaam bouwen gaat het mij erom, dat dit punt op de agenda wordt
geplaatst. Ik vind de houding van de wethouder in dezen te terughoudend. Ik
ben voor een actief, wervend beleid.
De CDA-fractie steunt de amendementen van de heer Oranje. Als de
gevraagde aanvangshuren van de nieuwbouw in bijvoorbeeld de Jordaan aan de
orde zijn, moeten wij dat maar op dat moment bespreken.
(De heer K™HLER: In de commissievergadering hebben wij, mede met de
steun van de CDA-fractie, het College met betrekking tot de
verlaagde aanvangshuren een advies gegeven. Hebt u nu enig nieuw
argument gehoord voor deze draai van 180ø?)
Inderdaad, namelijk het concrete amendement van de heer Oranje.
(De heer K™HLER: Wat is daar dan nieuw aan? De heer Oranje is tegen
de verlaagde aanvangshuren, maar dat heeft hij ook al in de commissie
gezegd. U was er toen voor. Waarom bent u nu tegen?)
Spreekt u nu over de nieuwbouw in de Jordaan?
(De heer K™HLER: Neen, over het bedrag van 1,5 miljoen gulden voor de
verlaagde aanvangshuren.)
In de commissie is gezegd, dat het nog voor ‚‚n jaar zou kunnen. Wij
hebben daar geen principi‰le bezwaren tegen, maar wij vinden het amendement
van de heer Oranje toch meer op de toekomst gericht.
De heer BOUMA: Mijnheer de Voorzitter. Wat betreft het afschaffen van
het anti-speculatiebeding gaan wij mee met het voorstel van het College
omdat dit zal leiden tot minder controle, terwijl de woningen tegen de
marktwaarde worden aangeboden.
De VVD-fractie is verbaasd over de opmerking, dat met betrekking tot de
subsidi‰ring van huurwoningen verplichtingen zijn aangegaan. Het staat ons
niet bij, met welk besluit dat is gedaan. Wij spreken nu over het
Raamraadsbesluit Nieuwbouw en Verbetering 1995 en wij stellen nu de
budgetten en de verdeling vast. Mocht het College toch wat verplichtingen
zijn aangegaan, dan....
(Wethouder STADIG: Dat is dan uiteraard een toezegging aan de Raad,
maar u weet hoe dat gaat.)
Inderdaad, maar de VVD-fractie zal het desbetreffende amendement van de
heer Oranje steunen; wij zijn er ook voor om het budget dat nog over is op
een andere manier te besteden.
Met betrekking tot de stadsvernieuwingsurgenten staat al in een nota dat
deze urgenten bij woningcorporaties prioriteit zullen krijgen. Daar vind
men de woningen met lage huren en dat lijkt ons op dit moment voldoende.
Wij steunen ook dit amendement van de heer Oranje.
De heer VAN DUIJN: Mijnheer de Voorzitter. Ik ben met het College van
mening, dat enige scheefheid in de toewijzing van woningen wel goed zou
kunnen zijn in verband met het tegengaan van een al te eenzijdige
bevolkingssamenstelling in bepaalde wijken waar woningen staan met tamelijk
goedkope huren. Anderzijds tast men hiermee ook wel het aantal woningen aan
dat beschikbaar is voor de lagere inkomensgroepen. De kernvoorraad takelt
daarmee af en dat laat weer eens zien hoe nodig het is, die kernvoorraad op
peil te houden. Ik realiseer mij echter wel, dat dit met de huidige
Regering buitengewoon moeilijk is. Hier ligt nog steeds een zeer
belangrijke gemeentelijke taak.
Ik maak mij zorgen over het afschaffen van het anti-speculatiebeding.
Het is natuurlijk mooi als er weer wat regels kunnen worden afgeschaft,
maar tegelijkertijd maakt men speculatie er wel gemakkelijker door. Het is
toch ook niet zo, dat het anti-speculatiebeding uit een soort gril ooit
door sociaal-democraten is ingesteld? Het heeft wel degelijk een functie
gehad en die functie gaat nu verloren. Hoe staat het College daar
tegenover?
(Wethouder STADIG: Toen werden de woningen ver onder de marktprijs op
de markt gebracht en kon men een dag nadat men de
woning had gekocht al winst maken. De essentie van het betoog is nu
dat dit in gevallen waar wij het nu nog doen, niet aan de orde is.)
Dat is nog de vraag.
Wethouder mevr. VAN DER GIESSEN: Mijnheer de Voorzitter. Ik heb niet de
hele discussie bijgewoond, maar ik heb wel begrepen dat de Raad voor de
voorgestelde bouw van woningen voor ouderen is. Ik wijs erop, dat het WVG-
budget daarvoor echter geen soelaas biedt, omdat het College daarvoor een
voorstel heeft gedaan dat volledig binnen de WVG valt. De commissie van
advies wil het echter aan een ander doel besteden. Deze wet is voornamelijk
bedoeld voor individuele voorzieningen, maar laat een groot deel over voor
het voeren van een algemeen ouderenbeleid, met name huisvestingsbeleid. Ik
heb voorgesteld, een bedrag van 1,5 miljoen gulden uit de WVG-gelden te
halen en dit te bestemmen voor de bouw van ouderenwoningen. De commissie
heeft dat afgewezen. Ik heb vernomen, dat in de Commissie voor
Volkshuisvesting enz. nog de gelden ingevolge de Wet op de Bejaardenoorden
(WBO) zijn genoemd, maar die kunnen zeker niet worden ingezet. Ik heb dat
nagevraagd in Den Haag en ik kreeg als antwoord dat dit een rijksuitkering
is die is geoormerkt voor intramurale voorzieningen, dus voor
verzorgingstehuizen. Het inzetten van deze gelden voor een ander doel zal
enorme problemen opleveren. De conclusie is, dat hetgeen de Raad wenst,
niet kan lopen via de Commissie voor Zorg enz.
 
De discussie wordt gesloten.
 
Aan de orde is de stemming over de ingediende amendementen, eerst
amendement nr. 307.
 
De heer BIJLSMA (stemmotivering): In de commissie van advies heeft mijn
fractie heel duidelijk gezegd, dat zij het buitengewoon onverstandig zou
vinden als dit amendement zou worden aangenomen, omdat daardoor het
draagvlak voor de stadsvernieuwing in met name de binnenstad onderuit zal
worden gehaald; mensen uit de stad laten zich niet " verstadsvernieuwen".
De heer VAN BOMMEL: Ik stem tegen het amendement nr. 307, omdat de derde
overweging duidelijk maakt, dat de fractie van D66 niet van mening is, dat
stadsvernieuwingsurgenten beneden modaal ook een nieuwbouwwoning moeten
kunnen betrekken. Ik ben van mening, dat dit wel het geval moet kunnen
zijn.
 
Het amendement-Oranje (nr. 307) wordt bij zitten en opstaan verworpen.
 
De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige
raadsleden de leden mevr. Alkema, Bakker, Bouma, Cornelissen, mevr. Van der
Giessen, Goedhart, Ten Have, Hooijmaijers, Houterman, mevr. De Jong, mevr.
Krikke, Niamut, Oranje, Peer, mevr. Peters, Robbers, Van Sitteren, mevr.
Spier-van der Woude en Spit zich voor het amendement hebben verklaard.
 
Aan de orde is de stemming over het amendement-Oranje (nr. 309).
 
De heer VAN BOMMEL (stemmotivering): Ik stem tegen dit amendement omdat
ik van mening ben, dat er geen noodzaak is om huurwoningen om te zetten in
koopwoningen; er is een ruime vraag naar huurwoningen.
 
Het amendement-Oranje (nr. 309) wordt bij zitten en opstaan aangenomen.
 
De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige
raadsleden Van der Aa, mevr. Agtsteribbe, Balai, Van Bommel, Bijlsma,
Cherribi, mevr. Grewel, mevr. Ter Horst, mevr. Hoogland, mevr. Irik, Van
der Laan, Levie, Meijer, Stadig en Yalin zich tegen het amendement hebben
verklaard.
 
Aan de orde is de stemming over de voordracht (nr. 258), zoals gewijzigd
door aanneming van het amendement nr. 309.
 
Mevr. PRINCEN (stemmotivering): De fractie van GroenLinks kan instemmen
met de voordracht, met uitzondering van de punten XIII, lid c, en XXX.
De heer VAN BOMMEL: Ik kan instemmen met de voordracht, met uitzondering
van punt XXX inzake het afschaffen van het anti-speculatiebeding sociale
koopwoningen. Het heeft wat mij betreft voor een deel wel zijn werking
verloren, maar zeker niet zijn doel.
 
De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 1025 van
afd. 1 van het Gemeenteblad, met inachtneming van de door mevr. Princen
namens de fractie van GroenLinks en de door de heer Van Bommel gevraagde
aantekeningen.
 
28
Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 3 mei 1995 tot
effectuering van het raadsbesluit inzake het Science Center (Gemeenteblad
afd. 1, nr. 260, blz. 1048).
 
De heer BALAI: Mijnheer de Voorzitter. Wij hebben hier op 22 februari
1995 uitgebreid over het Science Center gesproken. De PvdA-fractie heeft
toen veel twijfel geuit en er zijn verschillende moties ingediend. Wij
gingen ervan uit, dat de zaak was afgedekt; ook wethouder Peer ging daarvan
uit. Volgens het verslag van die vergadering zegt wethouder Peer: "Ik heb
er het volste vertrouwen in dat er op 31 maart 1995 een sluitende begroting
ligt." Mijn fractie was onaangenaam verrast toen bleek, dat er toch nog een
gat van 6,1 miljoen gulden in de begroting was ontstaan. Dat bedrag werd
gedekt door een aantal bijdragen, onder andere van de gemeente Amsterdam.
Naar aanleiding van het rapport van het Bureau Coopers & Lybrand
Management Consultants heb ik in de commissie vragen gesteld die intussen
zijn beantwoord, waarvoor mijn dank. E‚n antwoord is echter niet helder en
dat betreft de vergoeding van de verhuiskosten van Ÿ 250.000 per maand. Het
College stelt: "Wij zullen ons beraden over de mogelijkheid, de
huisvestingssubsidie voor het NINT door te laten lopen tot het moment van
vertrek van het NINT uit de Tolstraat." Wat wordt hiermee precies bedoeld?
Betekent dit, dat er op termijn weer sprake is van een tekort? Wij hebben
al eerder moties ingediend met als strekking dat 25 miljoen gulden de grens
is en dat er geen exploitatiebijdragen zouden worden gegeven; dan klinkt
het raar om nu weer te roepen dat het de laatste keer is dat het College
bij ons kan aankloppen. Ik verwacht hierop een reactie van het College.
De gemeente Amsterdam krijgt 250 mý om zelf in te vullen. Het College
zegt, dat het zal kijken of er misschien derden zijn om het desbetreffende
bedrag te dekken.
(De heer NIAMUT: U zei zojuist, dat dit de laatste keer is dat het
College bij ons kan aankloppen. Geeft u hiermee al impliciet te
kennen, dat u de aangenomen motie met betrekking tot het bedrag van
25 miljoen gulden voor de bouwkosten een gepasseerd station acht?)
Dat is niet het geval; de wethouder moet hierop maar antwoorden. Ik ga
ervan uit, dat het nu geconstateerde tekort het gevolg is van vertraging in
de voortgang en dat het geen tekort is in de bouwkosten. Men moet de motie
er maar op nalezen.
(De heer NIAMUT: Ik constateer dat u een redengeving bedenkt die niet
re‰el is. U moet dan niet vragen om taalkundig de motie erop na te
lezen. Dat is onjuist.)
U zou dan het verslag erop moeten nalezen.
(De heer NIAMUT: Ik constateer alleen, dat de PvdA-fractie de bocht
zoekt om er doorheen te komen.)
Ik wijs er overigens op, dat ik mijn betoog nog niet heb afgerond.
Ik kom terug op mijn vraag, hoe het College denkt die 250 mý in te
vullen. Het College stelde, dat die ruimte wellicht een culturele
bestemming, conform het programakkoord, zou krijgen, maar dat de bestemming
misschien ook in de sfeer van de werkgelegenheid moet worden gezocht. Het
is voor mij niet duidelijk wat het College nu precies gaat doen.
Het Science Center is tot op heden niet in staat geweest, zijn deel van
het tekort van Ÿ 6.098.000, te weten 1,6 miljoen gulden, te dekken. Was het
misschien niet beter geweest om te wachten tot het Science Center zijn deel
van het tekort bij elkaar zou hebben geschraapt, vervolgens de stand van
zaken mede te delen Ä iedereen heeft een deel van het tekort gedekt Ä en de
Raad dan te vragen of het besluit van 22 februari 1995 kan worden
ge‰ffectueerd?
In het verslag van de vorige vergadering staat, dat in de definitieve
besluitvorming met betrekking tot het NINT Ä ik neem aan dat dit nu het
geval is Ä zal worden opgenomen, dat eventuele winst terugvloeit naar de
gemeente. In de onderhavige voordracht zie ik daarvan niets terug. Er zijn
dan twee mogelijkheden. Of wij hebben het hier niet over de definitieve
besluitvorming en het College zal op een bepaald moment opnieuw met een
verzoek om geld komen, of Ä ik hoop dat dit niet het geval is Ä het College
gelooft er zelf niet meer in en denkt dat er geen winst te halen is. Laten
wij die passage dan maar niet opnemen. Mijn fractie gaat er nog steeds
vanuit dat het een goed plan is. Het zou jammer zijn als het College er
geen geloof meer in heeft.
De heer K™HLER: Mijnheer de Voorzitter. Er vindt nu plaats waarvoor wij
al bang waren. De Raad kan zeggen dat een goed project moet doorgaan, dat
er meer geld bij moet en kan allerlei moties aannemen, maar als men eenmaal
in die fuik is gezwommen, komt men er niet meer uit en dan zal het
bedrag steeds toenemen. Wij hebben dat de vorige keer voorspeld en wij
betreuren het dat wij in dit geval gelijk krijgen. Er moet nu weer circa
1,5 miljoen gulden extra bij uit de gemeentekas. Het College schrijft dan
wel optimistisch, dat zal worden getracht dat bedrag bij het rijk te halen,
maar dat lijkt mij wat raar. Er is al 4,5 miljoen gulden van het tekort van
6 miljoen gulden bij het rijk gehaald onder de toezegging dat Amsterdam
1,5 miljoen gulden bijlegt. Als men dan naar het rijk gaat en vraagt, of
 
men die 1,5 miljoen gulden ook nog kan krijgen, geef ik dat verzoek weinig
kans. Men kan het natuurlijk proberen, maar vooralsnog vraagt het College
om zelf 1,5 miljoen gulden beschikbaar te stellen, nog zonder dat er een
dekking wordt aangegeven. Daarover moeten wij dan later maar nadere
gegevens krijgen. Het ging ons al te ver, niet omdat het geen goed doel is,
maar wel omdat het een bodemloze put dreigt te worden.
Een detailvraagje misschien, maar wel illustratief: lees ik het nu goed,
dat wij, omdat het NINT eerder sluit dan dat het Science Center in
exploitatie komt, ook nog eens een bedrag van Ÿ 250.000 per jaar voor de
overbruggingsperiode, bovenop de kleine 50 miljoen gulden, gaan betalen? Zo
ja, bevestigt dit dan niet de stelling dat wij hier steeds meer geld zullen
moeten bijleggen op de kosten - het maakt dan natuurlijk niet uit of dat nu
bouwkosten of inrichtingskosten - en uiteindelijk ook op de exploitatie?
De heer VAN BOMMEL: Mijnheer de Voorzitter. Wij gaan maar door met het
Science Center ondanks de vele onzekerheden. Er wordt nu een krediet van
1,5 miljoen gulden extra gevraagd, ondanks onzekerheid over de nieuwe
sponsors en ondanks, zo blijkt ook uit de rapportage van Coopers & Lybrand,
onzekerheid rond de oude sponsors. Van sommige sponsors zijn geen
definitieve contracten aangetroffen; dat is een onzekerheid. Er is ook
onzekerheid omdat door de opening in 1996 sommige sponsors misschien
helemaal geen geld willen geven aanzien in de contracten is opgenomen, dat
het gaat om opening in 1995. Voor het krediet van 1,5 miljoen gulden geldt:
misschien van het rijk, misschien uit de gemeentekas. Er is sprake van
dekking uit vage potjes, door D66 op andere punten niet gewenst, hier
kennelijk wel. Ik ga daar niet mee akkoord.
Aan het krediet voor het Science Center zit een belangrijke ontbindende
voorwaarde, namelijk dat de financiering rond zou zijn. Naar mijn mening
was het toen al een probleem; wij kunnen niet eeuwig doorgaan met het
Science Center en wat mij betreft zouden wij vandaag het teken "no go" ;
moeten geven.
De heer NIAMUT: Mijnheer de Voorzitter. Wij hebben op 22 februari 1995
de voordracht inzake de totstandkoming van het Science Center besproken. Er
was sprake van een zeer goed debat. Met name door de collegewoordvoerders
is heel nadrukkelijk aangegeven, dat er piketpaaltjes waren geslagen. Nu
blijkt - ik kijk dan richting PvdA-fractie - dat er twee maanden na dat
debat op een gigantische manier over die paaltjes heen wordt gelopen. Ik
vraag mij af, in hoeverre de PvdA-fractie haar moties en stoere taal in de
Raad serieus neemt; dit geldt ook voor de overige collegepartijen.
Zoals voorspeld, komt het College weer bij ons terug. Was het dan niet
beter geweest, zoals wij toen in onze eerste bijdrage opmerkten, gewoon
rustig af te wachten? Neen, bij monde van wethouder Peer werd toen vrij
breedsprakig geantwoord, dat het wel voor elkaar zou komen: 25 miljoen
gulden en niet meer. Dat blijkt wel enige grootspraak te zijn geweest, mede
gezien de benadering die nu weer aan ons is voorgelegd. Ik zal de vraag die
de heer Balai namens de PvdA heeft gesteld, hier nadrukkelijk herhalen. Is
het niet beter, rustig af te wachten en dan met een goed doortimmerd
voorstel naar de Raad te komen, zodat er daadwerkelijke besluitvorming kan
plaatsvinden en wij van deze behandeling geen komedie maken? De stad
Amsterdam heeft al genoeg aan een roestbak van oud-wethouder Jonker; wij
willen nu ook niet nog eens met het beton van wethouder Peer blijven
zitten.
De heer ORANJE: Mijnheer de Voorzitter. Voor D66 is de tijd van
vragenstellen voorbij; het is nu tijd om keuzen te maken. Wij moeten
daarbij twee zaken onderscheiden, namelijk de bouw en de exploitatie.
Wat de bouw betreft zijn wij zeer verheugd, dat alle participanten
uiteindelijk het laatst resterende gat hebben gedicht. Daarmee is ook een
aanzienlijk aantal nieuwe arbeidsplaatsen veiliggesteld. Wij zouden een
heel slecht figuur slaan als, nu iedereen tot het uiterste gaat, wij
afhaken.
De exploitatie is een ander verhaal. Daarin zitten grote risico's. D66
ziet dat ook, maar wij nemen dat grote risico, ook in het besef dat, als
het mis mocht gaan, daar dan nog altijd een prachtig gebouw staat, dat voor
relatief weinig geld ter beschikking van de gemeente komt en waar vele
functies denkbaar zijn.
De heer BOUMA: Mijnheer de Voorzitter. Als het Science Center aan het IJ
wordt gerealiseerd, zou er naar mijn oprechte mening sprake zijn van een
pareltje aan het IJ. Ziet de wethouder voor Ruimtelijke Ordening het
Science Center ook niet als een trekker voor dat hele gebied? Vanuit die
redenering zou het verstandig zijn om telkens als zich een tegenvaller
voordoet, te kijken in hoeverre de verschillende partijen erin kunnen
bijdragen om toch het Science Center te realiseren. In dit geval wordt er
niet alleen door de gemeente een extra bijdrage van 1,5 miljoen gulden
geleverd, maar ook het Ministerie van Economische Zaken komt over de brug;
ook de Stichting Nationaal Centrum voor Wetenschap en Technologie (NCWT)
zal zelf een bijdrage leveren.
In het kader van de werkgelegenheid is het zeer belangrijk, het Science
Center te realiseren.
De vraag is, of de Gemeenteraad geblinddoekt de verkeersweg oversteekt,
of dat er eerst links en dan rechts wordt gekeken naar de risico's die wij
lopen. De inschatting van de VVD is, dat wij risico's lopen omdat wij wel
degelijk een drukke verkeersweg oversteken, maar dat wij eerst wel goed
links en rechts hebben gekeken en dat wij een aardige inschatting hebben
kunnen maken van de risico's die wij lopen. Dit wil echter niet zeggen dat
er nooit meer tegenvallers zullen komen. De bouwkosten blijven echter,
zoals het er nu uitziet, binnen het budget en wij verwachten ook, dat in de
toekomst de uitvoering van het Science Center binnen het budget zal
blijven.
Wethouder PEER: Mijnheer de Voorzitter. Mijn beantwoording zal kort
zijn, niet alleen vanwege de spreektijd, maar ook door de opmerking van de
heer Niamut, overigens de enige terechte opmerking die hij heeft gemaakt,
namelijk dat wij over dit onderwerp al een goed debat hebben gehad. Ik
vind, dat alle kaarten min of meer zijn geschud en het is zo dat ik een
vorm van bestuurlijke ongehoorzaamheid heb gepleegd door toch een voorstel
te doen, ondanks dat ik ervan op de hoogte was dat er sinds de
raadsvergadering van 22 februari 1995 bepaalde duidelijke afspraken waren
gemaakt. Ik heb het voorstel gedaan, omdat ik meen dat er sprake is van een
nieuw feit, niet alleen ten aanzien van de hoogte van het tekort, maar
zeker ook omdat er andere partijen zijn geweest die een extra inspanning
wilden doen voor, zoals de heer Bouma het noemde, een parel aan het IJ. Als
wij dan toch in dit soort vergelijkingen bezig zijn, is het op moment
natuurlijk nog geen parel, maar evenmin beton. Ik denk dat men het eerder
kan vergelijken met de schelp waaruit de parel tevoorschijn komt.
Is het een kans die wij grijpen waarmee wij al of niet aanvaardbare
risico's lopen? Die vraag moet ieder raadslid voor zichzelf beantwoorden.
Het College meent, dat er grote, maar aanvaardbare risico's worden gelopen
voor de prijs die wij uiteindelijk kunnen binnenhalen. Het gaat om een
beeldbepalend element, het is een toeristische attractie, maar het gaat
zeker ook om het stimuleren van en het bijbrengen van bepaalde vormen van
techniek bij jongere mensen in de regio Amsterdam, met een uitstraling naar
heel Nederland. Als men deze kansen bij elkaar neemt, als men kijkt naar de
risico's die er nog zijn en welke partijen bereid zijn, fors in de buidel
te tasten om mee te doen om zoiets in Amsterdam te realiseren, vind ik, dat
de gemeente daarin ook heel ver moet gaan. Wij hebben wel een limiet hebben
bereikt, maar geen limiet overschreden.
De leden Balai en K”hler hebben gesproken over de verhuiskosten van
Ÿ 250.000 per jaar. Dit bedrag bestaat uit de subsidie die wij op dit
moment verstrekken aan het NINT, gevestigd in de Tolstraat. Als het gebouw
aan de Prins Hendrikkade gereed is, kan het nog niet worden geopend omdat
er nog moet worden verhuisd; tot aan de opening zal er nog moeten worden
doorgegaan met subsidi‰ring. Dat komt echter niet bovenop het tekort van de
6,1 miljoen gulden. Het tekort neemt derhalve niet toe.
Met betrekking tot de invulling van een ruimte van 250 mý in het gebouw
deel ik u mede, dat het College nog geen besluit heeft genomen, of wij al
dan niet gebruik gaan maken van het aanbod om die ruimte te accepteren. Ik
wijs erop, dat het een kale ruimte is, waarmee vervolgens iets moet worden
gedaan. Daaraan zijn natuurlijk weer lasten verbonden en het gaat er nu
juist om, of de gemeente partij is in de zin van bijvoorbeeld een huurder
of iemand die iets wil laten zien, en of zij daaraan vervolgens wil
meedoen. Het gaat erom of de tegenprestatie die wij krijgen ons geld kost
en, zo ja, of wij dan vinden dat dit bijvoorbeeld via de portefeuille
Cultuur moet worden ingezet. Het is een museum en wij hebben toch
museumruimte nodig. Het zou ook uit de portefeuille Werkgelegenheid kunnen
komen. Wij weten nog niet of wij die ruimte willen hebben, maar als dat wel
het geval is, krijgt de Raad daaromtrent nog een degelijk voorstel.
De vraag is gesteld, of het niet beter was geweest, eerst te wachten tot
het NINT met 1,6 miljoen gulden zou komen en dan wij pas 4,5 miljoen gulden
zouden inzetten. Ik wijs erop, dat het moment van wachten is gepasseerd.
Als wij nu besluiten, niet over te gaan tot het bouwrijp maken, om
vervolgens de bouw te kunnen starten door het NINT, lopen wij niet alleen
de tijd mis die wij nu wachten, maar ook extra tijd, omdat Sail'96 voor de
deur staat. Door allerlei technische problemen loopt dan de bouw van het
gebouw extra uit. De reeds bestaande organisatieopzet kost nu al ruim
Ÿ 350.000 per maand. De eventuele totstandkoming van het Science Center
zal, als wij nu extra wachten, worden belast met circa Ÿ 400.000 per maand.
Dat zou ik niet voor mijn rekening willen nemen en ik weet dat de Raad dat
ook niet wil; het zal van uitstel tot uitstel leiden. Misschien is dat de
weg van de Raad, maar niet die van het College.
Er is een vraag gesteld over het terugvloeien van winst naar de
gemeente. De belangrijkste reden om dit niet in de voordracht op te nemen
is, dat de gemeente daarover met de partners geen afspraken heeft gemaakt.
De andere partners zouden het als onterecht beschouwen als wij bepaalde
aanvullende eisen ter tafel zouden brengen. Wij hebben bijvoorbeeld al
gemerkt, dat er wat vreemd wordt gekeken naar het feit dat 250 mý van de
ruimte voor de gemeente Amsterdam beschikbaar is. Er wordt van uitgegaan,
dat het geld dat deze stichting eventueel verdient, zal worden gebruikt om
het Science Center zo goed mogelijk te laten functioneren.
De heer BALAI: Mijnheer de Voorzitter. De wethouder maakt het door zijn
manier van beantwoorden voor de PvdA-fractie moeilijk, onze steun aan deze
voordracht te geven. Als er wordt gezegd, dat er een nieuw feit is en dat
nieuwe feit eruit bestaat, dat anderen geld bijdragen in het gat dat is
ontstaan en dat wij op grond van dat nieuwe feit moeten meedoen, vinden wij
dat wel mager.
Met betrekking tot het terugvloeien van de winst naar de gemeente wijs
ik erop, dat dit zo in het verslag van de vergadering van destijds staat.
De wethouder heeft toegezegd, dat dit zou worden opgenomen in de
definitieve besluitvorming. Als de wethouder nu zegt, dat dit achteraf
bekeken niet zo verstandig is geweest, verzoek ik hem, dergelijke
uitspraken niet te doen, omdat wij elkaar daardoor in een vreemde positie
brengen in deze discussie.
Het College heeft inzake de 250 mý ruimte nog niet beslist, of het
daarmee iets gaat doen. Hiervoor geldt ook mijn vorige opmerking. Men moet
dat niet op die manier voorleggen. Ik ga ervan uit, dat het College
probeert, daaraan invulling te geven.
Ik weet niet, wat de CDA-fractie precies bedoelt met de roestbak van
oud-wethouder Jonker, maar het lijkt mij, dat het CDA in die periode
daaraan dan ook heeft meegewerkt. Ik vind het niet passen als nu achteraf
de schuld bij de heer Jonker wordt gelegd; dat is niet erg sportief.
De heer K™HLER: Mijnheer de Voorzitter. Als ik wethouder Peer over dit
onderwerp hoor spreken, denk ik steeds dat men van deze wethouder desnoods
nog een tweedehands auto zou kopen, maar dan toch niet voor 1,5 miljoen
gulden. Dat is nu juist het probleem. Hij zegt, dat de limiet niet wordt
overschreden en dat klopt natuurlijk, want als men steeds de limiet
verhoogt, blijft men er vervolgens keurig onder, maar dat is juist waarvoor
wij passen.
De heer VAN BOMMEL: Mijnheer de Voorzitter. In aansluiting op de woorden
van de heer K”hler wijs ik erop, dat steeds termijnen zijn uitgesteld en nu
wordt de bijdrage van de gemeente verhoogd. Ik sluit niet uit, dat wij
uiteindelijk ook nog een bijdrage zullen moeten leveren in de exploitatie.
Partners in de markt zouden op dit punt al lang hebben afgehaakt of zullen
dat anders vandaag wel doen. Op deze manier blijft het beeld van de
ondoelmatige overheid bestaan. Ik vind het verbazingwekkend, dat met name
de VVD-wethouder daaraan zijn goedkeuring verleent en dit aan ons voorlegt.
Ik kan niet anders dan tegen deze voordracht stemmen.
De heer NIAMUT: Mijnheer de Voorzitter. Het College stelt, alles
afwegende, dat er sprake is van een aanvaardbaar financieel risico. Wat
ziet de wethouder als het laatste moment waarop hij voor het Science Center
bij ons komt aankloppen om ten behoeve van dit project financi‰n te
fourneren? Wij hebben eerst een piketpaaltje van 25 miljoen gulden gehad en
nu komt er weer 1,5 miljoen gulden bij. Durft de wethouder aan te geven dat
dit het laatste is?
Als ik spreek over de roestbak van oud-wethouder Jonker, spreek ik mij
niet uit over de schuldvraag, maar gebruik ik een benaming ten aanzien van
de wethouder die daarvoor verantwoordelijk was, zoals ik ook de term "het
beton van wethouder Peer" heb gebruikt. Ik bedoelde het metaforisch.
(Wethouder PEER: Daarmee impliceert u wel een schuldvraag en samen
met de heer Balai heb ik daartegen grote bezwaren. De Raad is
verantwoordelijk voor bepaalde zaken. U kunt het College
verantwoordelijk stellen voor bepaalde voorstellen, maar als u in dit
kader over de roestbak van mijn voorganger spreekt, dan neem ik het
op voor mijn voorganger. De Raad heeft er zelf op aangedrongen.)
Dat is uw interpretatie; mijn interpretatie is een andere, zo ook mijn
intentie. Ik herhaal mijn vraag aan de wethouder, namelijk in hoeverre hij
kan aangeven dat dit het laatste deel met betrekking tot het Science Center
is geweest. Als de wethouder kan aangeven dat dit ook inderdaad het laatste
deel is geweest, heeft hij onze zegen.
De heer VAN DUIJN: Mijnheer de Voorzitter. Het lijkt mij, dat dit echt
een project is voor het bedrijfsleven. Dat heeft er belang bij en daarom
moeten ook de sponsors in die sfeer worden gezocht. Zoek het in de
commerci‰le sponsors en haal in dit opzicht niet de gemeente het vel over
de neus.
Wethouder PEER: Mijnheer de Voorzitter. Wat deze laatste opmerking
betreft merkt ik op, dat, als de heer Van Duijn het extra voorstel zou
hebben gelezen, hij had kunnen zien, dat wordt voorgesteld om van de 6,1
miljoen gulden 1,5 miljoen gulden uit de gemeentebegroting te dekken. De
gemeente wordt derhalve niet het vel over de neus gehaald. Ook wat betreft
de financiering van het totale project kan men zien, dat de gemeente zeker
niet de grootste geldschieter is. Het geld dat wij er instoppen, komt nog
voor een groot deel rechtstreeks van het rijk in het kader van een
werkgelegenheidsimpuls, speciaal bedoeld voor dit project. Het is geld dat
wij niet kunnen uitgeven als het project niet doorgaat.
(De heer VAN DUIJN: Ik heb het over het bedrijfsleven.)
Ik wijs erop, dat het bedrijfsleven in dit project ook fors meedoet.
(De heer VAN DUIJN: Maar niet zo fors als ik zou willen.)
Aan het adres van de heer Balai merk ik nog op, dat ik al heb gezegd dat
het College het NINT tot 31 maart de tijd zou geven om het tekort te
dekken. Het NINT heeft daaraan tot op vrij grote hoogte kunnen voldoen door
het voorstel dat het heeft gedaan en met de partners die het heeft kunnen
vinden. Het heeft echter ook aan ons een extra bijdrage van 1,5 miljoen
gulden gevraagd. Ik vond dat een voldoende nieuw feit om de Raad voor te
stellen, gelet op de extra inspanningen die voor het grootste deel bij
andere partijen werden gehaald en gezien de belangen die er voor de
gemeente Amsterdam zijn, met deze voordracht akkoord te gaan.
Het feit dat andere partijen op macro-economisch, dus op landelijk
niveau, het zo belangrijk vinden dat er zoveel geld inkomt, geeft naar mijn
mening aan, dat het over de gemeentegrens van Amsterdam heen gaat en dat is
nu juist het internationale, maar zeker ook het nationale karakter dat
Amsterdam als hoofdstad heeft. Als men mij dan vraagt, of ten aanzien van
een specifiek punt van Amsterdam, voor een specifieke ontwikkeling van een
specifiek gebouw, de limiet is bereikt, kan ik, gehoord de Raad niet anders
zeggen dan dat die limiet absoluut is bereikt. Ik begrijp, dat die limiet
voor de meeste raadsleden twee maanden geleden al was bereikt, maar die is
nu helemaal bereikt. Ik zal geen priv‚-mening geven, maar naar de mening
van het College komen, als men geen risico's wil lopen, dergelijke
projecten niet van de grond. Het College zal zeker geen extra geld meer
vragen.
Met betrekking tot de opmerking over de ondoelmatigheid van de overheid
en het verband dat daarmee wordt gelegd met een VVD-wethouder wijs ik erop,
dat het hier niet gaat om een project dat winst moet opleveren. De gemeente
laat in een openbare raadsvergadering altijd het achterste van de tong
zien. Ik wil hier best uitspreken, dat het besluit dat wij in maart 1995
hebben genomen voor een deel van de Raad - het College is daarvan zeker
onderdeel - een laatste vingerwijzing was van: pas op, het project vindt
geen doorgang als er niet wat extra's zou gebeuren aan de kant van de
initiatiefnemers. Die hebben iets extra's gedaan. Er was toen sprake van
een onderhandelingspositie en sommige raadsleden vonden kennelijk, dat het
de limiet was, hetgeen ook in moties is vastgelegd; andere raadsleden
meenden daarentegen, dat dit juist was om ervoor te zorgen dat de anderen
een stap harder zouden gaan lopen om het project van de grond te krijgen.
In die onderhandelingstactiek zal de ‚‚n kunnen worden betiteld als een
verkoper van tweedehands auto's en de ander als degene die niet weet hoe
hij met het bedrijfsleven moet omgaan om extra bedragen binnen te halen.
Als de raadsleden akkoord gaan met deze voordracht vind ik, dat men elkaar
daarmee kan feliciteren.
 
De discussie wordt gesloten.
 
Aan de orde is de stemming over de voordracht (nr. 260).
 
De heer NIAMUT (stemmotivering): De CDA-fractie neemt genoegen met de
terminologie die de wethouder heeft gebezigd. Het is het absolute maximum
en wij menen daarom dat er geen overschrijding plaatsvindt. Wij steunen de
voordracht.
 
De voordracht wordt goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit,
vermeld op blz. 1051 van afd. 1 van het Gemeenteblad.
 
De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige
raadsleden de leden Van Bommel, Van Duijn, Hulsman, K”hler, mevr. Princen
en mevr. Schutte zich tegen de voordracht hebben verklaard.
 
De vergadering wordt om 17.25 uur gesloten.