Bron:   Raad
Type dokument:  Notulen
Titel:
   Raadsvergadering 05-04-95
Datum publikatie:       19950405
Datum Raad:     19950405


               OPENBARE VERGADERING OP WOENSDAG 5 APRIL 1995.

    Aanwezig: de leden Van der Aa (PvdA), mevr. Agtsteribbe (PvdA), mevr.
Alkema (D66), Bakker (D66), Balai (PvdA), Van Bommel (SP), Bouma (VVD),
Bijlsma (PvdA), Cherribi (PvdA), Dalkiran (GroenLinks), Van Duijn (De
Groenen), Enthoven (CD), FortunE (CD), mevr. Van der Giessen (D66),
Goedhart (CDA), De Grave (VVD), mevr. Grewel (PvdA), Ten Have (D66),
Holvast (GroenLinks), mevr. Hoogland (PvdA), mevr. Ter Horst (PvdA),
Houterman (VVD), Hulsman (GroenLinks), mevr. Irik (PvdA), K-ohler
(GroenLinks), mevr. Krikke (VVD), Van der Laan (PvdA), Levie (PvdA), Meijer
(PvdA), Niamut (CDA), Oranje (D66), Peer (VVD), mevr. Peters (VVD), mevr.
Princen (GroenLinks), Robbers (D66), mevr. Schutte (GroenLinks), Van
Sitteren (CD), mevr. Spier-van der Woude (VVD), Spit (CDA), Stadig (PvdA)
en Yalin (PvdA).

   Afwezig: de leden Cornelissen (D66), Graman (Onafh.), Hooijmaijers (VVD)
en mevr. De Jong (D66).

                   Middagzitting op woensdag 5 april 1995.

   Voorzitter: mr. S. Patijn, burgemeester.

   Secretaris: mevr. drs. M. Sint.

   De vergadering wordt om 13 uur geopend.

   De VOORZITTER: Ik deel u mede, dat de vergadering één dagdeel zal
beslaan.
   Voorts deel ik u mede, dat wethouder Bakker later ter vergadering zal
komen.

   Aan de orde is de agenda:

   1
   Notulen van de raadsvergaderingen op 22 februari 1995 en 22 maart 1995.

   De notulen van de vergadering, gehouden op 22 februari 1995, worden
ongewijzigd goedgekeurd.

   De goedkeuring van de notulen van de vergadering, gehouden op 22 maart
1995, wordt aangehouden.

   2
   Mededeling van de ingekomen stukken.

1ø   Adres van 7 maart 1995 van S.A. Merkus inzake een klacht omtrent een
politieoptreden.

   Besloten wordt, dit adres in handen van Burgemeester en Wethouders te
stellen ter afdoening.

2ø   Adres van 15 maart 1995 van A.L. Wiggers, namens de Ondernemingsraad
Cargill BV, inzake het bestemmingsplan IJ-oevers in relatie tot de
voorgenomen woningbouw in de Houthavens.

   Besloten wordt, dit adres in handen van Burgemeester en Wethouders te
stellen ter afdoening.

3ø   Adres van 20 maart 1995 van T. Eernstman en H.J.A. Schr-oder, namens de
Vereniging Beethovenstraat/Parnassusweg, inzake de uitbreiding van de
luchthaven Schiphol in relatie tot het leefmilieu in Amsterdam-Zuid.

   Burgemeester en Wethouders stellen voor, dit adres in hun handen te
stellen ter afdoening.

   Mevr. PRINCEN: Ik stel voor, een afschrift van het antwoord te zenden
aan de Commissie voor Verkeer enz.
   Wethouder PEER (waarnemend wethouder voor Milieu): Er komt voor het
zomerreces in de Commissie voor Economische zaken enz. een behandeling van
de planologische kernbeslissing. Het lijkt mij dan verstandig, dat de
Commissie voor Verkeer enz. daarvan een verslag krijgt.
   De VOORZITTER: De commissie krijgt ook een afschrift van het antwoord.

   Zonder hoofdelijke stemming wordt besloten, het adres in handen van
Burgemeester en Wethouders te stellen ter afdoening. Van de wijze van
afdoening zal mededeling worden gedaan aan de Commissie voor Verkeer,
Milieu, Cultuur en Monumentenzorg.

4ø   Adres, ontvangen op 22 maart 1995, van H.C. Dirks inzake het stedelijk
rioolstelsel.

   Besloten wordt, dit adres in handen van Burgemeester en Wethouders te
stellen teneinde het te betrekken bij de door hen in te dienen voorstellen
ter zake.

5ø   Adres van 21 maart 1995 van R. van de Velde, namens de Frederik van
Eeden Stichting, inzake een statutenwijziging waarbij de bevoegdheid van de
Gemeenteraad een lid van de raad van toezicht te benoemen is vervallen.

   Dit adres wordt voor kennisgeving aangenomen.

6ø   Adres van 20 maart 1995 van H. Brandse, namens de Werkgroep
Stadsontwikkeling Oostelijke Binnenstad, inzake de herbestemming van het
Stork-terrein op Oostenburg.

   Besloten wordt, dit adres in handen van Burgemeester en Wethouders te
stellen ter afdoening na behandeling in de Commissie voor Volkshuisvesting,
Stadsvernieuwing, Ruimtelijke Ordening en Grondzaken.

7ø   Adres van 27 maart 1995 van J.C. Hageman, namens de Vereniging
Stadsvervoerbelang, inzake de ontsluiting van de Middelveldsche Akerpolder
(MAP).

   Besloten wordt, dit adres in handen van Burgemeester en Wethouders te
stellen teneinde het te betrekken bij de door hen in te dienen voorstellen
ter zake.

8ø   Adres van 23 maart 1995 van J. de Gelder, ondersteund door diverse
anderen, inzake het voortbestaan van de theatergroep Munganga.

   Besloten wordt, deze adressen in handen van Burgemeester en Wethouders
te stellen ter afdoening.

9ø   Adres van 28 maart 1995 van M.J. van der Oord-Remmert inzake het
opdelen van Amsterdam in een aantal deelgemeenten.

   Besloten wordt, dit adres in handen van Burgemeester en Wethouders te
stellen ter afdoening.

10ø   Adres ontvangen op 29 maart 1995 van C.W. Sneijders, namens de
Bewonersraad Uilenburg, inzake parkeerproblematiek in relatie tot de
toekomstige herprofilering.

   Besloten wordt, dit adres in handen van Burgemeester en Wethouders te
stellen teneinde het te betrekken bij de door hen in te dienen voorstellen
ter zake.

11ø   Interpellatieaanvrage van 4 april 1995 van het raadslid Van Duijn
inzake de tekst van het ROA-referendum (Gemeenteblad afd. 1, nr. 213, blz.
717).

   De VOORZITTER: Ik wijs erop, dat het College het ComitE "Moet Amsterdam
Amsterdam blijven?" en wethouder mevr. Van der Giessen de Raad een brief
over hetzelfde onderwerp hebben gestuurd.

   De interpellatie wordt toegestaan. Besloten wordt, de interpellatie als
punt 2A toe te voegen aan de agenda van heden.

12ø   Adres van 3 april 1995 van B.A. Bles namens het ComitE "Moet
Amsterdam Amsterdam blijven?" inzake de toelichtende tekst op de
oproepkaart en het stembiljet ten behoeve van het referendum.

   Besloten wordt, dit adres te betrekken bij de interpellatie het raadslid
Van Duijn, punt 2A van de agenda.

13ø   Adres van 3 april 1995 van B.N. van Trigt namens de Noord-Zuid-
Hollandse Vervoersmaatschappij NV inzake een bovengronds busstation bij het
Centraal Station in relatie tot het uitvoeringsconvenant Vinex.

   Burgemeester en Wethouders stellen voor, dit adres te behandeling bij de
desbetreffende voordracht, punt 21 van de agenda.

   De VOORZITTER: Ik stel voor, thans eerst na te gaan, welke punten van de
agenda zonder discussie en hoofdelijke stemming kunnen worden afgedaan.

   Conform besloten.

   Punt 2A wordt even aangehouden.

   3
   Mededeling en, zo nodig, bespreking van de ontwikkelingen met betrekking
tot het Regionaal orgaan Amsterdam.

   Er zijn geen mededelingen.

   Punt 4 wordt even aangehouden

   5
   Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 23 maart 1995 tot huur van
kantoorruimte ten behoeve van het rayonkantoor Geuzenveld/Slotermeer van de
Gemeentelijke Sociale Dienst (Gemeenteblad afd. 1, nr. 183, blz. 671).

   De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 671 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.

   6
   Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 23 februari 1995 tot
renovatie van bank 2 van de Stads-Bank van Lening in de Leidsekruisstraat
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 182, blz. 669).

   De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 670 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.

   7
   Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 23 maart 1995 tot voor-
bereiding van de vernieuwing van diverse bruggen (Gemeenteblad afd. 1,
nr. 180, blz. 666).

   De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 667 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.

   8
   Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 23 maart 1995 tot
onttrekking aan het openbaar verkeer van een gedeelte van de Fosfaatweg
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 179, blz. 665).

   De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 665 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.

   9
   Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 23 maart 1995 tot
opheffing van de Dienst Stadsreiniging (Gemeenteblad afd. 1, nr. 174, blz.
645).

   De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 645 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.

   10
   Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 23 maart 1995 tot verkoop
van pont 23 en machtiging tot afstoting van de ponten 13, 15 en 24 van het
Gemeentevervoerbedrijf (Gemeenteblad afd. 1, nr. 181, blz. 667).

   De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 668 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.

   11
   Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 28 maart 1995 tot
onttrekking aan het openbaar verkeer van de steeg Klooster (Gemeenteblad
afd. 1, nr. 211, blz. 711).

   De heer VAN DUIJN: Ik verzoek om een korte behandeling van dit punt in
comitE-generaal.
   De heer HOUTERMAN: Naar de mening van mijn fractie zullen voorafgaand
aan het comitE-generaal de leden in het openbaar moeten verklaren dat zij
zich aan de geheimhouding van dat comitE-generaal zullen houden.
   De VOORZITTER: Zo is dat.
   De heer HOUTERMAN: Helaas is dat niet altijd de praktijk.
   Mevr. GREWEL: Wellicht kan aan het eind van het comitE-generaal de
raadsleden worden gemeld, dat zij zich aan de vertrouwelijkheid dienen te
houden.
   De VOORZITTER: Ik deel nu reeds mee, dat verschillende technische
maatregelen moeten worden genomen, alsmede het ontruimen van de raadzaal.
Ik stel voor, het comitE-generaal aan het eind van de vergadering te doen
plaatsvinden.

   Conform besloten.

   Punt 11 wordt even aangehouden.

   12
   Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 23 maart 1995 tot het
verlenen van een aanvullend krediet voor het invoeren van parkeerbeheer in
het noordelijke gedeelte van de Jordaan en het oostelijke gedeelte van de
binnenstad (Gemeenteblad afd. 1, nr. 193, blz. 693).

   De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 693 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.

   13
   Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 23 maart 1995 tot
realisering van nieuwbouw ter plaatse van de percelen Brouwersgracht
282-284, Baanbrugsteeg 20-24 en Vinkenstraat 175-179 (Gemeenteblad afd. 1,
nr. 189, blz. 679).

   De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 680 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.

   14
   Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 23 maart 1995 tot
voorbereiding van een parti-ele herziening van het bestemmingsplan
Plantagebuurt en Muiderpoortbuurt e.o. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 190, blz.
682).

   De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 682 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.

   Punt 15 wordt even aangehouden.

   16
   Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 23 maart 1995 tot
vaststelling van de verslagen 1993 en 1994 inzake de uitkering ingevolge
het Bijdragenbesluit Openbare Lichamen (BOL) Wet Milieubeheer (Gemeenteblad
afd. 1, nr. 177, blz. 661).

   De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 662 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.

   17
   Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 23 maart 1995 inzake de
kosten ten behoeve van de uitvoering van het eerste deel van het sanerings-
onderzoek fase II Oostergasfabriek (Gemeenteblad afd. 1, nr. 178, blz.
663).

   De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 664 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.

   Punt 18 wordt even aangehouden.

   19
   Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 23 maart 1995 tot
wijziging van de Huisvestingsverordening 1994 (Gemeenteblad afd. 1, nr.
188, blz. 677).

   De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 678 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.

   20
   Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 23 maart 1995 tot
aanpassing van de voorwaarden, verbonden aan de grondruil betreffende het
terrein Joan Muyskenweg/Van der Madeweg (Gemeenteblad afd. 1, nr. 192, blz.
687).

   De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 688 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.

   Punt 21 wordt even aangehouden.

   22
   Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 23 maart 1995 tot het
beschikbaar stellen van een aanvullend krediet voor het bouwrijp maken en
inrichten van de openbare ruimte van Nieuw Sloten (Gemeenteblad afd. 1, nr.
191, blz. 683).

   De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming
goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 687 van
afd. 1 van het Gemeenteblad.

   Aan de orde is thans:

   2A
   Interpellatie van het raadslid Van Duijn inzake de tekst van het ROA-
referendum (Gemeenteblad afd. 1, nr. 213, blz. 717).

   Hierbij komt tevens in behandeling:

   Adres van 3 april 1995 van B.A. Bles namens het ComitE "Moet Amsterdam
Amsterdam blijven?" inzake de toelichtende tekst op de oproepkaart en het
stembiljet ten behoeve van het referendum.

   De heer VAN DUIJN: Mijnheer de Voorzitter. Ik dank de Raad voor het
toestaan van de interpellatie.
   De geloofwaardigheid van het referendum over de provincie Amsterdam op
17 mei a.s. komt verder in gevaar. Een groot probleem is de ambtelijke
vraagstelling, die de tekst is van een raadsbesluit. Het is een soort test
of men die vraagstelling zou kunnen begrijpen. Daarom is besloten, op zowel
de oproepkaart als op het stembiljet een toelichting te plaatsen die wel
duidelijk maakt, ook aan oningewijden, waar het in dit referendum om gaat.
Over de formulering van deze toelichting heeft het College overleg gevoerd.
Dit heeft in maart 1995 geleid tot een akkoord over drie kernzinnen die aan
de kiezers toelichting moeten verschaffen. De eerste is: "De gemeenteraad
van Amsterdam heeft besloten om samen met omliggende gemeenten de provincie
Amsterdam te vormen."
   De tweede zin luidt: "Daartoe houdt de gemeente Amsterdam op te bestaan
en wordt ze in kleinere zelfstandige gemeenten opgesplitst."
   De laatste zin is: "In dit referendum kunt u voor of tegen dit besluit
stemmen."
   Het referendumcomitE "Moet Amsterdam Amsterdam blijven?" vond dit enige
verbetering - dat lijkt mij terecht - maar wat heeft het College gedaan? Op
15 maart 1995 deelde het aan het referendumcomitE mede, dat de tweede zin
was gewijzigd in: "Daartoe houdt de gemeente Amsterdam in de huidige vorm
op te bestaan." De woorden IN DE HUIDIGE VORM zijn ingelast en daarmee heb
ik problemen, want het is feitelijk en juridisch onjuist omdat, gezien de
heersende plannen, de gemeente gewoon ophoudt te bestaan. Het is misschien
dramatisch nieuws, maar het gaat niet aan, dat voor de kiezers te
verdoezelen.
   Omstreeks 17 maart 1995 werd medegedeeld, dat VOOR of TEGEN was
gewijzigd in EENS of ONEENS. Het lijkt mij, dat dit iets minder
duidelijkheid geeft aan de kiezers, want bij een referendum is juist
polarisatie tussen VOOR of TEGEN in het belang van het welslagen van het
referendum. Hoe duidelijker men de tegenstelling tussen de ene
vraagstelling en de andere vraagstelling laat blijken, hoe groter de kans
is dat men de voorkeur aan de een of andere stelling zou willen geven, nog
afgezien van het feit dat allochtone kringen zeggen, dat EENS of ONEENS
woorden zijn die zij niet zo vaak gebruiken.
   Op 20 maart 1995 is er opnieuw overleg geweest tussen het
referendumcomitE en dit keer de vertrouwenscommissie - de drie
fractievoorzitters van de collegepartijen - waar de klachten door het
referendumcomitE over het wijzigen van de woordkeuze zijn geuit. Het comitE
heeft nog eens de nadruk gelegd op de woorden EENS of ONEENS en gesteld
dat dit moeilijker te communiceren is dan JA of NEE, of VOOR of TEGEN. Men
kan bijvoorbeeld wel zeggen: "Stem JA voor de opheffing van Amsterdam",
maar het wordt een veel vager verhaal als men moet zeggen: "Stem EENS voor
de opheffing van Amsterdam." Dat gaat er niet in als koek; het is niet zo'n
wervende leuze.
   Op 20 maart 1995 is ook afgesproken, dat de verantwoordelijk wethouder
zou nagaan of in verband met het drukken van de oproepkaarten en de
stembiljetten de persen nog zouden kunnen worden gestopt en, als de stukken
al waren gedrukt, wat het dan kostte om die opnieuw te drukken. De volgende
dag zou er bericht komen van het Stadhuis, maar dat kwam niet. Het
referendumcomitE is toen zelf in actie gekomen en op 22 maart 1995 is er
nog eens een crisisberaad geweest tussen wethouder mevr. Van der Giessen en
het referendumcomitE. Het comitE kreeg toen van de wethouder te horen, dat
de kaarten al gedrukt zouden zijn en dat de kosten fl. 10.000 zouden bedragen
om die kaarten opnieuw te drukken, terwijl bovendien wettelijke termijnen
in gevaar zouden komen. Het comitE heeft toen gezegd, dat het bereid was
zich daarbij neer te leggen, als op het stembiljet dan maar een duidelijk
JA of NEE zou komen te staan. Daartoe heeft het College niet besloten en
achteraf zegt het comitE, dat het het gevoel heeft dat het bij de neus is
genomen. Nu blijkt, dat pas op 29 maart 1995 door het College opdracht aan
de Stadsdrukkerij is gegeven om de oproepkaarten en de stembiljetten te
drukken. Dat was het comitE duidelijk geworden uit een artikel in Het
Parool. Contacten met de vertrouwenscommissie wekten de indruk, dat die
commissie ook in de mening verkeerde, dat al op 20 maart 1995 die opdracht
was gegeven. Wat is nu de werkelijkheid? Het lijkt erop, dat het in het
belang van het referendum is dat de op 3 maart 1995 overeengekomen tekst
wordt gehandhaafd, dus dat IN DE HUIDIGE VORM verdwijnt en dat VOOR en
TEGEN ook weer op beide referendabiljetten voorkomen. In een brief die het
College aan de Raad heeft doen toekomen staat, dat het allemaal al is
gedrukt en dat het fl. 50.000 kost om het opnieuw te drukken, maar ik heb
vanmorgen nog contact gehad met de Stadsdrukkerij en het blijkt, dat het
stembiljet nog niet is gedrukt. Wij zijn er dus nog volkomen vrij in,
daarover te beslissen en de kosten voor het herstellen van de tekst op de
oproepkaart zijn derhalve ook beperkt.
   Het College heeft zich wat betreft het budget dat aan het
referendumcomitE is toegekend op het standpunt gesteld, dat dit fl. 40.000
moet zijn van het bedrag fl. 400.000 dat in de portefeuille van deze
wethouder beschikbaar is. Afgemeten tegen het bedrag van fl. 125.000 dat het
College aanvankelijk voor zichzelf en voor de voorlichting van de gemeente
beschikbaar had, is dat niet veel. Het is al helemaal weinig als wij weten
dat het College inmiddels aan die fl. 125.000 nog eens fl. 50.000 heeft
toegevoegd, zodat de gemeente nu over fl. 175.000 beschikt en het comitE over
fl. 40.000. Het lijkt mij in het belang van een eerlijke verdeling van de
krachten dat de verhouding niet 4,5 : 1 is, maar dat er gelijk wordt
verdeeld. Het comitE zou dan moeten kunnen beschikken over circa fl. 100.000;
dat bedrag is ook in overeenstemming met de begroting die het comitE
daarvoor heeft ingediend, maar die overigens nog niet behoorlijk is
behandeld.
   Met betrekking tot de publiciteit die het College nu verzorgt over het
referendum worden krantjes huis-aan-huis bezorgd onder het motto: een nieuw
bestuur voor Amsterdam. Ik wijs erop, dat daarin de hele zaak zeer
eenzijdig wordt voorgesteld. Er wordt gesuggereerd, dat het ROA het
onontkoombare en het beste is. Er worden niet van twee kanten argumenten
neergezet en ik heb vernomen, dat de Reclamecodecommissie op verzoek van
een van de bewoners van Amsterdam die het krantje heeft ontvangen, een
uitspraak heeft gedaan in de zin zoals de bewoner had gevraagd, namelijk
dat dit niet kan. Mijn vraag is, of het College conform de uitspraak van
die commissie de verspreiding van het krantje wil staken.
      (De heer ROBBERS: Mag ik u vragen wat deze uiteenzetting over
      gebeurtenissen die al dan niet hebben plaatsgevonden te maken heeft
      met de drie vragen die u bij de interpellatieaanvrage aan ons hebt
      voorgelegd?)
   Het lijkt mij, dat dit voor zichzelf spreekt. Het gaat over de
woordkeuze in de referendumvraagstelling en de voorlichting die daarover
wordt gegeven.
      (De heer ROBBERS: Ik stelde een vraag. Wat heeft deze uiteenzetting
      over commissievergaderingen die wel hebben plaatsgevonden, terwijl u
      zegt dat die niet hebben plaatsgevonden, te maken met de drie vragen
      die u bij uw interpellatieaanvrage aan ons hebt voorgelegd? Het
      onderwerp dat u nu bespreekt heeft naar mijn mening daar helemaal
      niets mee te maken.)
   Ik heb helemaal niet gesproken over een commissievergadering; dat hebt u
verkeerd verstaan.
   Ik kom nu toe aan de voorlezing van de drie vragen:
   "1.   Kan het College van Burgemeester en Wethouders uitleggen waarom
het, in strijd met de tekst die met het ReferendumcomitE was
overeengekomen, heeft besloten in de toelichting op zowel de oproepkaart
als het stembiljet van het ROA-referendum te kiezen voor de formulering:
"Daartoe houdt de gemeente Amsterdam IN HAAR HUIDIGE VORM op te bestaan?",
en waarom het de afgesproken woordkeuze VOOR of TEGEN heeft gewijzigd in
EENS of ONEENS?
   2.   Kan het College van Burgemeester en Wethouders begrijpen dat er
tegen deze formuleringen grote bezwaren bestaan, aangezien IN HAAR HUIDIGE
VORM feitelijk onjuist is en EENS/ONEENS tot taalkundige onduidelijkheid
aanleiding geeft?
   3.   Is het College van Burgemeester en Wethouders bereid, de
vorenvermelde ongunstige, verwarrende afwijkingen van de afspraak met het
ReferendumcomitE te herstellen?"
   Wethouder mevr. VAN DER GIESSEN: Mijnheer de Voorzitter. Ik zal ingaan
op de drie interpellatievragen. Met betrekking tot de eerste vraag merk ik
het volgende op. Voor alle helderheid is het van belang te weten, dat is
afgesproken dat er zou worden overlegd tussen beide comitE's en dat er dan
door het College niet in overleg, maar na overleg een besluit zou worden
genomen. Dat is ook in de Raad aan de orde geweest en hier nog
uitdrukkelijk onderstreept. De beslissingsbevoegdheid blijft wel bij het
College. Waarom heeft het College nu besloten tot toevoeging van de woorden
IN DE HUIDIGE VORM? Als er alleen zou staan, dat de gemeente Amsterdam zou
ophouden te bestaan, zou daarmee de suggestie kunnen worden gewekt, dat
Amsterdam verdwijnt; dat is niet juist. Het gaat niet om de stad Amsterdam.
Als wij kijken naar andere grote steden, zoals Londen en Parijs, die uit
verschillende gemeenten bestaan, zijn die steden niet verdwenen. Het
bestuur krijgt een andere vorm en niet de stad; de stad als stad blijft.
   Deze argumenten zijn de vorige raadsvergadering ook al naar door de
wethouder voor Bestuurlijke Betrekkingen naar voren gebracht; het woord
Amsterdam blijft in de naam van de stadsdelen: Amsterdam-Noord, Amsterdam-
Zuid, Amsterdam-Watergraafsmeer enz. Ik wijs erop, dat het bij
herindelingen de normale gang van zaken is, dat de naam blijft bestaan;
Amsterdam verdwijnt niet. Iedereen zal natuurlijk over Amsterdam blijven
schrijven en spreken en wij zullen ons ook altijd Amsterdammer blijven
noemen. Dat heeft ertoe geleid, dat onderscheid in de tekst te benadrukken.
Het College heeft derhalve gemeend te moeten kiezen voor de toevoeging van
de woorden: IN DE HUIDIGE VORM.
   Ik kom aan de afgesproken woordkeuze VOOR of TEGEN. De heer Van Duijn
heeft in zijn toelichting de brief van het referendumcomitE genoemd. Uit de
eerste zinnen van die brief blijkt, dat het comitE, dat in het algemeen
gelukkig over zeer veel informatie beschikt, nu niet over de juiste
informatie beschikte. Het stembiljet is nog niet gedrukt; dat kan ook niet,
want wij hebben afgesproken dat er overleg zou zijn over de tekst op het
stembiljet. Gistermiddag heb ik daarover overlegd met het comitE voor De
Vrije Geer en dat heeft mij gezegd, dat het nog graag een kaartje van de
plek op het biljet zou willen opnemen. Dat is gedaan. Het comitE "Moet
Amsterdam Amsterdam blijven?" is voor morgen uitgenodigd; 28 april a.s. is
de deadline voor het stembiljet. De stembiljetten behoeven namelijk niet
huis-aan-huis op naam te worden bezorgd. Daarvoor is dus een ander tempo
nodig en vandaar dat wij hebben gezegd: eerst de discussie over de
oproepkaarten en daarna over het stembiljet.
      (De heer VAN DUIJN: Over welke onjuiste informatie beschikt dan het
      referendumcomitE?)
      (De VOORZITTER: Ik stel voor, tijdens de interpellatie niet te
      interrumperen, zeker niet door de interpellant. U hebt al
      buitengewoon veel spreektijd gebruikt die ten laste van uw spreektijd
      van deze middag zal worden gebracht.)
      (De heer VAN DUIJN: Dat laatste is in strijd met het Reglement van
      orde voor de vergaderingen van de Gemeenteraad.)
      (De VOORZITTER: Het Reglement van orde bepaalt niets over een aparte
      spreektijd voor een interpellatie.)
      (De heer VAN DUIJN: Een kwartier extra spreektijd!)
      (De VOORZITTER: Leest u de tekst maar na; u kunt er dan de hele
      middag verder over nadenken.)
      (De heer VAN DUIJN: Die tekst ken ik uit mijn hoofd.)
   Ik weet niet of het comitE over onjuiste informatie beschikt, maar uit
de brief van het comitE blijkt, dat het College op 29 maart 1995 de
opdracht zou hebben gegeven voor het drukken voor zowel de oproepkaarten
als de stembiljetten. Dat is niet juist, want over de stembiljetten moet
nog overleg plaatsvinden. In het gesprek dat ik met het comitE heb gehad
heeft het comitE zelf gezegd: "... dat als er kosten in het produktieproces
zouden zijn gemaakt, wij bereid zijn, ons hierbij neer te leggen, mits op
het stembiljet een duidelijk JA of NEEN komt te staan." Daarover moeten wij
nog overleggen. Die processen lopen dus niet parallel.
   Vervolgens kom ik aan de vraag over de afgesproken woordkeuze EENS of
ONEENS. Ik heb in een brief aan de Raad uiteengezet wat de gang van zaken
tot aan dit moment is geweest. Er was een raadsbesluit waarin die woorden
zijn gebruikt. Daar is nu voor de oproepkaart een vraag boven geformuleerd
en er is een toelichting gegeven. Dit is conform het raadsbesluit. Men moet
wel twee zaken goed uit elkaar houden: er is een oproepkaart met een
toelichting en een stembiljet met een toelichting.
   De heer Van Duijn merkte op, dat het niet voor iedereen duidelijk zou
zijn, wat met EENS en ONEENS werd bedoeld. Daarover zijn de berichten
verschillend en ik wil wel graag discussi-eren op grond van feiten. Wij
hebben gemeend, tot een absolute helderheid te moeten komen, maar de heer
Van Duijn zegt, dat het College - ik interpreteer nu zijn woorden - wat
zwalkend in de besluitvorming opereert. In de toelichting die ik de Raad
heb doen toekomen staat dat er op 14 maart 1995 een misverstand in de
communicatie is geweest, in die zin dat het College een besluit over VOOR
en TEGEN zou hebben genomen, maar op 17 maart 1995 heeft het College
herbevestigd dat men op het biljet EENS of ONEENS kan aantreffen.
   Ik zal nu kort ingaan op enkele vragen die de heer Van Duijn in zijn
toelichting heeft gesteld. Op 20 maart 1995 is de opdracht verstrekt om het
produktieproces in gang te zetten en daarmee het drukken van de kaarten.
Ook op 20 maart 1995 heeft er een gesprek plaatsgevonden en op die datum is
gezegd, dat als er kosten zouden zijn en de termijn in gevaar zou komen,
het College opnieuw een besluit zou nemen. Die informatie heeft mij bereikt
en daarna heeft het College de opdracht tot het drukken verstrekt, dus niet
- in tegenstelling tot wat men meent - op 29 maart 1995, maar op 20 maart
1995.
   Wat betreft de gelden die zijn toegekend aan de comitE's wijs ik erop,
dat een en ander is gebaseerd op een besluit dat aan de desbetreffende
commissie van advies is voorgelegd. Men was het daarover eens. Het bedrag
van fl. 125.000 is bestemd voor opkomstbevorderende activiteiten. Beide
comitE's hebben daarvan gezegd, dat zij daaraan grote behoefte hadden. Er
is daarbij afgesproken, dat het van groot belang is dat die activiteiten
neutraal zijn. Er is toen een commissie ingesteld, bestaande uit een
vertegenwoordiger van het comitE, de heer Bulsing, en een vertegenwoordiger
van de gemeente, de heer Jurgens.
   De heer Van Duijn verwees verder naar het voorlichtingskrantje. Ik wijs
erop, dat dit krantje buiten de orde van het referendum valt. Het is ook
niet gepubliceerd in het kader van de verantwoordelijkheid van de
wethouder, belast met het referendum. Op dit moment ga ik daar niet verder
op in.
   De VOORZITTER: Alvorens ik de heer Van Duijn weer het woord verleen en
daarna de andere leden, heb ik nog een opmerking over de spreektijd. De
heer Van Duijn merkte op, dat iemand die een interpellatie houdt, daarvoor
een kwartier spreektijd krijgt, buiten de normale spreektijdregeling om.
Als dat al een gewoonte is, is die nergens vastgelegd. Indien die gewoonte
zou bestaan, zou ik die in het reglement van orde willen opnemen met een
beperking tot een maximum spreektijd van vijf minuten voor de interpellant
in eerste termijn en drie minuten in tweede termijn, en voor de overigen
die aan de interpellatie deelnemen ook drie minuten. Als de interpellant
een kwartier extra spreektijd krijgt, ben ik verplicht, ook aan andere
leden van de Raad een ruime spreektijd toe te staan en dan kost een
interpellatie een halve middag. Dat staat in geen verhouding tot het vragen
om inlichtingen door raadsleden. Noch in het oude, noch in het nieuwe
reglement van orde is er iets over geregeld en dus was mijn opmerking
terecht, dat als het niet is geregeld, de spreektijd voor rekening van de
interpellant komt. Nu de heer Van Duijn kennelijk van de veronderstelling
uitging dat het wel was geregeld, zal ik de Commissie voor de Werkwijze van
de Gemeenteraad een voorstel doen, over de wijze waarop de spreektijd bij
interpellaties moet worden geregeld.
   De heer VAN DUIJN: Mijnheer de Voorzitter. Het gaat er natuurlijk niet
om, dat ik het College wil vastpinnen op het maken van afspraken in overleg
met het referendumcomitE. Ik wil echter wel, dat de woordkeuze zodanig is,
dat iedereen zich gemotiveerd voelt om aan het referendum deel te nemen.
Daarom vind ik het van belang dat de afspraken met het comitE worden
gehandhaafd, omdat die woordkeuze naar mijn mening beter was.
   "IN DE HUIDIGE VORM" is naar mijn mening toch een verdoezeling van de
situatie. Amsterdam blijft natuurlijk wel bestaan, maar de gemeente niet en
daar gaat het om. Dat staat zo ook in de zin: "Daartoe houdt de gemeente
Amsterdam in de huidige vorm op te bestaan..." Het gaat erom, dat de
gemeente ophoudt te bestaan. De gemeente verdwijnt. Het centrum van de stad
neemt de taak over, maar dat is toch heel iets anders dan de gemeente
Amsterdam. Het centrum wordt gewoon één van de nieuwe dertien gemeenten
binnen de stad Amsterdam. Ik dring erop aan, dat de woorden IN DE HUIDIGE
VORM verdwijnen aangezien dat verwarring veroorzaakt.
   Het kan best zijn, dat het comitE De Vrije Geer anders denkt over de
woorden EENS of ONEENS dan het comitE "Moet Amsterdam Amsterdam blijven?",
maar mijn mening is, dat VOOR of TEGEN een veel duidelijker aanduiding is
van het standpunt dan EENS of ONEENS.
   Wat betreft de datum waarop een order aan de Stadsdrukkerij is gegeven
merk ik op, dat ik niet beschik over een uiteindelijk bewijs. De wethouder
kan ongetwijfeld bewijzen wat zij heeft beweerd. Om iedereen duidelijk te
maken dat het zo is, zou het prettig zijn als daarover een stuk zou worden
overgelegd, zodat die kwestie uit de wereld is.
   Ik volsta verder met het indienen van twee moties.

   De VOORZITTER deelt mede, dat zijn ingekomen:

14ø   Motie van 5 april 1995 van het raadslid Van Duijn om op het
stembiljet voor de provincie Amsterdam de woorden IN DE HUIDIGE VORM te
schrappen (Gemeenteblad afd. 1, nr. 239, blz. 873).

15ø   Motie van 5 april 1995 van het raadslid Van Duijn om in de beide
referenda op 17 mei a.s. op het stembiljet gebruik te maken van de keuze
tussen VOOR en TEGEN (Gemeenteblad afd. 1, nr. 240, blz. 873).

   De moties worden voldoende ondersteund en terstond in behandeling
genomen.

   De heer K™HLER: Mijnheer de Voorzitter. Ik ben blij, dat deze
interpellatie wordt gehouden, zodat wij over het gewichtige punt, te weten
de woorden IN DE HUIDIGE VORM nu in de Raad kunnen bespreken. Het College
heeft dit debat wel enigszins over zich uitgeroepen, want toen de
vraagstelling voor het referendum door de Raad moest worden vastgesteld,
heeft mijn fractie een motie ingediend, inhoudende om in de vraagstelling
zelf duidelijkheid te scheppen en niet te verwijzen naar een nader overleg.
Toen is echter namens het College geantwoord: "De meerderheid van de Raad
heeft eerder het standpunt van het College gevolgd om in overleg met het
comitE een toelichting te formuleren." Vervolgens werd mij verweten, dat ik
daarop vooruitliep en daarna zei de wethouder nog een keer: "...wil ik die
toelichting graag in overleg met betrokkenen opstellen." Dat wekt
natuurlijk wel de indruk - los van wat er toen in de raadsvoordracht stond
- dat in plaats van een en ander hier samen vast te stellen, dit in
overeenstemming met betrokken, te weten de aanvragers van het referendum,
moest gebeuren. Het is vervelend dat, als dan namens het College ambtelijk
wordt overlegd en men tot overeenstemming komt, dan zonder nadere
overeenstemming met het comitE en zonder een nadere raadpleging van de
raadscommissie, het College met wat woorden gaat stoeien. Ik moet zeggen,
dat de woorden wat mij betreft er weinig toe doen en ik kan mij ook niet
voorstellen, dat wij de Amsterdammers zo laag moeten inschatten dat de
uitslag van de stemming hoger of lager wordt door de woorden IN DE HUIDIGE
VORM. Ik vind het echter wel een beetje geknoei van het College. Dat is
jammer, want er was een goed overleg en als het College er gewoon verder af
was gebleven, had men de tekst, zoals die in overleg was gekozen, kunnen
vaststellen. Wij hadden deze interpellatie dan niet nodig gehad.
   De heer VAN DER LAAN: Mijnheer de Voorzitter. Ik ben niet echt gelukkig
met deze interpellatie. De kern van de brief van het referendumcomitE was,
dat het vond dat het op het verkeerde been was gezet. Uit de brief van de
wethouder blijkt zonneklaar, dat daarvan absoluut geen sprake is. Dat is
toch de sleutel van deze interpellatie en dat vind ik bijzonder spijtig.
   Er is blijkbaar sprake van een misverstand over oproep- en
stembiljetten. Ik geloof de wethouder volledig als zij zegt, dat de
opdracht voor het drukken van de oproepkaarten wel degelijk was verstrekt;
dat was ook de kern van het gesprek dat wij met het comitE hebben gehad. De
heer Robbers en ik waren bij dat gesprek aanwezig - de heer Houterman was
verhinderd - en ik kan derhalve uit de eerste hand mededelen, dat de heer
Van Duijn de afspraak die toen is gemaakt nogal slordig weergeeft. De
afspraak was niet, dat de tekst so wie so zou worden veranderd, maar wel
dat als er geen financi-ele consequenties aan het alsnog veranderen van de
tekst EENS of ONEENS in VOOR of TEGEN zouden vastzitten en er geen
termijnproblemen zouden zijn, de vertrouwenscommissie het College zou
adviseren, de tekst te wijzigen, zodat wij eindelijk van het gezeur af
waren. Naar mijn mening wordt er namelijk van alle kanten toch wel wat
gezeurd.
   De wethouder is nagegaan, of er financi-ele consequenties waren; dat was
inderdaad het geval. Er is overigens wel een schoonheidsfout begaan. Deze
wetenschap is namelijk, zoals wel was afgesproken, door de ambtenaren niet
doorgegeven aan het comitE dat op dit bericht zat te wachten; het was een
zaak die voor het comitE veel belang had. Het College heeft vanwege de
financi-ele consequenties en gezien de termijn de zaak, geheel in de lijn
van het overleg, de zaak gelaten zoals die was.
   Er is een crisisberaad naar aanleiding van dit gegeven gehouden. Dat was
het beraad over onder andere de heren Bulsing en Jurgens, die zich als
onafhankelijke personen zouden gaan buigen over deze zaak. Er is wel
degelijk sprake van een schoonheidsfoutje, maar er is beslist niemand op
het verkeerde been gezet.
   De wethouder deelde zojuist mede, dat er morgen overleg plaatsvindt over
het stembiljet. Ik wil de wethouder in overweging geven, heel goed na te
denken over de vraag of wel alsnog de stap richting comitE zou moeten
worden gezet in die zin dat op het stembiljet wel VOOR of TEGEN zou komen
te staan. Wij hebben een oproepkaart waarop EENS of ONEENS staat en ik zou
het een nadeel vinden als de tekst op het stembiljet anders zou worden
geformuleerd. Ik wijs erop dat, als men thuis op de oproepkaart EENS of
ONEENS leest en men in het stemhokje vervolgens een andere tekst ziet, dit
een nadeel zou kunnen zijn. Voorts wijs ik erop, dat de woorden EENS of
ONEENS op de affiches van het comitE De Vrije Geer staan. Er zou dan tussen
de twee referenda ook weer een verschil in tekst bestaan. Dat zou zeer
verwarrend zijn.
   Er is een foutje gemaakt. Er was een ambtelijk overleg en het College
had bestuurlijk het recht anders te beslissen, maar de slordigheid schuilt
hierin, dat met het referendumcomitE was afgesproken, dat de woorden VOOR
of TEGEN zouden worden gebruikt, terwijl, toen het comitE De Vrije Geer
daartegen protesteerde en liever de woorden EENS of ONEENS wilde hebben,
het College daaraan zonder meer is tegemoet gekomen. Dat heeft natuurlijk
de onderlinge verhoudingen niet verbeterd. Naar mijn mening zal het College
ruiterlijk moeten erkennen, dat dit een jammerlijk element in het hele
gebeuren was.
   Ik zou van de wethouder gaarne vernemen, of zij nog gebruik wil maken
van de diensten van de vertrouwenscommissie, te weten de fractievoorzitters
van de coalitiepartijen. Nu dat ook niet heeft gewerkt, kan ik mij heel
goed voorstellen, dat de wethouder daarop geen prijs meer stelt. Diezelfde
vraag stel ik ook het referendumcomitE. De leden van de commissie zijn wel
goed, maar niet gek. Wij willen het blijven doen, maar dan moet het wel van
twee kanten op prijs worden gesteld. Ik stel prijs op een antwoord, want
alles bij elkaar, inclusief deze interpellatie, kost het vreselijk veel
tijd. Er zijn misverstanden, het is af en toe wat slordig en het kan beter,
maar men bereikt eerder een goed resultaat door de communicatie te
verbeteren dan door de zaken groter te maken dan zij zijn.
      (De heer SPIT: Kunt u mij zeggen door wie die vertrouwenscommissie is
      benoemd?)
   Het is geen benoemde vertrouwenscommissie. Het is een initiatief geweest
van het referendumcomitE in de tijd dat er wat problemen waren rond de
datum van het referendum. Als zowel het comitE als het College de
bemoeienissen van de commissie op prijs stellen, ben ik graag bereid, mij
daarvoor te blijven inzetten.
      (De heer ROBBERS: Misschien moet de commissie worden uitgebreid.)
   Bijvoorbeeld met de heer Van Duijn; dat lijkt mij een goed idee!
   De heer VAN BOMMEL: Mijnheer de Voorzitter. Het feit dat de oproepkaart
al is gedrukt maakt, dat het wel zeer moeilijk is om nog iets te veranderen
aan de gang van zaken. Ik ben het met de heer Van der Laan eens, dat bij
voorkeur het stembiljet dezelfde tekst zou moeten hebben als de
oproepkaart. Anders zal er naar mijn mening nog meer verwarring ontstaan.
   Ik denk, dat de bereidheid die er aanvankelijk misschien wel zou zijn
geweest om op de oproepkaart een andere tekst te drukken, nog steeds iets
kan betekenen. Als wij van mening zijn, dat wij veel geld moeten uittrekken
om de opkomst voor het referendum te bevorderen en dat er nu eens een
geslaagd referendum in deze stad moet worden georganiseerd, mogen naar mijn
mening de tekst op de oproepkaart en het stembiljet daarin geen barriEre
vormen.
   De kosten om te komen tot een andere tekst op de oproepkaart zouden
nogal hoog zijn. Ik meen, dat het goed is, nu wij wellicht gebruik zullen
maken van een oproepkaart en een stembiljet met een tekst die de zaak
moeilijker te begrijpen maakt, meer geld moeten uittrekken om ervoor te
zorgen dat de opkomst wordt bevorderd en dat vooraf ook voor alle
betrokkenen duidelijk is, wat er precies bij het referendum aan de hand is.
Ik zou graag de fout die bij de oproepkaart is gemaakt willen corrigeren
door ervoor te zorgen dat er meer geld beschikbaar komt voor de bevordering
van de opkomst.
   De heer ROBBERS: Mijnheer de Voorzitter. Er hebben over het referendum
verschillende discussies plaatsgevonden, ook vandaag weer, nu naar
aanleiding van een interpellatie over een tekst op de oproepkaart en de
gang van zaken in de afgelopen weken. De eerste berichten daarover zijn al
veertien dagen oud en de eerste vragen zijn toen ook al gesteld. Tussen die
vragen van maandag 20 maart 1995 en dinsdag 21 maart 1995 en nu hebben twee
vergaderingen plaatsgevonden van de commissie van advies waarin het
referendum normaal gesproken op de agenda had kunnen staan. Ook vanmorgen
heeft er nog een vergadering plaatsgevonden en geen van de leden van de
Raad of de commissie heeft gevraagd om een bespreking van deze zaak in de
commissie, noch bij de rondvraag, noch bij de agendering. Naar mijn mening
was dat een betere weg geweest om de zaak tussen Raad en College te
bespreken dan het houden van een interpellatie.
   Het in de interpellatie aan de orde gestelde is naar mijn opvatting door
het College helder en afdoende weersproken. De gang van zaken is steeds
gepaard gegaan met overleg met het referendumcomitE, op verzoek van de
Raad, al dan niet met inschakeling van de vertrouwenscommissie. De Raad
heeft echter nooit gezegd, dat dit soort overleg en de conclusies daarvan
in de plaats zouden moeten treden van de formele verantwoordelijkheden van
het College en de Raad. Het referendumcomitE heeft de Raad min of meer
gedwongen, een referendum te organiseren over een door deze Raad genomen
besluit.
   Vervolgens is het de verantwoordelijkheid van de Raad, dat referendum
optimaal volgens de regels van de verordening ter zake te laten
plaatsvinden en ervoor te zorgen, dat alle burgers hun mening kunnen uiten.
Dat is niet meer de verantwoordelijkheid van het comitE. Dat het comitE
zich zorgen maakt over een goede opkomst en over de uitslag is te prijzen,
maar het zou toch wel erg vreemd zijn te veronderstellen dat, als het
comitE zich zorgen maakt, het de enige zou zijn en dat de Raad zich
daarover geen zorgen maakt en het maar slordig zou doen, laat staan de
wethouder die de opdracht heeft gekregen en de verantwoordelijkheid heeft
om ervoor te zorgen dat het referendum goed verloopt. In dat verband vraag
ik de heer Van Duijn, of hij mij kan uitleggen waarom voor niet-
Nederlandstalige mensen VOOR of TEGEN begrijpelijker is dan EENS of ONEENS.
Als dat het punt zou blijken te zijn waarom het gaat, is voor mij het
niveau toch wel tot het allerlaagste gedaald.
      (De heer VAN DUIJN: Het is een kwestie van taalgevoel!)
   Ik vind, dat wij moeten ophouden met het onderling steeds over de
details en de procedures te praten. Wij moeten naast elkaar gaan staan en
zeggen, dat het woord aan de stad is; wij moeten de mensen vertellen waarom
zij voor of tegen moeten zijn. Het genomen besluit is zo helder als glas.
Ik heb genoeg aan de toelichting van de wethouder. Als de ingediende moties
worden afgewezen is daarmee opnieuw vastgesteld dat het door het College
gepresenteerde beleid bij de uitvoering van de organisatie van de referenda
volgens onze wens zal zijn verlopen; wij moeten dan een punt kunnen zetten
achter de discussie over details.
   De heer SPIT: Mijnheer de Voorzitter. Als het gaat om zin of onzin van
dit referendum, meen ik, dat de Raad voldoende op de hoogte is van mijn
mening daarover. Als iemand nog twijfelt, moet hij of zij daarover vragen
stellen; die zal ik dan helder beantwoorden.
   Vanmiddag gaat het om de zin en onzin van deze interpellatie. Ik vind
die interpellatie onzin. In de raadsvergadering van 8 februari 1995 is het
besluit genomen, dat de vraagstelling zou luiden EENS of ONEENS, met
daarbij een raadsbesluit. Dat was het besluit en daarover kan dan geen
interpellatie worden gehouden. Als men nu een toelichting op de oproepkaart
en het stembiljet wil hebben, mag dat, hoewel ik het niet nodig vind, en
zelfs als men dat doet in nauw overleg met degenen die daarin onmiddellijk
zijn geinteresseerd en zelfs met enkele fractievoorzitters, de
vertrouwenscommissie, dan mag dat ook, hoewel ik daarover niet zo
enthousiast ben. Het is dan echter logisch dat op de kaart en het biljet
EENS of ONEENS wordt vermeld, want als dat niet was gebeurd, was er zeker
wel een reden om daarover een interpellatie te houden; dan zou er
verwarring worden gesticht. Het College wijzigt niets, dus is er geen reden
voor het houden van een interpellatie.
   In de brief van adressanten staat, zoals de heer van der Laan dat netjes
heeft gezegd, dat men op het verkeerde been is gezet, dat de wethouder
onwaarheid zou hebben gesproken. Ik heb de adressant gisteravond nog gebeld
en ik heb gezegd, dat, als morgenochtend, dus vandaag, voor 11.30 uur het
bewijs daarvoor wordt geleverd, ik bereid ben om een interpellatie te
houden. Dat bewijs is niet geleverd en ik heb dus alle reden, de wethouder
op haar woord te geloven. Dat is de tweede reden waarom ik de interpellatie
onzin vind. Ik heb overigens alle waardering voor het voorlichtingskrantje
waarover reeds eerder is gesproken.
   Wethouder mevr. VAN DER GIESSEN: Mijnheer de Voorzitter. De heer K-ohler
merkte op, dat het zou gaan om het opzettelijk op het verkeerde been zetten
en dat de fractie van GroenLinks daarvoor de sleutel had uitgereikt,
namelijk door er een raadsbesluit van te maken. Mevr. Princen heeft
daarover nog een motie ingediend. Op dat moment heb ik die namens het
College afgewezen omdat er een afspraak was met het referendumcomitE,
namelijk dat wij daarover nog een gesprek zouden hebben. Als ik de Raad zou
hebben geadviseerd, de motie aan te nemen, had ik mij niet kunnen houden
aan mijn afspraak. Uiteindelijk heeft een raadsmeerderheid mij in de
gelegenheid gesteld, die afspraak na te komen.
   De heer Van der Laan en anderen hebben gesproken over een goede
communicatie; het is voor mij met name van groot belang dat het referendum
slaagt. Ik denk er vaak aan hoe het allemaal kan gebeuren en ik kan de Raad
verzekeren, dat in mijn leven de geesten van Kafka en Wittgenstein elkaar
nog nooit zo innig hebben omhelsd als tijdens dit gebeuren van de afgelopen
weken.
   De heer Van der Laan heeft gevraagd of de vertrouwenscommissie nog moet
blijven functioneren. Ik heb geen last van die commissie, integendeel, ik
heb er vaak ook veel nut van gehad. Het referendumcomitE wilde die
commissie graag en ik ben ervan uitgegaan, dat wij elkaar in dat verband
tegemoet zouden kunnen komen, hoewel zich ook dan nog, zoals is gebleken,
misverstanden kunnen voordoen. Hoe de verdere communicatie ook zal
verlopen, het lijkt mij het beste dat alles onmiddellijk zwart op wit wordt
vastgelegd. Ik heb soms wel het gevoel - ik zeg het wat zwaar - dat het
referendumcomitE wat aan mijn integriteit twijfelt. Ik koester de hoop, dat
dit gevoel met betrekking tot het stembiljet nog binnen die zes weken zal
verdwijnen. Ik ben dan ook opgelucht, dat dit gevoel wat De Vrije Geer
betreft is verdwenen.
   Met betrekking tot de toelichting op het stembiljet meen ik, dat, na het
gesprek dat ik gisteren met het comitE De Vrije Geer heb gehad, wij een
buitengewoon intelligente zin hebben gecomponeerd. Daar staat natuurlijk
weer EENS en ONEENS in, maar ook nog andere termen. Dit comitE blijft
consequent voor de tekst EENS of ONEENS. Ik heb gevraagd, of het bereid is,
wanneer het referendumcomitE Moet Amsterdam Amsterdam blijven? op een
aantal plekken in plaats van EENS of ONEENS de woorden VOOR of TEGEN wil
gebruiken, men daartegen bezwaar had. Men had geen bezwaar. Morgen zal ik
met het referendumcomitE daarover spreken. Ik denk, dat wij er dan wel uit
komen.
   De heer Van Bommel sprak over het bedrag van fl. 125.000, bestemd voor
opkomstbevorderende maatregelen. Ik deel mede, dat dit bedrag voldoende is.
Met beide comitE's heeft daarover overleg plaatsgevonden en daarbij is de
afspraak gemaakt, dat bepaalde dingen moesten worden gedaan, bijvoorbeeld
plaatsing van advertenties. Er was ook voor een groot deel sprake van een
vrije keuze. Beide comitE's hebben mij laten weten welke in die vrije keuze
hun prioriteiten zijn en die bleken zo gelijk te lopen, dat wij dat zo
hebben uitgevoerd.
      (De heer VAN BOMMEL: Mijn vraag was als volgt bedoeld. Ik meen, dat
      wij door het hanteren van EENS of ONEENS en IN DE HUIDIGE VORM
      enigszins op achterstand zijn komen te staan. Het had duidelijker
      gekund en een deel van de Raad heeft had ook aangegeven. Die
      achterstand kunnen wij inlopen door het verzorgen van een stukje
      extra voorlichting. Zo had ik mijn vraag bedoeld, vandaar dat ik
      relateer aan het bedrag van fl. 50.000 voor het herdrukken van de
      kaarten.)
   Ik begrijp wat u bedoelt, maar de voorlichting omtrent IN DE HUIDIGE
VORM wordt meegenomen door de wethouder die verantwoordelijk is voor de
inhoudelijke kant van het geheel. Deze en ook de andere teksten worden
voorgelegd aan de commissie. Dit past allemaal binnen het budget.
   Ik meen dat duidelijk is geworden, dat ik namens het College de motie
nr. 239 afwijs. Wat betreft het gestelde in de motie nr. 240 verwijs ik
naar het gesprek ter zake dat morgen nog zal plaatsvinden.

   De discussie wordt gesloten.

   Aan de orde is de stemming over de ingediende moties.

   De heer VAN DUIJN: Ik trek de motie nr. 240 in.
   De motie-Van Duijn (nr. 240), ingetrokken zijnde, maakt geen onderwerp
van behandeling meer uit.

   Aan de orde is de stemming over motie nr. 239.

   De heer K™HLER (stemmotivering): Het stembiljet moet nog worden gedrukt
en wij hechten aan het voorstel zoals dat oorspronkelijk door de wethouder
aan het College, in overeenstemming met het referendumcomitE, was
voorgelegd. Wij menen, dat het schrappen van de woorden IN DE HUIDIGE VORM
de zaak eerder duidelijker dan onduidelijker maakt. Wij zullen de motie
steunen.

   De motie-Van Duijn (nr. 239) wordt bij zitten en opstaan verworpen.

   De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige
raadsleden de leden Van Bommel, Dalkiran, Van Duijn, Goedhart, Holvast,
Hulsman, K-ohler, Niamut, mevr. Princen, mevr. Schutte en Spit zich voor de
motie hebben verklaard.

   De interpellatie wordt gesloten.

   Het bij de interpellatie mede aan de orde gestelde adres wordt in handen
van Burgemeester en Wethouders gesteld ter afdoening.

   4
   Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 23 maart 1995 tot het
verlenen van ontslag aan de directeur van de Gemeentelijke Geneeskundige en
Gezondheidsdienst (Gemeenteblad afd. 1, nr. 194, blz. 694).

   Mevr. SCHUTTE: Mijnheer de Voorzitter. Vandaag besluit de Raad, ontslag
te verlenen aan een belangrijke ambtenaar van de gemeente Amsterdam,
namelijk de directeur van de Gemeentelijke Geneeskundige en
Gezondheidsdienst (GG&GD), de heer Rengelink. Ik wil graag namens de
fractie van GroenLinks en naar ik verwacht de gehele Raad de heer Rengelink
bedanken voor zijn verdiensten voor de GG&GD en voor de gezondheid van de
Amsterdammers. De fractie van GroenLinks had de heer Rengelink graag een
tijdje behouden voor de GG&GD, maar wij hebben respect voor de reden van
zijn vertrek. In het NRC/Handelsblad van 27 maart jl. houdt de heer
Rengelink ons, de politiek, als het ware een soort spiegel voor. Hij zei
onder meer: "De vraag waarop wij als GG&GD reageren is in het algemeen geen
koopkrachtige vraag en als de politiek zegt: jullie moeten marktgericht
gaan werken en de gebruiker betaalt, dan denk ik dat wij de verkeerde kant
opgaan. Dan wordt het voor ons moeilijker om ongevraagd en onbetaald hulp
te bieden. Dan ontstaat er een relatie tussen arts en pati-ent waarbij geld
een rol speelt. Dan is de cirkel rond en ik heb er voor gekozen, nooit in
die relatie terecht te komen." Wij hopen dat, ondanks zijn vertrek, die
verwachting van hem geen werkelijkheid zal worden.
   De heer GOEDHART: Mijnheer de Voorzitter. In aansluiting op de woorden
van mevr. Schutte wil ook de CDA-fractie haar respect betonen aan
de heer Rengelink voor wat hij in de afgelopen vele jaren voor de GG&GD in
Amsterdam heeft betekend. Het is spijtig van hem afscheid te moeten nemen,
maar namens mijn fractie kan ik mededelen, dat wij het signaal dat de heer
Rengelink bij zijn vertrek geeft over zaken die aan de orde zijn met
betrekking tot de GG&GD, goed hebben genoteerd en dat het in de
beraadslagingen zal worden meegenomen.
   Mevr. KRIKKE: Mijnheer de Voorzitter. Ook de fractie van de VVD heeft
grote waardering voor het werk van de heer Rengelink, maar dat staat ook
helemaal niet ter discussie. In deze vergadering wordt nu de indruk gewekt,
dat de heer Rengelink ter discussie staat. Dat is beslist niet juist. Het
lijkt mij, dat de andere punten die worden aangegeven, stemverklaringen
zijn die ook in de commissie kunnen worden behandeld.
      (De heer VAN BOMMEL: Ik denk, dat u de woorden van de eerdere
      sprekers niet goed hebt begrepen. Niet de heer Rengelink staat ter
      discussie, het collegebeleid inzake de volksgezondheid in Amsterdam
      staat ter discussie.)
   De heer LEVIE: Mijnheer de Voorzitter. Ik was aanvankelijk van mening,
dat op dit moment niets ter discussie staat. De fractie van de PvdA is, was
en blijft voor een goede publieke gezondheidszorg in Amsterdam en naar mijn
mening is, was en blijft het College dat ook. Dat staat niet ter discussie.
Ik hoop dat er een feestelijker moment is waarop wij afscheid kunnen nemen
van de heer Rengelink. Wij hebben ook waardering voor de lange periode die
hij heeft doorgebracht bij de GG&GD en wij hopen nog van zijn deskundigheid
te profiteren. Daarvoor heeft het College ook passende maatregelen genomen.
Volgens mij staat niets ter discussie.
   Wethouder mevr. VAN DER GIESSEN: Mijnheer de Voorzitter. Aan de orde is
een voordracht om de heer Rengelink - voorheen werd de term "eervol"
daarbij gebruikt - ontslag te verlenen. Ik ben blij, dat de Raad dat
ondersteunt en dat men hetzelfde respect voor de directeur heeft als ik dat
zelf heb.
   De heer Rengelink gaat niet voor Amsterdam verloren; hij blijft nog zeer
betrokken bij het gezondheidsbeleid. De suggestie van de fractie van
GroenLinks was dat wij dit beleid een andere vorm zouden willen geven. Ik
onderschrijf dat beleid en ben daarvan ook een voorvechtster, maar dat wil
niet zeggen, dat wij er niet over zouden mogen spreken om marktgericht
ongevraagde hulp effici-ent aan te bieden. Niet de hulp zelf staat ter
discussie, maar de efficiency en de manier waarop het een en ander wordt
gedaan.

   De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de Raad
neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 694 van afd. 1 van het
Gemeenteblad.

   15
   Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 23 maart 1995 inzake de
Integrale Milieuvisie Amsterdam tot 2015 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 175,
blz. 646 en bijlagen G en H).

   Mevr. PRINCEN: Mijnheer de Voorzitter. Aan de orde is de milieuvisie tot
2015. Wat zal ervan terechtkomen? Zal het een visie blijven, een visioen
worden of zal het ooit leiden tot een milieubeleid en een uitvoeringsplan?
   Wij zijn op zoek naar het grote evenwicht tussen alle zo noodzakelijke
functies in de compacte stad. Wij wonen dicht bij elkaar, op elkaar, op een
aanvaardbare manier. Ik noem de multiculturele samenleving in buurten waar
een breed aanbod is van woningen van goedkoop tot duur, van koop tot huur;
meer aandacht voor de sociologische aspecten in de compacte stad, duurzaam
gebouwde woningen, goede geluids- en warmte-isolatie. Het opnemen van
ecologie als aandachtspunt ondersteunen wij van harte.
   Na deze complimenten is er natuurlijk ook kritiek. Een onderdeel van de
onderhavige voordracht is voor ons niet acceptabel, namelijk aandachtspunt
I uit besluit III. Het College stelt als randvoorwaarde het behoud van een
goede concurrentiepositie van het bedrijfsleven bij het te voeren
milieubeleid. Wij willen dat graag omkeren. Benoem het milieu als
randvoorwaarde voor de ontwikkeling van de economie. Vanuit de
portefeuilles Milieu en Ruimtelijke Ordening worden nota's gepresenteerd
waarin wordt beschreven, hoe te komen tot een evenwichtige verdeling tussen
de diverse functies in de compacte stad. Er worden milieu-toetsings-
instrumenten ontwikkeld om deze afwegingen nog scherper te kunnen maken.
Vanuit de portefeuille Economische Zaken wordt hier blijkbaar anders
tegenaan gekeken. Hier moet het College een dubbele houding worden
verweten. Het College stelt, dat de ontwikkeling van de economie vooraf de
garantie moet krijgen om te kunnen groeien, ook al gaat het ten koste van
het milieu. Het bedrijfsleven moet groeien, groeien, groeien. Het College
probeert een "close-harmony-zanggroep" te zijn, evenwichtig en zuiver op
toon, ieder zijn eigen akkoord. Ziet men niet in, dat dit niet lukt als één
van de zangers steeds de boventoon zingt? Werken, wonen, recre-eren en een
economische ontwikkeling is een vierstemmige compositie om te komen tot een
compacte stad waarin het leefklimaat vooropstaat. Close-harmony-zingen is
niet eenvoudig en zelfs onmogelijk wanneer één van de zangers op het
verkeerde moment het verkeerde akkoord zingt. Kortom, wij stellen voor,
geen van de functies wonen, werken, recre-eren of de economische
ontwikkeling voorrang te geven op het milieu door een solo te zingen.
   Het College bevestigt ons angstig vermoeden dat wij tijdens de algemene
beschouwingen hebben uitgesproken, namelijk dat wat het milieu betreft er
veel procedureel geneuzel is. Visies en idee-en komen op tafel, maar de
feiten blijven uit, behalve dan de hiervoren genoemde randvoorwaarden. Ik
dien hierbij een amendement in, waarin wij stellen dat een duurzaam milieu
als randvoorwaarde geldt voor de economische ontwikkeling.

   De VOORZITTER deelt mede, dat is ingekomen:

16ø   Amendement van 5 april 1995 van het raadslid mevr. Princen, met als
strekking, dat een duurzaam milieu als randvoorwaarde aan de economische
ontwikkeling wordt gesteld (Gemeenteblad afd. 1, nr. 241, blz. 874).

   Het amendement wordt voldoende ondersteund en terstond in behandeling
genomen.

   De heer BIJLSMA: Mijnheer de Voorzitter. Het heeft vrij lang geduurd
voordat deze milieuvisie hier uiteindelijk is gearriveerd. Ik denk dat de
intentie achter de milieuvisie om een soort beeld te scheppen van 2015 te
waarderen valt. Men kan het eigenlijk met alle punten die worden genoemd
eens zijn,
ook al omdat het voor het huidige beleid nauwelijks enige consequentie
heeft. Ik vind het echter wel teleurstellend, dat er cijfers, scenario's en
de internationale context ontbreken, terwijl de bevolkingsgroei eigenlijk
niet als probleem wordt aangeduid, hoewel wel wordt gesteld, dat wij na die
100.000 woningen die wij nu bouwen, weer 200.000 woningen tot 2015 moeten
bouwen. Dat is eigenlijk alles wat erover wordt gezegd. Water- en
bodemverontreiniging komen ook niet echt aan de orde; er wordt voornamelijk
gesproken over de compacte stad en het verkeer. Achteraf gezien zou het
beter zijn geweest als de ambtelijke capaciteit eerder was ingezet, zodat
wij nu de milieuverkenningen in kaart zouden hebben en ook zouden
beschikken over het milieubeleidsplan. Op basis daarvan kunnen wij dan een
precies een milieu-actieprogramma in elkaar steken en per jaar zien, hoever
wij zijn gevorderd op weg naar een duurzame samenleving. Ik wil dan ook
heel graag weten, wanneer wij dat tegemoet kunnen zien. Wij vinden, dat het
volgend jaar in feite al het een en ander zichtbaar moet zijn. Er moeten
dan de eerste duidelijke kwantitatieve acties worden gestart. Daarbij moet
dan niet worden gewacht op een milieubeleidsplan als dat pas het volgend
jaar gereed zal zijn; dat zal een jaar naar voren moeten worden getrokken.
   Ik heb begrepen, dat de cijfers over de milieusituatie in Amsterdam over
een maand kunnen worden verwacht. Aan de hand daarvan kunnen wij natuurlijk
zien, in hoeverre wij af zijn van het streven om de doelstellingen van
Nationaal Milieubeleidsplan II, waaraan het gemeentelijk milieubeleid
ondergeschikt is, te halen en welke acties wij de komende vier jaar moeten
ondernemen om in het jaar 2000 te zijn wat in dat plan staat beschreven.
Kunnen wij een dergelijk actieprogramma voor het volgend jaar nog voor het
reces tegemoet zien, zodat wij de te ondernemen financi-ele acties daarvoor
in de begroting kunnen verwerken? Als dat nog een jaar duurt, zal het pas
voor 1997 gelden en dat is echt te laat, te meer daar in het programakkoord
de milieuparagraaf toch vrijwel alleen bestaat uit het punt dat er een
milieubeleidsplan zou komen met een milieu-actieprogramma. Wij hebben nu op
dat punt al anderhalf jaar verloren.

   Er staat in de onderhavige stukken niets over de voorhoedepositie - het
programakkoord spreekt over het bewaren en het uitbouwen daarvan - en ik
zou graag van de wethouder vernemen, hoe hij denkt, die te kunnen
realiseren. In het begin van de nota staat, dat het College die duurzame
samenleving in 2015 wel zou willen halen, maar in feite legt het College nu
al het moede hoofd in de schoot, omdat het er onmiddellijk op laat volgen,
dat het wellicht niet zal lukken, gezien het feit dat wij hier een hoge
bevolkingsdichtheid hebben en een hoge economische groei noodzakelijk is.
Hoe kunnen wij alsnog dat onderdeel van het programakkoord in de komende
jaren gestalte geven?
   De heer NIAMUT: Mijnheer de Voorzitter. Anders dan de heer Bijlsma
zojuist betoogde, ziet mijn fractie de Integrale Milieuvisie eigenlijk als
een onderliggend document voor meer jaren, op basis waarvan heel
nadrukkelijk regelingen tot stand komen waarmee een milieubeleidsplan voor
de middellange termijn wordt gemaakt, met concrete actiepunten. Mijn
fractie kan zich binnen de twee voorwaarden die zijn genoemd, te weten het
behoud van een goede concurrentiepositie en het hebben van een inzichtelijk
regulerings- en handhavingsregime, voor een groot deel in de acht
grondslagen die zijn genoemd om te komen tot het stedelijke Amsterdamse
beleid, herkennen.
   Jammer is, dat wij in deze toch positieve benadering een element missen
en dat zou toch nadrukkelijk moeten worden genoemd om te kunnen worden
uitgewerkt in het milieubeleidsplan. Dit betekent, dat bij een integrale
benadering, waarvan wij nu al uitkomsten zien als het gaat om de
Milieudienst en de Dienst Ruimtelijke Ordening - daar is nadrukkelijk
sprake van gezamenlijke produkten waarbij al in een heel vroeg stadium twee
beleidsterreinen in elkaar worden verweven, zodat zij elkaar aan het eind
van de rit niet blijken te bijten - knopen moeten worden doorgehakt. De
integrale benadering is erop gericht, in een vroeg stadium de twee
beleidsterreinen samen te koppelen. In dat kader zou het van belang kunnen
zijn - dat vinden wij een gemiste kans - om de procedures met betrekking
tot regelgeving te vereenvoudigen en daardoor beter van kwaliteit te doen
zijn.
      (Mevr. PRINCEN: U merkte op, dat u met de aandachtspunten, waaronder
      de voorwaarde dat de concurrentiepositie van de economie behouden
      moet blijven, kunt instemmen. Vervolgens vraagt u aan het College om
      een integrale benadering van beide ontwikkelingen in de stad. Hoe
      kunt u dan instemmen met het eerste aandachtspunt dat ik zojuist
      noemde, als de Raad daarmee eigenlijk al stelt dat één functie - ook
      een zeer belangrijke functie - al op voorhand voorrang krijgt boven
      de andere functies? Er kan dan geen sprake zijn van een integrale
      benadering.)
   Wij kiezen daar ook duidelijk voor. Als dit een milieuvisie is die voor
een langere termijn geldt, kan die benadering voor de fractie van
GroenLinks de eerste prioriteit hebben, terwijl wij een andere eerste
prioriteit heeft. Wij kiezen voor de groei van de werkgelegenheid in de
regio, gerelateerd aan andere kengetallen, zoals werkloosheid. Op basis
daarvan vinden wij dat deze milieuvisie uitdrukkelijk een hogere graadmeter
moet erkennen, namelijk dat er sprake moet zijn van economische groei. Het
is een verschil van inzicht.
      (Mevr. PRINCEN: Betekent dit, dat de CDA-fractie er op voorhand voor
      kiest om economische ontwikkelingen voor te laten gaan zonder naar
      het milieu te kijken?)
   Dat is wel een erge simplificatie van mijn redenering. Wij streven als
het enigszins mogelijk is naar een zo gelijkwaardig mogelijk opgaan, naar
een integrale benadering vanuit de sectoren milieu en economie, om te komen
tot een gezamenlijk beleidsplan en concrete actiepunten.
   De heer VAN BOMMEL: Mijnheer de Voorzitter. De integrale Milieuvisie
Amsterdam 1994-2015 is een project met veel ambitie. Zij wil aansluiten bij
het bestaande milieubeleid, maar daarnaast het milieuvraagstuk zien in
relatie tot werkgelegenheid, leefbaarheid en veiligheid. Dat is ambitieus,
omdat die zaken soms op gespannen voet met elkaar staan.
   De grondslagen van het Amsterdamse milieubeleid zijn helder
geformuleerd. Ik onderschrijf die grondslagen. Met name de principes "de
vervuiler betaalt" en "waar mogelijk kiezen voor bestrijding aan de bron"
spreken mij aan. Zoals bij alle beleidspunten geldt echter ook hier dat
papier geduldig is en visie nog geen praktijk. Ik zal de voorstellen van
het College in de toekomst dan ook toetsen aan deze milieuvisie.
   Uit het recente verleden wil ik twee voorbeelden noemen. De eerste is de
aanpak van vervuiling bij de historische scheepswerven. De gekozen
werkwijze is wat mij betreft een goed voorbeeld van tweerichtingsverkeer in
de milieucommunicatie, zoals dat in de Milieuvisie wordt genoemd. Het
resultaat is een effici-ente aanpak van die vervuiling.
   Het tweede voorbeeld is naar mijn mening in strijd met de milieuvisie,
namelijk het verlenen van een korting aan bedrijven die veel afvalwater
lozen. Deze grootlozerskorting - tijdens de begrotingsbehandeling heb ik
daartegen ook stelling genomen - is natuurlijk in strijd met het principe,
dat de vervuiler moet betalen. Ik vraag mij dan ook af, of het College in
een voorkomend geval weer tot een dergelijk besluit komt of dat op grond
van deze integrale milieuvisie anders wordt besloten. Mocht dat laatste het
geval zijn, dan heeft deze milieuvisie wat mij betreft maar betrekkelijk
weinig waarde.
   De heer VAN DUIJN: Mijnheer de Voorzitter. Ik ervaar deze schets van een
meer milieuvriendelijke toekomst als positief. Het is heel goed dat een
College een dergelijk visioen ontwerpt over hoe het zou kunnen worden. Het
is ook niet een volledig irre-eel stuk. Het verdoezelt niet, dat er allerlei
problemen aan verbonden zijn, maar het is de vraag, hoe concrete stappen op
weg daar naartoe worden gezet. Behalve de bevolkingsgroei, waarover de heer
Bijlsma sprak, is er natuurlijk ook het probleem dat bijvoorbeeld het
aantal auto's sneller groeit dan de bevolking.
   Er staat één kernzin op blz. 20 van de milieuvisie, luidende: "Pijnlijke
keuzen zijn in dit verband welhaast onvermijdelijk." Dat is juist, maar
welke pijnlijke keuzen staan het College daarbij voor ogen? Veel pijnlijke
keuzen waarvoor wij in het verleden ten aanzien van het milieu zijn komen
te staan werden juist door het College ontweken. Dat het College zich nu
toch voorneemt, pijnlijke keuzen te gaan maken vind ik een mooi voornemen,
maar dat overtuigt mij pas als ik van de wethouder heb gehoord welke dat
zullen zijn.
   Mevr. SPIER-VAN DER WOUDE: Mijnheer de Voorzitter. Voor een beleid is
2015 dichtbij, maar in de tijd redelijk ver weg. De VVD-fractie is van
mening, dat de realiteitswaarde van een toekomstbeeld voortdurend zal
moeten worden getoetst. De onderliggende nota biedt wat mijn fractie
betreft een redelijk kader voor de handhaving van het subtiele evenwicht
tussen Amsterdam als werkstad en Amsterdam als leef- en woonstad. Binnen
dit kader wil de fractie blijven meedenken en zij gaat akkoord met de
voorgestelde besluiten.
   De heer ROBBERS: Mijnheer de Voorzitter. Aan de orde is een lange-
termijnvisie waarbinnen concrete beleidsplannen kunnen gedijen. De
aanzetten daarvoor zijn al in de vorige raadsperiode door de vorige
milieuwethouder gedaan en na uitvoerige inspraak zijn de idee-en en plannen
bijgesteld tot deze korte en heldere visie. De fractie van D66 is het eens
met de aandachtspunten en de achtergronden die worden aangegeven.
   Ik wijs mevr. Princen als indienster van het amendement erop, dat het
naar mijn begrip niet duidelijk is om in een milieuvisie het milieu een
randvoorwaarde te noemen bij iets anders. Bij een milieuvisie of een
milieubeleidsplan is een bepaalde economische factor een randvoorwaarde en
bij economische beleidsvisies kan het milieu een randvoorwaarde zijn. Naar
mijn mening zal de omkering die zij tot stand wil brengen eerder afbreuk
doen aan het hoofdonderwerp van de zaak dan dat die het hoofdonderwerp
bevordert.
      (Mevr. PRINCEN: Ik moet zeggen dat u een prachtig woordspelletje
      speelt, maar het is bijna niet te geloven, dat, hoewel vandaag de
      nota
      integrale Milieuvisie Amsterdam tot 2015 wordt vastgesteld, op basis
      waarvan besluiten in het kader van het milieu worden genomen, de
      sprekers het toch voor elkaar krijgen, de economie weer de boventoon
      te laten voeren.)
   Wethouder BAKKER: Mijnheer de Voorzitter. In mijn eigen fractie ben ik
niet de eerste die altijd over procedures begint, maar ik wil het nu toch
eens doen. In de commissievergadering hebben wij een afspraak gemaakt over
de vraag, hoe wij hiermee verder omgaan. De commissie heeft met de gekozen
richting ingestemd. Ik begrijp de heer Bijlsma wel; hij vindt het allemaal
wat te langzaam gaan, maar ik wijs hem er dan op, dat wij wel bezig zijn
geweest met de Vervolgbijdrageregeling Ontwikkeling Gemeentelijk
Milieubeleid (VOGM), dat de milieuvisie moest worden opgesteld, dat wij in
september komen wij met een Verkenning en vervolgens met het
Milieubeleidsplan. Ik zou dat liever ook wat sneller hebben gedaan, maar
voor mij is het belangrijk, dat wij een milieubeleidsplan krijgen waarmee
wij ook wat gaan doen en waaruit actiepunten voortkomen. Het moet geen
dictaat zijn. Ik kan mij ook niet voorstellen dat dit de bedoeling van de
heer Bijlsma zou zijn.
   Een voldoende draagvlak is daarom van groot belang. Bekend is, dat de
stadsdelen vrij zijn wat betreft het voeren van beleid, maar ik hecht
waarde aan goede overlegsituaties en ik hoop veel in overleg met de
stadsdelen te kunnen doen. Dit houdt dus in het gezamenlijk opstellen van
een goed beleidsplan. Dat neemt echter niet weg, dat, als men al acties zou
kunnen ondernemen - ik neem aan dat daarop wordt gedoeld en dat men
daarover bij de begrotingsbehandeling zou willen spreken - ik dat wil
bekijken. Ik heb reeds aan de Milieudienst gevraagd, mij te informeren over
de mogelijkheden.
   De heer Niamut heeft gelijk als hij zegt dat deze visie onderliggend
moet zijn voor wat er straks gaat gebeuren; in dit verband dank ik ook de
heer Van Duijn, die wat dit punt betreft toch zeer kritisch is, voor zijn
compliment. Als wordt vastgesteld, dat wij acht grondslagen en twee
aandachtspunten hebben die later in het milieubeleidsplan hun weerslag
zullen vinden, zijn wij inderdaad bezig met het werken aan een leefbare en
werkbare stad.
   Mevr. Princen sprak in dit verband over een compacte stad. Zij heeft in
de commissie reeds aangekondigd, dat zij het met dit punt niet eens is. In
de overwegingen van haar amendement staan een paar mooie dingen waarmee wij
samen door een deur kunnen, maar het venijn zit natuurlijk in de staart.
Daar staat: "...en een goede concurrentiepositie van het bedrijfsleven,
wordt een duurzaam milieu als randvoorwaarde aan de economische
ontwikkeling gesteld." Zij zegt in feite dat het College bij de economische
ontwikkeling van de stad het milieubeleid als randvoorwaarde ziet.
GroenLinks, de milieupartij, ziet dat andersom. Naar mijn mening moet men
dit nevengeschikt maken. Ik denk, dat van iedere activiteit het milieu
meestal een beetje slechter wordt. Daaraan is niets te doen en dat moet men
onder ogen zien. Wij kunnen mijns inziens zonder economische ontwikkeling
ook geen milieubeleid voeren. Wij kunnen dan niet meer: "werk, werk, werk"
zeggen in een stad waar de werkloosheid enorm groot is. Ik heb een
economische ontwikkeling nodig om een weloverwogen en goed milieubeleid te
kunnen voeren. Als die punten naast elkaar worden gezet, kan men spreken
van een duurzame ontwikkeling. In verband hiermee deel ik mede, dat de
milieuverkenning niet voor het zomerreces zal verschijnen; de benodigde
cijfers zijn nog niet alle bekend en wij vinden, dat wat wij nu hebben
vastgelegd het beste is; derhalve raad ik aanneming van het amendement af.
   Mevr. PRINCEN: Mijnheer de Voorzitter. In het amendement wordt gesproken
over het naast elkaar zetten van de ontwikkeling van de economie en het
milieu. De wethouder zegt, dat hij dat kan onderstrepen en dat betekent
naar mijn mening, dat hij het eerste aandachtspunt uit het besluit zou
kunnen schrappen, aangezien wij het dan met elkaar eens zijn.
   Vervolgens merkte de wethouder op, dat van elke activiteit het milieu
slechter wordt en dat hij economische ontwikkelingen nodig heeft. In mijn
betoog en ook in het amendement heb ik geprobeerd zo zorgvuldig mogelijk
tot uiting te brengen dat de fractie van GroenLinks niet tegen een
economische ontwikkeling is en niet tegen een compacte stad. Wij vinden
echter, dat bepaalde onderdelen die elkaar nodig hebben en elkaar kunnen
versterken, naast elkaar moeten worden afgewogen. De wethouder is het wat
dat betreft met mij eens en toch zegt hij, dat het milieu ondergeschikt is
en dat vooraf wordt vastgelegd dat aan de economische ontwikkeling geen
randvoorwaarden door het milieu mogen worden gesteld.
   De heer BIJLSMA: Mijnheer de Voorzitter. Ik ben teleurgesteld door het
antwoord van de wethouder. De integrale milieuvisie is naar mijn mening
eigenlijk een gemiste kans; men had er veel meer van kunnen maken. Ik vind
het jammer dat veel tijd aan dit stuk is besteed. De wethouder deelde
zojuist mede, dat de cijfers pas na het reces worden geleverd. De
Milieudienst heeft dan de verkeerde prioriteiten gesteld; voor het reces
kom ik hierop nog terug. Als de cijfers pas in september beschikbaar zijn,
weet ik precies hoe het gaat; alles schuift dan weer op en voor wij het
weten heeft de begrotingsbehandeling ook al plaatsgevonden. Ik heb reeds
verschillende keren opgemerkt dat wij de cijfers voor het reces willen
zien, zodat wij er na het reces en tijdens de begrotingsbehandeling nog wat
mee kunnen doen; zo niet, dan kunnen wij pas in 1997 aan de slag en dat is
veel te laat.
   In het amendement van de fractie van GroenLinks en ook in de nota wordt
min of meer een kunstmatige tegenstelling geschapen tussen economische
groei en de randvoorwaarden van het milieu. Ik vind dat een buitengewoon
kortzichtige visie. De uitdaging voor de komende jaren is juist het
scheppen van een voorbeeldsituatie. Het milieu is niet een beperking van de
economie, het kan juist een uitdaging zijn. De heer Delors heeft vorig jaar
daarover in zijn Witboek behartigenswaardige dingen gezegd; ik beveel de
Raad aan, dit eens goed te lezen. Economische groei die niet duurzaam is
leidt uiteindelijk tot vernietiging van werkgelegenheid. In de afgelopen
jaren is daarvan ook sprake geweest. Er was sprake van ondergebruik van
arbeid en overgebruik van milieubronnen, met als gevolg dat in de afgelopen
twintig jaar de geproduceerde welvaart met 80% is gestegen, terwijl de
totale werkgelegenheid maar met 9% is toegenomen. De wereldmarkt voor
milieuprodukten en -diensten wordt op dit moment geraamd op 440 miljard
gulden per jaar en men denkt dat het in 2000 ongeveer 620 miljard gulden
per jaar zal zijn. De Europese milieu-industrie groeit per jaar 7% en wij
zouden in Amsterdam daarin heel goed kunnen meespelen. De Nederlandse
uitgaven voor het milieu waren volgens het Milieubeleidsplan in 1990 circa
9,5 miljard gulden en dat bedrag is opgelopen tot 13 miljard gulden heden.
Er wordt verwacht, dat het bedrag in 2000 zal zijn gestegen tot 23 miljard
gulden. Wij zouden in Amsterdam, waar twee universiteiten zijn en veel
industrie is
gevestigd, daarvan een behoorlijk graantje kunnen meepikken. Dat ontbreekt
in de milieuvisie. Op basis van de cijfers zouden wij dan volgend jaar
acties kunnen starten om ervoor te zorgen dat in Amsterdam de
werkgelegenheid en het milieu er beter van worden. Dit is een gemiste kans.
   Het amendement van GroenLinks is overbodig, omdat daarin, evenals dat in
de milieuvisie is gebeurd, een kunstmatige tegenstelling wordt geschapen
tussen milieu en economische groei.
      (Mevr. PRINCEN: Ik begrijp niet dat u op grond van uw bijdrage kunt
      stellen dat het amendement overbodig is. Luistert u de band nog maar
      eens af.)
   De heer NIAMUT: Mijnheer de Voorzitter. Ik ben zeer tevreden over het
antwoord van de wethouder. Ik zou wel graag willen, dat hij nog ingaat op
de vraag met betrekking tot de vereenvoudiging en versnelling van
procedures, als element in deze integrale Milieuvisie.
   Ik ben het eens met de inhoud van het besluit van het amendement van de
fractie van GroenLinks, maar ik ben het er niet mee eens om daarvoor
aandachtspunt nr. I uit besluit nr. III uit de voordracht te schrappen. Het
element van economische groei is zeker van belang voor de ontwikkeling van
Amsterdam. Wij zullen tegen het amendement stemmen.
   De heer VAN BOMMEL: Mijnheer de Voorzitter. Ik heb geluisterd naar de
uitleg van de verschillende woordvoerders over het amendement en ik ben het
met de heer Robbers eens, dat men de tekst van het dictum in het amendement
eerder zou verwachten in een nota over economische ontwikkeling. Niettemin
ben ik het helemaal eens met de strekking van het amendement en ik vind,
dat het best mag worden opgenomen in de milieuvisie, want daarmee wordt ook
antwoord gegeven op de vraag die ik heb gesteld, namelijk of de wethouder
waar hij dat maar kan, kiest voor een beter milieu, ook wanneer dat iets
betekent ten nadele van de concurrentie dan wel of hij juist uitgaat van
die concurrentiepositie, zoals is gebeurd bij de grootlozerskorting,
waarnaar ik expliciet heb gevraagd. Zou de wethouder na het aannemen van
deze integrale milieuvisie nog steeds een korting geven aan grote bedrijven
die veel lozen omdat zij anders andere voorzieningen gaan treffen, of zal
hij daarbij andere voorwaarden een rol laten spelen? Als de wethouder
hierop een duidelijk antwoord kan geven, heeft hij meteen ook de vraag van
de heer Van Duijn beantwoord over waar precies de pijn zit.
   De heer VAN DUIJN: Mijnheer de Voorzitter. Ik ben altijd blij met
complimenten van wethouders - ik krijg die niet elke dag - maar ik vond het
compliment van wethouder Bakker een doelloos compliment. Het overheersen
van de economische groei is wel degelijk een bom onder deze milieuvisie.
Niet ten onrechte staat ook in de nota, dat wij in sommige economische
sectoren zullen moeten inkrimpen in plaats van groeien. Mijn vraag blijft
dus van kracht, waar die pijn zit in de keuzen die wij moeten maken.
   Mevr. SPIER-VAN DER WOUDE: Mijnheer de Voorzitter. De VVD-fractie kan
zich helemaal vinden in de formulering zoals die in de voordracht is
gekozen. Wij gaan met de voordracht akkoord en dat impliceert, dat wij niet
voor het amendement zullen stemmen.
   Wethouder BAKKER: Mijnheer de Voorzitter. Richting de heer Bijlsma merk
ik ten aanzien van de procedure en een eventuele versnelling daarvan op,
dat, toen deze voordracht en andere stukken ter zake in de commissie van
advies werden besproken, geen van de leden, ook niet van de zijde van de
PvdA-fractie, bezwaar heeft gemaakt tegen de procedure. Ik vind het erg
vervelend als ik steeds maar hoor dat het allemaal eerder moet. Bekend is,
dat dit onderwerp mij zeer bezighoudt en dat ik wat ik kan doen niet zal
nalaten. Voor het reces komt er een tussenrapportage en dan kunnen wij
erover spreken. Men moet ook niet steeds de ambtelijke diensten onder druk
zetten. Ik wil er overigens op wijzen, dat in de VOGM ook actiepunten
staan. Het is dus niet helemaal juist als men stelt dat er voorlopig niets
zal gebeuren.
   Ik wil zeker niet spreken over een gemiste kans. Dat zijn harde woorden
en die trek ik mij aan, juist omdat het een zeer belangrijk onderwerp is en
juist omdat bij de akkoordonderhandelingen daaraan veel tijd is besteed. De
inzet is er wel, maar alles op zijn tijd.
   Wat betreft de vraag van de heer Van Duijn over de pijnpunten wijs ik
erop, dat die aan de orde komen bij de acties die wij later gaan
ondernemen.
   Op de vraag van de heer Van Bommel over de korting voor de grootlozers
en of ik na het aannemen van deze nota dat nog zou doen, moet ik eerlijk
bekennen dat ik dat niet weet. Ik zou daarover zeker in het College moeten
spreken. Het is zeker niet zo, dat wij voor een ongebreidelde economische
groei zijn. Mijn collega's voor Sociale Zaken en Economische Zaken hebben
toch ook heel wat werk afgeleverd en daarvoor moet ik ook oog hebben. In
die richting wil ik het amendement van de fractie van GroenLinks ook zien:
zet de dingen naast elkaar en draai het niet om. Ik zie dat venijn wel.
Mevr. Princen stelt in haar amendement: "...en een goede
concurrentiepositie van het bedrijfsleven, wordt een duurzaam milieu als
randvoorwaarde aan de economische ontwikkeling gesteld." Ik kan dat niet
iedere keer doen. Als bijvoorbeeld een drukkerij zich in Amsterdam wil
vestigen, kan ik mij voorstellen, dat het milieu daar niet beter van wordt.
Ik ben echter bereid om - wellicht aan de hand van een vereenvoudigde
regelgeving - te gaan praten over de vestiging van een dergelijk bedrijf in
onze compacte stad, waar wij ook schreeuwen om werkgelegenheid. De regels
zijn niet gemakkelijk voor het bedrijfsleven en als wordt gesteld dat een
duurzaam milieu een randvoorwaarde voor de economische ontwikkeling moet
zijn, meen ik dat dit geen goede zaak is. Die belangen moeten nevengeschikt
worden gemaakt; als men dat goed doet en men daar zeer kritisch in is,
spreekt men over een duurzame ontwikkeling en dat is goed voor een duurzame
en leefbare stad.
      (Mevr. PRINCEN: U stelt nu hard vast, dat economische ontwikkeling en
      milieu contra aan elkaar zijn. Ik vind het gevaarlijk als dat zo
      wordt gezegd, want dat behoeft niet zo te zijn. Er kunnen
      milieumaatregelen worden genomen aan de hand waarvan bedrijven zich
      wel kunnen vestigen. U ontkracht het op deze manier; milieu mag niet
      als randvoorwaarde worden genoemd. Telkens als een besluit moet
      worden genomen zal men binnen die compacte stad tussen de
      verschillende functies een afweging moeten maken. Soms zal dit in het
      voordeel en soms in het nadeel van het milieu of van de economische
      ontwikkeling zijn. U weigert bij voorbaat om dat op gelijke voet te
      benaderen.)
   Het College stelt zich op het standpunt, dat het nevengeschikt is, maar
mevr. Princen draait het om. Wij zitten er bovenop en wij zullen niets
verdoezelen; het College zet de punten naast elkaar en mevr. Princen zet er
één voorop.
      (Mevr. PRINCEN: Wij kunnen de discussie over dit punt beter staken. U
      maakt een punt ondergeschikt en ik zet er eentje voorop. Zo kunnen
      wij nog eindeloos discussi-eren. Ik vind, dat die onderdelen naast
      elkaar moeten staan, u vindt dat ook, maar wij leggen het allebei op
      een andere manier uit. Wij zijn het duidelijk niet met elkaar eens.)
   De Raad moet het maar zeggen.

   De discussie wordt gesloten.

   Aan de orde is de stemming over het amendement-mevr. Princen (nr. 241).

   De heer ROBBERS (stemmotivering): Het zal duidelijk zijn, dat de fractie
van D66 het amendement niet zal steunen, omdat wij vinden dat het weliswaar
een uitstekend voorstel is, maar bij het verkeerde onderwerp is ingediend.
Als de fractie van GroenLinks een vergelijkbaar voorstel zou doen bij
bijvoorbeeld een nota over het werven van economische bedrijvigheid, zou
mijn fractie dit wellicht een goede randvoorwaarde vinden, maar in dit
geval beschouwen wij het als een degradatie en zullen wij tegen het
amendement stemmen.
   De heer VAN BOMMEL: Ik ben van mening, dat dit amendement recht doet aan
het integrale karakter dat de wethouder zelf aan de milieuvisie wil geven.
Ik vind, dat de discussie van zojuist er niet toe bijdraagt dat er een
integrale milieuvisie tot stand komt. Ik steun dit amendement van harte.
   De heer BIJLSMA: Ik heb reeds eerder opgemerkt, dat mijn fractie het
amendement overbodig vindt. Mijns inziens berusten de woorden van zowel de
wethouder als die van de fractie van GroenLinks op een misverstand als zou
er een tegenstelling zijn tussen die twee en dat moeten wij juist niet
hebben.

   Het amendement-mevr. Princen (nr. 241), wordt bij zitten en opstaan
verworpen.

   De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige
raadsleden de leden Van Bommel, Dalkiran, Van Duijn, Holvast, Hulsman,
K-ohler, mevr. Princen en mevr. Schutte zich voor het amendement hebben
verklaard.

   Aan de orde is de stemming over de voordracht (nr. 175).

   Mevr. PRINCEN (stemmotivering): Ik deel mede, dat mijn fractie tegen
aandachtspunt nr. I van het besluit onder nr. III is.

   De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de Raad
neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 652 van afd. 1 van het
Gemeenteblad, met inachtneming van de door mevr. Princen namens haar
fractie gevraagde aantekening.

   18
   Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 24 maart 1995 inzake de
Beleidsnotitie Amsterdams Fonds voor de Kunst (Gemeenteblad afd. 1, nr.
176, blz. 653).

   Mevr. GREWEL: Mijnheer de Voorzitter. Het de notitie over Amsterdams
Fonds voor de Kunst is nu eindelijk ter besluitvorming in de Raad. Ondanks
de lange tijd die het genomen heeft, is het toch prettig dat het besluit nu
kan worden genomen.
   Er zal nu behoorlijker met de besluitvorming ten aanzien van de vrije
kredieten worden omgegaan omdat de desbetreffende commissie van advies niet
zelf meer alle deel-kredietjes en alle deel-subsidietjes zal beoordelen aan
de hand van een advies van de Amsterdamse Kunstraad. Het fonds neemt die
taak over. Vanwege de samenstelling van het bestuur hebben wij er alle
vertrouwen in, dat dit goed zal verlopen. Bij de benoemingen zal overigens
mevr. Irik ter zake nog een opmerking maken.
   Er moet nog veel gebeuren. Via een open sollicitatieprocedure moet een
directeur worden aangetrokken. Er moet nog worden bekeken hoe het moet met
prijzen, subsidies en opdrachten, zo ook met het jaarverslag en de advies-
en jureringsprocedure. Dat moet het fonds zelf doen en wij moeten dat
controleren. Die democratische controle zal op een bepaald moment voor de
eerste keer plaatsvinden en dan zal het gevoerde beleid al dan niet worden
goedgekeurd.
   Ik neem aan, dat de vrije kredieten van de amateurkunst ook nog naar dit
fonds overgaan. Dat stond niet in de eerste overheveling van de bedragen,
maar naar mijn mening hoort dat er wel bij.
   Er is een wat kleine Amsterdamse Kunstraad overgebleven en wij hebben nu
een fonds met veel medewerkers. Mijn fractie vreest nu, dat het op sommige
punten een bureaucratische doublure wordt. Gezien evenwel de kwaliteit van
de voorzitter van het bestuur van het fonds is bureaucratie wellicht toch
ondenkbaar.
   Mevr. SPIER-VAN DER WOUDE: Mijnheer de Voorzitter. De VVD-fractie is
blij met de totstandkoming van het Amsterdams Fonds voor de Kunst. Zij zou
echter gelukkiger zijn geweest als die totstandkoming iets minder het
karakter zou hebben gehad van een personeelsoperatie dan die nu heeft
gekregen. Het is een moeizame operatie geweest, maar voor mijn fractie is
het resultaat acceptabel.
   Wat betreft het aantrekken van de directeur van buitenaf is bekend, dat
wij al jaren de wens hebben, een bevlogen directeur aan te trekken die er
wat van wil maken en die het fonds een eigen gezicht kan geven. Wij hopen
van harte, dat onze wens in vervulling gaat.
   Het op afstand zetten van de democratische controle houdt ook een goede
en waterdichte beroepsprocedure in. De VVD-fractie zal dit met aandacht
volgen, want daar zit de garantie voor het goed functioneren van dit fonds.
De VVD-fractie gaat akkoord met de voordracht. Zij is blij dat het zover
is.
   De heer ROBBERS: Mijnheer de Voorzitter. Aan het begin van de procedure
voor de kunstenplanperiode 1997-2000 ligt hier dan eindelijk het voorstel
voor de uitwerking en invoering van een onderdeel van het Amsterdamse
Kunstenplan 1993-1996. Dit kan nog net in deze raadsperiode worden
meegenomen. Het is echter wel een voorstel met kwaliteit. De fractie van
D66 meent, dat na een uitvoerig intern overleg, overleg met de commissie
van advies en alle betrokkenen, er nu een voorstel aan de orde is dat kans
heeft, het heel lang vol te houden. Wanneer wij onze eigen rol goed blijven
vervullen - controle achteraf op de resultaten van wat het fonds doet en
het zo nodig periodiek opnieuw bezien van het contract dat met het fonds
wordt gesloten en dus ook de inhoudelijke randvoorwaarden die wij aan het
fonds meegeven voor de uitoefening van de taak - zal het naar onze mening
ook heel goed gaan. De fractie van D66 heeft daarin het grootst mogelijke
vertrouwen.
   De heer HOLVAST: Mijnheer de Voorzitter. Geruime tijd geleden hebben wij
besloten, dat dit fonds er moest komen. Het fonds functioneert al en de
voorliggende voordracht heeft betrekking op de laatste stappen om alles
legaal vast te stellen. De fractie van GroenLinks heeft daarmee geen enkel
probleem.
   Mevr. Grewel en anderen merkten op, dat de draagtijd van dit besluit wat
lang is geweest, langer dan bij de conceptie werd voorzien. In het
dierenrijk is het zo, dat hoe langer de draagtijd, des te langer de
levensduur is van de soort. Ik wens dat dit fonds ook toe; ik hoop dat het
een lang leven heeft. Aan de andere kant is het een feit dat hoe hoger de
leeftijd van de soort is, hoe minder gemakkelijk zij zich aanpast aan
veranderingen.
   In bijlage 1, behorende bij de beleidsnotitie, staat een zin die
verkeerde verwachtingen zou kunnen oproepen. In de aanhef staat: "Het
gestelde in de notitie is geldig van 1 januari 1995 tot en met 31 december
1996." Naar de letter is dat juist - het is een besluit voor twee jaar -
maar naar de geest beslissen wij natuurlijk over iets dat veel langer haar
geldigheid zal houden, zeker tien jaar of langer. Wij zetten dit op
afstand. Het fonds zal voor lange tijd zijn weg moeten kunnen vinden. Het
krijgt daarbij de volledige steun van de fractie van GroenLinks en wij
hebben er alle vertrouwen in, dat het fonds naar verwachting zal
functioneren.
   De heer SPIT: Mijnheer de Voorzitter. Ik ben met de heer Holvast van
mening, dat het op afstand zetten van de subsidieprocedure een lange-
termijnbeleid is. In dit beleid passen evenzeer de nieuwe voorbereidingen
waarmee de wethouder is aangevangen voor het opnieuw tot stand brengen van
een nieuw kunstenplan. In die "trits" hoort deze voordracht thuis en ik ben
erg blij met die ontwikkeling. Ik zal daaraan, voor zover dat in mijn
vermogen ligt, alle steun geven.
   Toen wij het Amsterdamse Kunstenplan 1993-1996 vaststelden en wij bij de
behandeling daarvan op het idee kwamen, een fonds voor de kunst in het
leven te roepen, is daarbij in de Raad en ook daarbuiten uitvoerig
gesproken over de vraag, wat de regiefunctie van de Raad zou zijn. Wij zijn
er toen niet helemaal uitgekomen en daarna is die vraag weggezakt. Ik had
graag gezien, dat bij de vormgeving van dat fonds dat opnieuw tot leven
komt en wellicht bij het volgende plan tot een beantwoording daarvan.
Daaraan wil ik graag meedoen; misschien ben ik dan met het resultaat
helemaal tevreden.
   Wethouder BAKKER: Mijnheer de Voorzitter. Ik dank de Raad voor de
instemming met de onderhavige voordracht. Het was geen eenvoudige opgave en
daarom heeft het ook zo lang geduurd.
   Er is getracht, niet tot een bureaucratische doublure te komen.
Integendeel, de opzet was, alles ten behoeve van de kunst effectiever en
overzichtelijker te maken.
   Ik zal de Raad binnenkort een voorstel voorleggen om de vrije kredieten
amateurkunst over te dragen aan het fonds.
   Wij zullen bij de totstandkoming van het nieuwe kunstenplan zeker op de
regiefunctie terugkomen.
   Ik ben heel blij met deze voordracht die nu door de Raad wordt gesteund.
Ik heb er behoefte aan, de medewerkers van de afdeling die vele jaren met
veel enthousiasme aan de totstandkoming van het fonds hebben gewerkt, te
bedanken voor wat zij hebben gedaan. Ik hoop dat zij hetzelfde of nog meer
enthousiasme ten dienste van het fonds kunnen opbrengen. Ik ben blij, dat
oud-burgemeester van Amsterdam en tevens oud-wethouder voor de Kunst, de
heer W. Polak, zich bereid heeft verklaard, voorzitter te worden van een
bestuur dat naar ik hoop van wanten weet.

   De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de Raad
neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 654 van afd. 1 van het
Gemeenteblad.

   21
   Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 23 maart 1995 tot het
sluiten van het uitvoeringsconvenant Vinex (Gemeenteblad afd. 1, nr. 173,
blz. 629).

   Hierbij komt tevens in behandeling:

   Adres van 3 april 1995 van B.N. van Trigt namens de Noord-Zuid-Hollandse
Vervoersmaatschappij NV inzake een bovengronds busstation bij het Centraal
Station in relatie tot het uitvoeringsconvenant Vinex.

   Mevr. AGTSTERIBBE: Mijnheer de Voorzitter. Het uitvoeringsconvenant is
een juridische vertaling van het Vinex-akkoord dat wij graag wilden. In het
akkoord staan afspraken op hoofdlijnen over infrastructuur, openbaar
vervoer en woningbouw tussen het rijk en de bouwgemeenten, waaronder
Amsterdam, tot 2005, derhalve een gewichtige zaak.
   Ik memoreer het volgende. Amsterdam bouwt circa 40.000 woningen extra,
waarvan 12.000 in Nieuw-Oost, 3200 in de Middelveldsche Akerpolder en nog
eens 24.300 in de bestaande stad. Dat is nogal wat. Het rijk heeft het
Stadsvernieuwingsfonds verhoogd en geeft Vinex-geld, zodat ook van die kant
een investering in Amsterdam plaatsvindt. Amsterdam zet 30% van zijn
Stadsvernieuwingsfonds in en verkoopt de KTA om met een deel van die
verkoop het project Nieuw-Oost te dekken. Wij hebben de omvang van het
Stadsvernieuwingsfonds tot 1997 vastgelegd en daarna zou het worden
afgebouwd, maar uit de onderhandelingen is gebleken dat het fonds in 1997
wordt herijkt. Zonder een substanti-ele bijdrage in het Stadsvernieuwings-
fonds kunnen wij de door ons zozeer gewenste relatie tussen wat wij gaan
bouwen in de uitleggebieden en de bestaande stad niet in stand houden. De
wens om die relatie vast te houden en te onderlijnen heeft de Raad door
middel van een motie nog eens vastgelegd. Zonder voldoende geld in het
Stadsvernieuwingsfonds kunnen wij onze Vinextaak niet uitvoeren.
   Amsterdam kan volgend jaar, als wij het nodige voorwerk hebben gedaan,
de Noord-Zuidlijn van het Buikslotermeerplein naar Schiphol aanleggen. Ik
leg hierbij de nadruk op het deel van het Centraal Station naar het
Buikslotermeerplein. Wij hebben voor Nieuw-Oost heel hard de IJ-rail nodig.
Via het Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport (MIT) wordt aan al
deze projecten bijgedragen, zij het dat wij graag wat meer zouden willen
hebben.
   Ik kom dan op de kwestie van de 5% kosten voor de openbaar-
vervoerprojecten die Amsterdam zelf zou moeten betalen. In het debat in
juli 1994 is ook al gesteld, dat dit voor Amsterdam een welhaast
onmogelijke taak zou zijn en wij hebben het College toen verzocht, verder
te onderhandelen. In die onderhandelingen is een stap voorwaarts gemaakt.
Wij hebben nog geen ja of nee, maar ik denk, dat het College argumenten in
handen heeft om op een wat langere termijn goede resultaten te behalen. Als
voorbeeld kunnen de Nederlandse Spoorwegen worden genomen die ook voor dit
soort vervoerslijnen niet de 5% eigen bijdrage behoeven te betalen. Wij
zijn allen op de hoogte van de positie van het Gemeentevervoerbedrijf. Dit
zou een buitengewoon moeilijke zaak worden en wij hopen, dat waar die 5%
niet tot 0% komt, straks het ROA mogelijk een bijdrage, kan leveren in dit
zeer belangrijke project voor de Amsterdamse regio. Tot op heden is in het
MIT slechts 950 miljoen gulden geinvesteerd en in de voordracht staat, dat
het College in een continu overleg met het rijk en de regio zal blijven
onderhandelen over het financieel inplannen van met een "V" gemerkte Vinex-
projecten die in het MIT staan aangegeven voor de periode na 1996. Ik
verzoek het College met klem, het noordelijke deel van de Noord-Zuidlijn -
het deel dat Amsterdam-Noord met de binnenstad en de andere stadsdelen
verbindt - nog in de onderhandelingen in te brengen en extra te
benadrukken, want dat hebben wij nodig voor een goed draagvlak en voldoende
passagiersaanbod om het project rendabel te maken.
   Ik kom dan aan de IJ-rail. In de financi-ele afspraken is een
substantieel bedrag opgenomen. De lijn kost meer dan 700 miljoen gulden en
het substanti-ele bedrag is absoluut niet voldoende om de hele IJ-rail aan
te leggen. Daarvoor hebben wij 215 miljoen gulden en daarvan gaat een deel
naar de Piet Heintunnel en een deel naar de Oostertoegang; het is evenwel
een begin. De wethouder moet zich voor 200% inzetten, want zonder die Oost-
Westlijn wordt de wijk die wij graag willen bouwen - IJburg - veel minder
goed bereikbaar.
      (De heer BOUMA: Mag ik u vragen in hoeverre het onafhankelijk
      realiseren van de IJ-rail en IJburg consequenties kan hebben voor de
      besluitvorming met betrekking tot IJburg?)
   Het is natuurlijk met touwen aan elkaar verbonden; dergelijke zaken moet
men als een proces zien en daarbij moet men de termijnen in acht nemen. Als
men bijvoorbeeld de hele lijn niet op tijd gereed zou kunnen hebben om de
eerste 8500 bewoners - de uitruil met de gemeente Haarlemmermeer - te
kunnen bedienen, kunnen wij voorlopig bussen inzetten, maar uiteindelijk
moet die lijn er wel komen.
   In de vorige voordracht stond een aantal toetspunten waaraan het
onderhavige convenant zou moeten voldoen. Een aantal heb ik reeds genoemd
en ik loop die kort na. Allereerst noem ik de 5%-bijdrage voor de Noord-
Zuidlijn. De wethouder heeft daarover nader onderhandeld en ik verwacht van
hem resultaten, mede gezien de bijlagen en met name de brief van de
minister van Verkeer en Waterstaat.
   De doorloop van de financiering na 2003 is natuurlijk ook een proces dat
in onderhandelingen steeds verder moet worden uitgebouwd.
   De fasering van de woningbouw in Nieuw-Oost was geregeld - dus een deel
naar de gemeente Haarlemmermeer - maar dat wil niet zeggen dat wij onze
taakstelling later niet willen en kunnen halen.
   Het Stadsvernieuwingsfonds wordt herijkt; dat is mooi. De Belstato-
gelden hebben wij als een lump-sum gekregen en dat is ook binnen. Het
dekken van het risico inzake de bodemsanering wordt nog een verhaal apart,
maar daarvoor is een werkgroep ingesteld; dat is ook een kwestie van een
voortschrijdend proces. Het College moet daarmee vooral doorgaan.
   De convenanten moesten gelijktijdig worden ondertekend; Almere is nog
niet zover. De toekomstige stadsprovincie zal dat naar mijn mening in orde
maken.
   De stadsvenieuwingstekorten zijn afgewikkeld en daarmee is het College
goed op weg om te voldoen aan het onderhandelingsproces dat in de vorige
raadsvoordracht was opgenomen.
   In de voordracht wordt gereageerd op de door de Raad ingediende moties.
De resultaten van het proefeiland Nieuw-Oost zouden bekend moeten zijn
voordat een aanlegbesluit kan worden genomen. Die resultaten zijn nog niet
bekend; die wachten wij nog af. Wij weten niet wat Nieuw-Oost gaat kosten.
Destijds hebben wij daarvoor een substantieel bedrag van 560 miljoen gulden
begroot. Daarna is nog eens gerekend en men is toen tot de conclusie
gekomen, dat op dat bedrag 110 miljoen gulden zou kunnen worden ingeleverd.
Wij verkopen de KTA; van dat bedrag wordt 300 miljoen gulden bestemd voor
Nieuw-Oost. Dat is een zeer substanti-ele bijdrage van de gemeente
Amsterdam. Wij krijgen 250 miljoen gulden van het rijk om Nieuw-Oost te
bouwen, maar desondanks, omdat wij nog niet weten wat het precies gaat
kosten, zal er toch opnieuw met het rijk moeten worden onderhandeld. Bruin
- dat is dan Amsterdam - kan wel wat trekken, maar niet alles.
      (De heer SPIT: Ik kan mij niet herinneren, dat deze Raad heeft
      beslist over de verkoop van de KTA, noch over de besteding van de
      gelden die daaruit voortkomen.)
   Tijdens het vorige Vinex-debat is er inderdaad op dat punt geen apart
besluit genomen. Die intentie is echter in februari en in juli 1994
uitgesproken en op die intentie ga ik door, want ik neem aan, dat de Raad
geen debatten houdt voor niets. Omdat die 300 miljoen gulden het maximum is
dat bruin kan trekken, dien ik samen met de heer Bouma een motie in waarin
deze opvatting is verwoord.
      (De heer K™HLER: In de tijdens het vorige debat aangenomen motie van
      de PvdA-fractie was ook opgenomen dat er een deugdelijke regeling
      diende te worden getroffen voordat wij het uitvoeringsconvenant
      kunnen vaststellen.)
   Ik wijs erop, dat de werkelijke kosten van de Noord-Zuidlijn nog niet
bekend zijn, omdat er nog wordt gerekend en getekend. Er is afgesproken,
dat in mei een stuk daarover de inspraak ingaat en dat in september
daarover in de commissie van advies een discussie zal volgen. Wij hebben
inderdaad gesteld, dat wij een definitief besluit nemen - dat wordt pas het
volgend jaar - als de werkelijke kosten bekend zijn en als wij een
subsidietoezegging van het Kabinet hebben. In de tussentijd kan verder
worden onderhandeld om het maximum eruit te halen. Dan zullen wij een en
ander beoordelen. Onze intentie is en blijft echter positief, mede gezien
de stappen voorwaarts die wij tot nu toe hebben gezet. Het is wel van het
grootste belang, dat de gegevens zo snel mogelijk beschikbaar zijn, zodat
wij versterkt uit het debat over de herijking van het Stadsvernieuwings-
fonds komen.
   De fractie van de PvdA beoordeelt deze voordracht positief. Er zijn veel
stappen voorwaarts gemaakt, maar wij zijn er nog lang niet; het proces zal
nog vele jaren vergen.

   Tijdens het betoog van mevr. Agtsteribbe heeft de burgemeester de
vergadering verlaten, na het presidium te hebben overgedragen aan wethouder
De Grave.

   De VOORZITTER, wethouder DE GRAVE, deelt mede, dat is ingekomen:

17ø   Motie van 5 april 1995 van de raadsleden mevr. Agtsteribbe en Bouma
inzake een eventueel tekort bij de aanleg van IJburg (Gemeenteblad afd. 1,
nr. 242, blz. 875).

   De motie wordt voldoende ondersteund en terstond in behandeling genomen.

   De heer BOUMA: Mijnheer de Voorzitter. Het uitvoeringsconvenant is voor
de VVD-fractie een zeer belangrijke beleidsovereenkomst waaraan een
investering en financiering van miljarden guldens is gekoppeld, met name
wat betreft de woningbouw, de infrastructuur en de bodemsanering.
Natuurlijk hebben wij te maken met nog wat losse einden, zoals de IJ-rail
en de Noord-Zuidlijn, maar er is ook bepaald, dat indien er sprake is van
overmacht met betrekking tot de uitvoering, er opnieuw met het rijk zal
moeten worden onderhandeld. Per project zullen nog aanlegbesluiten moeten
worden genomen.
   Voor de VVD-fractie is er sprake van een zeer nauwe relatie tussen de
ontwikkeling van IJburg en de IJ-rail. In de tekst staat echter, dat er in
1995 al een aanlegbesluit zal moeten worden genomen over IJburg, terwijl de
subsidiebeschikking inzake de IJ-rail niet eerder dan in 1996 kan worden
verwacht. Daartussen zit wat licht. Mijn fractie gaat echter verder dan de
fractie van de PvdA, die sprak over het inzetten van bussen. Wij willen
namelijk, dat IJburg en de IJ-rail ongeveer tegelijkertijd worden
opgeleverd. Dit betekent dat, als IJburg wordt bewoond, daar goed openbaar
vervoer moet zijn. Hoe ziet de wethouder de loskoppeling van IJburg en de
IJ-rail en welke mogelijkheden zouden er in 1996 zijn om richting rijk te
kunnen stellen dat er een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid met
betrekking tot IJburg en de IJ-rail bestaat, maar dat, als er geen
subsidiebeschikking voor de IJ-rail wordt afgegeven, het wat Amsterdam
betreft even ophoudt met de ontwikkeling van IJburg?
      (De heer K™HLER: Begrijp ik goed dat u zegt, dat er geen eerste fase
      IJburg moet plaatsvinden zonder dat wij zekerheid hebben over de IJ-
      rail?)
   Er zit ongeveer één jaar tussen de verschillende besluiten die daarover
moeten worden genomen.
      (De heer K™HLER: Het gaat mij niet om de termijnen, maar wel om de
      inhoud van de zaak. Zegt u nu namens de VVD-fractie: geen eerste fase
      IJburg zonder zekerheid over de IJ-rail?)
   Voordat er daadwerkelijk wordt geinvesteerd in IJburg, moet naar onze
mening zekerheid bestaan over de IJ-rail. Dat er in het tussenliggende jaar
voorbereidingen enz. worden verricht is goed, maar er moet wel heel snel
een definitief besluit worden genomen over de IJ-rail om in elk geval
zekerheid te hebben over de komst daarvan.
   Wat de 5%-regeling betreft is mijn fractie van mening, dat de gemeente
Amsterdam zeer moeilijk 5% zal kunnen bijdragen aan de infrastructuur van
het openbaar vervoer, de Noord-Zuidlijn en de IJ-rail. Op termijn zal
daarover ook duidelijkheid moeten komen. Die 5% zal of nog door het rijk
worden betaald, of zal op de een of andere manier uit de exploitatie moeten
komen en dat kan wellicht consequenties hebben voor de wijze van werken; ik
denk dan met name aan het realiseren van gescheiden (wellicht hogere)
tarieven voor de verschillende systemen. Op dit moment bestaat daarover nog
geen zekerheid, maar de VVD-fractie gaat ervan uit, dat Amsterdam die 5%
niet behoeft bij te dragen.
   Met betrekking tot het bovengronds busstation heeft de Raad in juli 1994
het besluit genomen, dat er een adequate oplossing voor een dergelijk
station moet worden gevonden. Op dit moment is die oplossing nog niet
bekend. Er worden nog verschillende onderzoeken uitgevoerd. Mij hebben nog
geen echte alternatieven bereikt, maar tot die tijd blijft voor ons
overeind staan, dat er een adequate oplossing zal moeten worden gevonden.
Dat heeft dan niet alleen betrekking op de noordelijke steden, maar het zal
een adequate oplossing moeten zijn voor het openbaar vervoer dat op dit
moment halteert bij het Centraal Station. Een decentraal model dat leidt
tot een extra overstap en wellicht een slechtere vervoerswaarde wijzen wij
af.
   Bij de vorige discussie over de Vinex heeft het College toegezegd, dat
het ervoor zal zorgen dat er een jaarlijkse terugkoppeling zal plaatsvinden
over de uitvoering van het convenant. Wij willen hierbij benadrukken, dat
er een jaarlijkse terugkoppeling moet zijn inzake de planning, de stand van
zaken met betrekking tot de verschillende aanlegbesluiten en de mogelijke
knelpunten. Ik neem aan, dat de wethouder die toezegging gestand zal doen.
   De heer ORANJE: Mijnheer de Voorzitter. De fractie van D66 gaat ervan
uit, dat wat betreft de hoogte van de uitkomsten van de onderhandelingen
dit het maximaal haalbare is. Commentaar daarop heeft in zoverre niet veel
zin, dat het zou leiden tot meer geld van het rijk. Voor ons is echter van
belang, dat tijdens het proces in de komende tien jaar en daarna een grote
flexibiliteit en faseringsmogelijkheid in de programma's zijn opgenomen,
want iedereen weet nu al dat dit programma natuurlijk nooit daadwerkelijk
zo zal worden uitgevoerd; er zullen in het verloop van het traject nog
diverse veranderingen optreden. Projecten worden vertraagd, worden duurder
of worden ingewisseld voor andere projecten en er worden nieuwe eisen
gesteld. De begrotingen van ministeries veranderen ook nog wel eens, zo ook
de afstemming van de begrotingen tussen de diverse ministeries, maar de
Raad moet toch uiteindelijk beslissen of de projecten doorgaan. Wij hebben
dus te maken met veel mitsen en maren en dat betekent, dat er sprake moet
zijn van een grote flexibiliteit in de afspraken; dit noemt men
tegenwoordig de "blauwe hoed". Het gaat er echter om, dat bepaalde
problemen worden opgelost en dat het anders gaat dan de discussie over het
ondergronds busstation. Toen leek het, dat, als er links en rechts wat werd
gegeven en genomen, er een zeer gewenste oplossing zou kunnen worden
bereikt. Er ging toen één partij dwarsliggen en uiteindelijk worstelen wij
nu nog met de oplossing voor een busstation. Dat is natuurlijk niet de
bedoeling van de nota Amsterdam naar 2005 en de uitvoering van het
structuurplan.
   Wat de woningbouw in de binnenstad betreft is het bijzonder lastig, de
genoemde locaties te halen; een en ander is wel afhankelijk van het
herijkingsmoment Belsato in 1997. Als er ontwikkelingen plaatsvinden die
wij niet hebben voorzien, zou dat grote consequenties kunnen hebben voor
onze uitbreidingsgebieden.
   De fractie van D66 is op grond van de ruimtelijke overwegingen nog
steeds sterk voor realisering van IJburg. Wij zullen dat ook overal
uitdragen, maar de uiteindelijke beslissing zal nu waarschijnlijk in
november 1995 worden genomen. Wij hebben echter te maken met verschillende
problemen en die gaan verder dan gesteld in de motie van mevr. Agtsteribbe
c.s. Het heeft natuurlijk ook te maken met de vraag, in hoeverre de
milieucompensatie moet worden uitgevoerd en hoeveel meer het gescheiden
riool en de auto-ontsluiting kosten. Er zijn dus veel meer factoren die
zouden kunnen leiden tot hoge kosten. Wij moeten dus afwegen, of de
omgezette tekorten per woning acceptabel zijn. Ik neem echter aan, dat het
niet de bedoeling van de ingediende motie is, aan te geven dat alle andere
tekorten of overschrijdingen, behalve het landaanmaken, zo'n probleem
vormen.
      (Mevr. AGTSTERIBBE: Absoluut niet!)
   Tot november 1995 zijn wij voor IJburg en daarna valt de beslissing.
   Er zijn verschillende randvoorwaarden gesteld, die voor een groot deel
niet zijn vervuld. De 5%-regeling is al genoemd, zo ook de koppeling aan de
Belsato, die absoluut onmogelijk is omdat die pas in 1997 plaatsvindt en
IJburg al eerder wordt ge-effectueerd. Die koppeling is dus bijzonder
lastig. Een groot probleem vormt ook de motie over de onderhoudsbehoefte in
de stad. In de Commissie voor Beheer Openbare Ruimte enz. is dat nog niet
aan de orde geweest en dat was toch ook een voorwaarde. Wij zullen derhalve
bij elk aanlegbesluit beoordelen of uitvoering mogelijk is. Tot zover
zullen wij alle projecten, zowel binnenstedelijk als in de uitleg, steunen.
   De koppeling van de infrastructuur en de woningbouw is uitermate
cruciaal; ook bij IJburg speelt dit een grote rol. De fractie van D66
vindt, dat dit in november 1995 een belangrijke factor is in de beoordeling
of het project wel of niet moet doorgaan. Ik weet niet, of de bus een goed
tijdelijk alternatief zou kunnen zijn. Dat zal tegen die tijd moeten worden
beoordeeld; mijn fractie is er namelijk niet voor, allerlei wijken te
bouwen als er niet sprake is van een goede infrastructuur, aangezien dan
ook de oorspronkelijke randvoorwaarde, namelijk dat een aanzienlijk deel
van de bewoners zich via het openbaar vervoer moeten kunnen verplaatsen,
kan worden gehaald.
   Wat betreft het busstation sluit ik mij geheel aan bij de woorden van de
heer Bouma.
   Concluderend merk ik op, dat wat de onderhandelingen met het rijk
betreft nu het meest haalbare lijkt te zijn bereikt. Wij zullen echter bij
elk project afzonderlijk beoordelen of er - voor zover dat binnen de
bevoegdheid van de gemeente Amsterdam ligt - daadwerkelijk tot realisering
zal worden overgegaan. Cruciaal zijn echter de fasering en de flexibiliteit
in de onderhandelingen en de planvorming met betrekking tot de diverse
projecten.
   De heer K™HLER: Mijnheer de Voorzitter. De Vinex-onderhandelingen waren
en zijn bedoeld om te voorzien in de financi-ele middelen om de grote
behoefte aan woningen in en bij de grote steden te kunnen oplossen. Er kan
echter pas worden gebouwd als er gelijktijdig ook geld is voor voldoende
bodemsanering en wat mijn fractie betreft genoeg geld om nieuwe woonwijken
met hoogwaardig openbaar vervoer te ontsluiten.
   Het is naar de mening van de fractie van GroenLinks moeilijk te zeggen,
of de Vinex-onderhandelingen tot nu toe geslaagd kunnen worden genoemd.
Voor de komende tien jaar is van alle punten een beetje geregeld. De Noord-
Zuidlijn loopt vooralsnog van het Centraal Station naar het World Trade
Center en zelfs voor dat deel is de financiering voor nog vele honderden
miljoenen guldens niet rond. Daarvoor is overigens wel de claim die wij nog
hadden op een deel van de oude stadsvernieuwingsgelden ingeleverd.
      (De VOORZITTER, wethouder DE GRAVE: U spreekt terecht over "een deel
      ingeleverd". Dat komt nog in de Raad. Het overgrote deel hebben wij
      wel ontvangen.)
   Dat is juist, maar er was nog een behoorlijk bedrag dat wij in ruil met
de Noord-Zuidlijn hebben laten vallen; die kan natuurlijk pas worden
aangelegd als wij de overige honderden miljoenen guldens krijgen, anders
hebben wij een kat in de zak.
   De eerste fase van IJburg wordt gestart met de zekerheid, dat 215
miljoen gulden van de ongeveer benodigde 1 miljard gulden voor de IJ-rail-
Oost tot nu toe is toegezegd. Wat betreft de binnenstedelijke woningbouw is
er vanaf het moment dat de stadsvernieuwingsgelden in 1998 eventueel zouden
stoppen nog niets geregeld. Wij vallen ons daar overigens geen buil aan,
want tegenover het feit dat het rijk weinig hard heeft gemaakt van wat het
heeft toegezegd, maakt ook de gemeente aan alle kanten voorbehouden. Het
meest beeldend is dat verwoord in de voordracht, namelijk dat een
uitvoeringsconvenant nog geen aanlegbesluit is. Die opmerking is wel
jammer, want het maakt van dit convenant een gezamenlijke
intentieverklaring met een tamelijk vrijblijvend karakter. Er heeft een
regeringswisseling plaatsgevonden; wij hebben nu een paars College en een
paars Kabinet, dat zegt, prioriteit te geven aan het grote-stedenbeleid.
Men had dan mogen verwachten, dat een groot aantal onzekerheden in overleg
met het nieuwe Kabinet tot een oplossing was gebracht. Het tegendeel lijkt
het echter geval. Ten opzichte van wat de vorige Regering had geboden en
wat Amsterdam er nog bij heeft gevraagd, is er niets geboden. Integendeel,
er zijn nieuwe knelpunten, zoals de vraag of er ook nog wel sociale
woningbouw met betaalbare huren in uitbreidingswijken mogelijk zal zijn.
Dat is zeker niet tot een oplossing gebracht; er is nog geen cent voor
geboden.
   Het is natuurlijk zeer belangrijk hoe de collegepartijen dat beoordelen,
met name de fractie van de PvdA, aangezien die fractie tijdens het vorige
debat aan de reeks voorwaarden die het College al had gesteld, aan de hand
van de twee aangenomen moties van de heer Van der Laan een groot aantal
randvoorwaarden heeft toegevoegd; mevr. Agtsteribbe was daarover in haar
betoog niet zo duidelijk. In één van de moties is als randvoorwaarde
opgenomen, dat voor de meerkosten van de Noord-Zuidlijn, thans begroot op
1,2 miljard gulden, dus de meerkosten nog boven op die 1,2 miljard gulden,
inclusief het deel naar het Buikslotermeerplein, een deugdelijke regeling
dient te worden getroffen. Dat is nu niet het geval; wij binden ons ook tot
niks maar die deugdelijke regeling is op dit moment ook niet getroffen. Dat
staat allemaal tussen haakjes en wij weten alleen, dat het bedrag van
950 miljoen gulden dreigt te zakken naar 930 miljoen gulden en dat er
ongeveer 1,5 miljard gulden nodig zal zijn.
      (De heer VAN DER LAAN: Er is geen binding. De situatie blijft dus
      gewoon van kracht tot aan het moment dat wij onszelf gaan binden. Als
      randvoorwaarde blijft het dan voor 100% overeind.)
   Natuurlijk; u bindt u nu niet om de Noord-Zuidlijn aan te leggen. Dat
kan ook niet als de gemeente daarvoor niet genoeg geld heeft. Binnen het
hele uitvoeringsconvenant was het echter nu juist zo, mede gezien het
inleveren van een deel van een claim op de oude stadsvernieuwingsgelden,
dat wij met dit uitvoeringsconvenant de financiering voor de Noord-Zuidlijn
van Noord naar Zuid/WTC zouden binnenhalen. Dat was toch de strekking van
de desbetreffende motie.
      (De heer VAN DER LAAN: De strekking van de motie was, dat wij niet
      eerder beginnen aan de Noord-Zuidlijn en ook niet worden verplicht om
      die lijn aan te leggen, dan nadat die deugdelijke regeling van de
      meerkosten 100% zeker is.)
   Ik vind dan, dat u die motie niet had moeten indienen; dit is echt het
intrappen van een open deur. Als Amsterdam een lijn voor 900 miljoen gulden
gaat aanleggen die wellicht 1,5 miljard gulden kost, hadden wij dat ook
zonder uw nader aanscherpende motie wel met elkaar kunnen concluderen.
      (De heer VAN DER LAAN: In het verleden zijn heel wat lijntjes
      aangelegd zonder dat dit zo duidelijk was.)
   Dat is waar, hoewel u dit mij niet zozeer kunt verwijten. U hebt daarin
gelijk.
   De heer Van der Laan heeft in het vorige debat een andere motie
ingediend - mijn fractie heeft daar toen niet voor gestemd, maar de
meerderheid van de Raad en met name de PvdA-fractie vond het zeer
belangrijk - waarin staat: "...te zamen met de uitkomsten van het
onpartijdig onderzoek naar de onderhoudsnoden van de stadsdelen, tijdig
voor de behandeling van het onderhandelingsresultaat over het Vinex-
uitvoeringsconvenant aan zijn Vergadering voor te leggen opdat deze
gegevens bij de beoordeling van dat resultaat kunnen worden betrokken." Er
heeft geen onderzoek plaatsgevonden, dus het College betrekt niets, maar
toch is het College van plan in te stemmen met de onderhandelings-
resultaten. Wij hebben daarmee niet zo'n moeite mee, want wij vonden het
een oneigenlijke koppeling, maar ik ben er wel in geinteresseerd, of de
woordvoerder van de PvdA-fractie in tweede termijn duidelijk kan maken wat
toen zo essentieel was, maar nu kennelijk wel kan passeren. Die fractie
laat die koppeling klaarblijkelijk nu vallen.
      (Mevr. AGTSTERIBBE: U weet dat daarover besprekingen gaande zijn.)
   Dat lees ik allemaal in de voordracht, maar uw fractie heeft toen gezegd
dat het vóór die tijd moest worden vastgelegd aangezien u zich niet zou
binden aan dit uitvoeringsconvenant, inclusief de gemeentelijke bijdrage,
als u niet wist hoe dat zich verhoudt tot de onderhoudsnoden elders in de
stad. U weet dit nog niet en er wordt in de Raad niets afgesproken en toch
wilt u zich vastleggen op dat bedrag als Amsterdamse bijdrage.
      (Mevr. AGTSTERIBBE: Ik heb onder andere verwezen naar de komende
      onderhandelingen over de opvulling na 1997 van het Stadsvernieuwings-
      fonds.)
   De heer GOEDHART: Mijnheer de Voorzitter. Ik deel de constatering van de
heer K-ohler dat het paarse Kabinet wat betreft het Vinex-akkoord geen
versnelling brengt; er is dus geen vooruitgang ten opzichte van een Kabinet
met het CDA te constateren. Dat verbaast ons niet. Wij vinden dan ook, dat
op dezelfde weg moet worden voortgegaan. De onderhavige voordracht gaat
naar onze mening voldoende voort, in voorzichtigheid, op de weg die wij het
vorig jaar zijn ingeslagen.
   De CDA-fractie heeft ten aanzien van de in de voordracht genoemde punten
geen wezenlijke opmerkingen. De zaken leveren nog genoeg ruimte om concrete
besluiten te nemen wanneer meer duidelijkheid wordt geboden. Ik heb wel een
paar vragen. In motie nr. 242 staat dat, als zich voor Amsterdam een groter
tekort dan 300 miljoen gulden op de grondexploitatie van IJburg zal
voordoen, Amsterdam niet gehouden is aan de aanleg van IJburg. Dat kan heel
verstandig zijn, maar wat is nu de aanleiding om op dit moment al een
dergelijke veiligheidsclausule in te bouwen naast alle andere clausules die
wij al hebben? Voelen de fracties van de PvdA en de VVD nu al nattigheid
bij IJburg?
      (Mevr. AGTSTERIBBE: In de motie staan verschillende punten aangegeven
      waardoor de kosten hoger zouden kunnen uitvallen. Wij zeggen niet dat
      wij dan het werk afblazen, maar dat er opnieuw moet worden
      onderhandeld. Naar onze mening kan bruin nu niet meer trekken dan
      genoemd bedrag van 300 miljoen gulden.)
   Bruin kan wel meer niet trekken en dat is natuurlijk in het hele proces
voldoende meegenomen. Door het indienen van een dergelijke motie wekt u bij
ons de indruk, dat u zich langzaam begint terug te trekken van de aanleg
van IJburg.
         (Mevr. AGTSTERIBBE: Die indruk is niet juist.)
   Met betrekking tot de Noord-Zuidlijn wordt het onderhandelingsproces
over de 5%-bijdrage verder gevoerd in het kader van het ROA en losgekoppeld
van dit uitvoeringsconvenant. Betekent dit nu ook, dat het ROA die 5% gaat
financieren als dat zo uit het overleg komt?
   Wat betreft het busstation wordt gesteld, dat er plaatsen zullen worden
gereserveerd voor bussen uit Waterland en de Zaanstreek. Ondertussen wordt
nog overleg met de busbedrijven en het ROA gevoerd. Wordt met dit besluit
nu een voorschot op de uitkomst van dat overleg genomen of bestaat er
overeenstemming? Onze indruk is dat die overeenstemming nog niet bestaat en
dat zou dan impliceren, dat dit besluit nog moet kunnen worden aangepast.
   Wethouder STADIG: Mijnheer de Voorzitter. Ik ben het eens met de
sprekers die opmerkten, dat dit convenant een stap in een proces is. Men
heeft het proces in de Raad kunnen volgen, want eerst heeft de Raad in
februari 1994 het akkoord in hoofdlijnen gehad, vervolgens in juli 1994 het
debat - toen waren wij weer een stukje verder - en nu is er weer veel
gebeurd en is aan de orde een raadsvoordracht met wel 14 overgelegde
bijlagen. Dat alles is in de tussentijd geproduceerd. Het werk is nog niet
gereed, zoals terecht is opgemerkt. De onderhandelingen gaan de komende
tien jaar, successievelijk bij elk van de projecten die het betreft, gewoon
door. Op een bepaald moment kan dan in het proces een fase worden
afgesloten. Wij kunnen nu de fase van het uitvoeringsconvenant afsluiten,
nog even onder voorbehoud dat Almere de laatste handtekening zet, maar
gezien de berichten zijn wij daar niet pessimistisch over. Ik wijs er voor
alle duidelijkheid op, dat er vanaf dat moment geld binnen begint te
stromen. Dat is een zelfstandige reden om die handtekening te plaatsen. Het
rijk houdt nu nog zijn plasje op. Zodra er handtekeningen zijn geplaatst
komt er geld.
   Mevr. Agtsteribbe heeft veel dingen genoemd waarop ik alleen maar
instemmend kan reageren. Vanwege de spreektijd zal ik daar maar niet verder
op ingaan.
   Zij merkte ook op, dat Noord niet moet worden vergeten. Er bestaat geen
enkele twijfel over dat het College en de Raad - naar mijn mening zijn wij
daarin heel eensgezind - willen, dat de metrolijn van het Buikslotermeer-
plein naar Zuid/WTC en uiteindelijk verder naar Schiphol loopt. Los van die
verlenging naar Schiphol - daarover wordt pas in 1999 gesproken - zegt
niemand van de kant van het rijk dat het deel in Noord er niet bijhoort.
Men kan er verzekerd van zijn dat het College erover blijft doorzeuren; dit
zit ook in het bedrag van 1,5 miljard gulden. Het is voor ons een integraal
onderdeel van het project.
   Ik ben met mevr. Agtsteribbe van mening, dat 215 miljoen gulden voor de
IJ-rail niet genoeg is. Ik zal mij inderdaad voor 200% inzetten voor meer
geld. Als men nu ziet wat het ROA aan projecten heeft neergelegd die in de
komende tien jaar uit het MIT zouden moeten worden bekostigd - het zijn
projecten die in het RVVP zijn opgenomen - en als men dat afzet tegen de
stroom middelen die het rijk volgens het huidige inzicht de komende tien
jaar beschikbaar stelt, kan men constateren dat de stroom die beschikbaar
komt ongeveer 200 miljoen gulden per jaar zal zijn, terwijl wij eigenlijk
circa 300 miljoen gulden nodig hebben. Wij moeten ons allen inzetten om het
rijk te laten inzien dat er meer geld naar deze regio moet - dus niet
alleen naar Amsterdam - en dat dit ook allemaal heel goed besteed is. Ik
heb enige hoop op de discussie over de kapitaaldienst. Het zou goed kunnen
zijn dat men op rijksniveau besluit die kapitaaldienst weer in te stellen
en dan voorzie ik wat meer mogelijkheden dan er nu zijn.
   Ik kom dan aan motie nr. 242. Ik vat die motie zo op, dat er nog een
keer, misschien nog wat duidelijker dan voorheen, tegen het College wordt
gezegd, dat het er maar voor moet zorgen dat het bij het aanlegbesluit met
een rekensom komt die op 300 miljoen gulden sluit. Daarin zitten dan ook
alle kostensoorten die de heer Oranje aanstipte; het gaat niet alleen om de
aanlegkosten, maar als men de kostenkant van de begroting ziet vormen die
kosten wel verreweg het grootste bedrag. Wij weten echter nog niet hoe
groot het precies wordt. Verleden jaar wisten wij veel minder dan nu. Wij
zijn met het proefeiland bezig en er wordt al geruime tijd van alles
gemeten. Er zijn zes zaken die worden gemeten die later ook zullen worden
ge-evalueerd. Het is de bedoeling dat wij bij het nemen van het
aanlegbesluit weten wat het wordt. Ik zat hier niet zo ontspannen als ik in
de tussentijd van de ingenieurs die daar bezig zijn alleen maar slechte
berichten zou ontvangen. Tot op heden zijn de berichten, dat het lijkt mee
te vallen. Misschien blijven wij daar onder de door ons verwachte kosten,
zodat een tegenvaller met bijvoorbeeld een brug die iets duurder uitvalt,
wel kan worden meegenomen.
   Aan het adres van de heer Oranje merk ik op, dat in IJburg in het
gescheiden rioolstelsel is voorzien en dat dit in de rekensommen is
meegenomen. Zoals in de meeste grote locaties binnen de stad, bijvoorbeeld
het Oostelijk Havengebied, de Middelveldsche Akerpolder enz. zit dat erin.
Bij de echte binnenstedelijke woningbouw hebben wij niet met dat gescheiden
stelsel rekening gehouden. Als men daar met een normbedrag aan de gang gaat
en dat vermenigvuldigt met het aantal woningen, zou het voor de hele
binnenstedelijke woningbouw 25 tot 30 miljoen gulden kunnen betreffen. Men
daarbij de vraag stellen of, als er bijvoorbeeld projectjes van 100
woningen worden gebouwd, daar dan wel een gescheiden stelsel moet worden
aangelegd. Dat ligt niet erg voor de hand. Wij zullen op projectniveau daar
goed naar moeten kijken.
   Mevr. Agtsteribbe heeft gevraagd, of ik ervoor wil zorgen dat de IJ-rail
een "V" krijgt. Zij wordt op haar wenken bediend want in één van de vele
stukken staat de IJ-rail - weliswaar met 215 miljoen gulden - met een "V".
   Richting de heer Bouma merk ik op, dat wij al verschillende keren hebben
gediscussieerd over de kwestie IJ-rail en IJburg. De minister van Verkeer
en Waterstaat heeft eens gezegd: "Geen IJ-rail zonder IJburg en geen IJburg
zonder IJ-rail." Dat heeft iets met het beeld van de kip en het ei te
maken. Ik herhaal, dat het nu de kunst is, de spanning die daarin zit niet
te laten uitlopen op een impasse waarin iedereen op iedereen wacht, zodat
er dus niets gebeurt, maar om die samenhang in de loop van de tijd vast te
houden. Ik ben voor wat betreft de intenties van rijk vooralsnog
optimistisch, afgezien dan van het feit dat er weinig geld is, maar
inhoudelijk is er geen discussie over. Als de heer Bouma echter stelt, dat
wij pas het aanlegbesluit kunnen nemen als wij zeker weten dat de IJ-rail
in zijn geheel er komt, krijgen wij in het najaar van dit jaar een
probleem, want dan moet IJburg worden uitgesteld. Ik wijs er overigens op,
dat wij aan het eind van het jaar niet het definitieve besluit nemen om
IJburg in één keer aan te leggen. Het zijn eilanden en men kan dus in
principe de aanleg in de tijd uitsmeren en faseren. In elk geval is er een
eerste en een tweede fase. Het besluit over de tweede fase zal pas jaren na
nu zijn. Ik ga ervan uit, dat er dan over de IJ-rail veel meer bekend is
dan nu.
   Er is nog een punt van belang. De Noord-Zuidlijn - althans het deel
tussen CS en Zuid/WTC - moet min of meer in één ruk worden aangelegd. Men
kan de boormachine niet halverwege stilzetten en zeggen dat men het volgend
jaar wel weer verder gaat. Wat dat betreft ligt het bij de IJ-rail anders.
Die kan men namelijk gefaseerd aanleggen. Wij hebben nu reeds twee stukjes
IJ-rail aangelegd respectievelijk in aanleg, namelijk het stuk van de Piet
Heintunnel en het stuk van de Oostertoegang. Wat mij betreft is het
volgende stukje daar waar in het middengebied de sporen omhoog moeten
worden gehaald. Dan komt achter het Centraal Station het stukje dat nodig
is om de kruising met de Noord-Zuidlijn te maken en dan zou kunnen blijken
dat wij voor de 215 miljoen gulden die wij hebben de strategische stukken
toch al kunnen aanleggen. Als dat het beeld is, denk ik dat ik in de eerste
fase van IJburg de woningbouwers voldoende duidelijkheid kan geven over de
gang van zaken, want die kijken er ongeveer net zo goed als de Raad naar of
het echt wat wordt met die lijn. Wij kunnen dan laten zien wat al is
aangelegd, men ziet dan de bouwkranen en de rest komt er ook. Ik zou niet
zo strikt als de heer Bouma dreigt te doen, de koppeling willen maken dat
wij pas iets over de eerste fase kunnen beslissen als wij heel zeker weten
dat de gehele IJ-rail er komt. Ik hoop echter, dat hij het met mij eens is
dat het gelijk oplopen redelijk te organiseren moet zijn. Dat is in elk
geval mijn inzet.
      (De heer BOUMA: Eind 1995 zal er een aanlegbesluit worden genomen
      over IJburg en ik kan mij dan voorstellen dat bij de planning
      van de eerste fase randvoorwaarden met betrekking tot de aanleg van
      de IJ-rail worden gesteld.)
      (De heer K™HLER: Wie stelt dan welke voorwaarden aan wie? Dat is geen
      vraag aan de wethouder, hoewel die wel het woord had.)
   Zo vat ik dat ook op.
      (De heer BOUMA: De gemeente Amsterdam stelt in overleg met het rijk
      voorwaarden vast met betrekking tot de financiering van al die fasen
      van IJburg.)
   Het lijkt mij wat lastig als men het op die manier wil organiseren. Als
eind 1995 wordt besloten, de eerste fase IJburg te gaan aanleggen, is het
eerste wat er dan plaatsvindt het maken van land. Daarmee zijn wij,
inclusief inklinken enz. een paar jaar bezig. Het zou dan onzin zijn om te
zeggen - de heer Bouma heeft dat overigens ook niet gezegd - dat wij in die
tijd de lijn in bedrijf willen hebben. Ideaal is natuurlijk dat, als de
huizen worden opgeleverd, de metro gaat rijden. Ik ben het daarmee van
harte eens, maar het lijkt mij wel een brug te ver. Ergens in het proces,
als er een aantal woningen is, moet die lijn er zijn. Als de heer Bouma dit
in 1995 heel hard koppelt, is daarvan de consequentie dat het aanlegbesluit
voor IJburg opschuift. Dat gaat nogal ver en ik pleit dus voor een gelijk
opgaan.
   Met betrekking tot de 5%-regeling deel ik mede, dat het ROA daarmee
bezig is; formeel gezien is dat ook juist. Op de vraag, of Amsterdam die 5%
zal betalen, luidt het antwoord ontkennend, behalve dan in ROA-verband.
Naar mijn mening zijn er twee mogelijkheden. De eerste is dat het rijk
betaalt; dat is ook het mooiste; dat is de lijn van mevr. Agtsteribbe en
dat staat ook in de voordracht. De Noord-Zuidlijn is eigenlijk geheel
vergelijkbaar met een project van de Nederlandse Spoorwegen; die heeft die
5% niet te betalen, dus wij willen dit ook niet voor de Noord-Zuidlijn. Als
wij dat redden, betaalt het rijk en dan zijn wij klaar. Willen wij dat
niet, dan gaat het ROA het financieren en vervolgens zal het, volgens de
systematiek van het openbaar vervoer, in de vorm van een kilometer-
vergoeding in rekening worden gebracht aan de gebruikers van die buis. Wie
die gebruikers worden, zien wij dan nog wel. Dat is het systeem en de
veronderstelling is, dat de gebruiker van de buis met zijn tarieven en de
genormeerde rijkssubsidie in staat moet zijn, die 5% terug te verdienen.
      (De heer K™HLER: Waarop baseert u die veronderstelling?)
   Ik baseer die op de door de Tweede Kamer genomen besluiten over het hele
systeem van financiering van het openbaar vervoer.
      (De heer K™HLER: In Amsterdam is over deze rail natuurlijk geen enkel
      onderzoek gedaan waaruit zou blijken, dat En een kostendekkingsgraad
      die nodig is En daarbij die 5% - dus 5% van een bedrag van 1 miljard
      gulden - samen een haalbare optie zouden zijn. Het enige onderzoek
      dat wij daarover hebben, de infrastructuur aan het IJ, wijst op het
      tegendeel. U moet uw optimisme op meer baseren dan alleen op de
      uitspraak van de Tweede Kamer dat het zo wel kan.)
   Er is een onderzoek van de Commissie-De Boer. Daarin staat onder meer
dat reizigerskilometers per metro verreweg het goedkoopst zijn. Daaraan
ontleent men dus de titel en de gedachtengang van die 5%, waarbij als
motivering wordt aangegeven, dat, als een eigen bijdrage wordt ingebouwd,
een regio wordt gestimuleerd tot zuinigheid; anders worden er allerlei
leuke dingen verzonnen omdat het rijk dan toch wel betaalt. Die rem is erop
gezet.
In principe kan het, maar als men zegt dat 5% van 1 miljard gulden wel erg
veel is en dat de rekensom dan misschien niet opgaat, ben ik het daarmee
eens. Vandaar dat het was ons betreft een "NS-achtig" project is en, zoals
bekend, behoeft de NV Nederlandse Spoorwegen die 5% niet te betalen. Het
proces loopt nog en wordt in eerste instantie door het ROA getrokken.
   Wat betreft het busstation is het ook hier de vraag, wie nu precies een
voorwaarde stelt aan wie. Het College heeft gezegd, dat het streeft naar
een adequate oplossing. Wethouder Bakker is daarmee bezig; er worden op het
Stationsplein bovengronds allerlei dingen in beeld gebracht, met name voor
de bussen uit de Zaanstreek en Waterland, want daar zat destijds de pijn.
Als dan wordt gezegd dat dit niet genoeg is, is mijn vraag wat men dan wil;
ik kan geen ondergronds busstation uit mijn mouw toveren. Het rijk zou een
dergelijk station moeten betalen en dat heeft laten weten, dit niet te
zullen doen. Het College streeft ernaar, binnen de fysieke ruimte die er is
en met subsidie van het ROA te zorgen voor een adequate oplossing. In vind
niet, dat er moet worden gezorgd voor alle bussen die bij het Centraal
Station komen. Het lijkt mij, dat de bussen die uit bijvoorbeeld Aalsmeer
komen niet tot in lengte van jaren door de hele stad behoeven te rijden.
Die zullen dan kunnen stoppen bij het station Zuid/WTC of misschien bij de
Amstelveenseweg. Zolang de metro niet is doorgetrokken naar Purmerend,
moeten de mensen uit die richting wel gewoon met de bus naar het Centraal
Station kunnen komen.
      (De heer BOUMA: U spreekt over een ondergronds busstation maar dat is
      voor mij buiten beeld. Er is inderdaad een besluit genomen, om in
      overleg met het ROA een adequate bovengrondse oplossing te
      realiseren, waarbij het ROA 48 plaatsen heeft voorgesteld. Die
      adequate oplossing moet er wel komen; ik ben er echter nog niet van
      overtuigd, of het alleen voor Waterland en de Zaanstreek moet
      gelden.)
   In juli van het vorig jaar heb ik gezegd, dat de bussen die uit het
zuiden komen niet altijd bij het Centraal Station behoeven te komen. Er
komen bussen van het Gemeentevervoerbedrijf uit Noord en als het station-
Buikslotermeerplein eenmaal zal zijn gerealiseerd, is het nu al zeker dat
daar een andere lay-out komt van het busnet. De grote pijn zit in Waterland
en Purmerend en er moet in elk geval voor worden gezorgd, dat bussen uit
die streken ordelijk bij het Centraal Station een plaats krijgen.
      (De heer ORANJE: Het gaat mij erom, dat deze formulering die in het
      Vinex-akkoord wordt gebezigd niet moet afwijken van datgene wat de
      Raad heeft besloten en die indruk hadden wij wel, omdat er een andere
      formulering staat, namelijk dat er voldoende plaatsen voor bussen uit
      de Zaanstreek en Waterland moeten zijn, terwijl in het debat dat wij
      hier hebben gevoerd ook de bussen van het Gemeentevervoerbedrijf een
      nadrukkelijke rol hebben gespeeld. Als u echter zegt, dat hetgeen nu
      wordt voorgesteld helemaal niet afwijkt van datgene waartoe wij
      hebben besloten, is er wat ons betreft niets aan de hand.)
   Evenals de vorige keer neem ik afstand van het getal van 48. Dat is voor
mij geen heilig getal.
      (De heer K™HLER: Destijds hebt u gezegd, dat er zou kunnen worden
      gesproken over koppelen. Men kon van Noord naar het Centraal Station
      en van daaruit verder naar Zuid en Amstelveen. Dat vond ik een veel
      beter verhaal. Nu zegt u - en daartoe hebben wij nooit besloten - dat
      de mensen die uit plaatsen ten zuiden van Amsterdam komen, dan maar
      moeten overstappen. Buiten dit debat zal ik daarover nog wel eens
      nader met het College willen spreken.)
   Ik weet zeker dat ik de vorige keer heb gezegd, dat er lijnen kunnen
worden doorgekoppeld en dat er nog meer varianten kunnen worden bedacht.
Wat het doorkoppelen betreft is het een prettige ontwikkeling dat het
busbedrijf NZH inmiddels ook het zuiden van de regio onder zijn hoede
heeft, dus dat zou in principe mogelijk moeten zijn.
   Wat betreft de opmerking over de terugkoppeling wijs ik erop, dat wij
dat al doen. Ik kom ieder jaar bij de Raad met een raamraadsbesluit en een
programma voor de ruimtelijke vernieuwing, terwijl wij bovendien verplicht
zijn, elk jaar aan het rijk verslag te doen over de Vinex, aangezien wij
anders ons geld niet krijgen. Die terugkoppeling is zonder meer geregeld.
   Aan het adres van de heer Oranje merk ik wat betreft de flexibiliteit
op, dat, als men ziet wat er in de onderhandelingssfeer is gebeurd, men kan
constateren dat er flexibiliteit is toegevoegd. 


De lump-sum Belsato lijkt
buitengewoon technocratisch, maar geeft ons veel meer mogelijkheden om met
projecten te schuiven zonder dat er meteen wordt gezegd dat wij het geld
kwijt zijn. Ook in de formulering van de brief van de staatssecretaris en
het gesprek dat wij hebben gehad is duidelijk gemaakt, dat er sprake is van
een inspanningsverplichting; Amsterdam doet zijn uiterste best, want het
zijn onze burgers die woningnood hebben. Wij gaan die woningen bouwen, maar
op is op. De essentie van de blauwe-hoed-formule waarover de heer K-ohler
sprak is dat wij niet tot het onmogelijke zijn gehouden.
   De heer Oranje heeft opgemerkt, dat zijn fractie tot november 1995 kan
instemmen met de voordracht. Ik hoop in 1995 iets voor te leggen waardoor
zij ook daarna voor blijft. Dat is de inzet en dat is ook mijn
interpretatie van de motie van mevr. Agtsteribbe en de heer Bouma.
   Als de heer Oranje zegt, dat hij het aanlegbesluit per project gaat
beoordelen, ben ik dat geheel met hem eens. Dat is ook de benadering die
het College al die tijd heeft gekozen.
   De heer K-ohler heeft gezegd, dat er binnenstedelijk na 1997 niets is
geregeld, maar dat ben ik niet met hem eens. Wij sparen nu al voor de kwade
dagen; dat is de 30% die wij nu opzij zetten. Dat is gedeeltelijk bestemd
voor na 1997 en verder is het ook niet zo, dat na 1997 het Stadsver-
nieuwingsfonds in één klap naar nul gaat. In acht jaar zal het naar nul
gaan en de discussie met het rijk zal dus gaan over het tempo waarin; wat
ons betreft het liefst zo langzaam mogelijk. Er blijft derhalve geld komen,
maar niet meer die bedragen die wij deze drie jaar nog hebben.
   Voorts heeft de heer K-ohler gezegd, dat het paarse Kabinet niets heeft
opgelost. Ik vind dat de brieven die wij hebben gehad en die nu als "side
letters" naast het eigenlijke convenant liggen, toch de brieven zijn die
het het College mogelijk hebben gemaakt om nu te kunnen voorstellen, het
contract te tekenen. Als daarbij niet de brief van de minister van Verkeer
en Waterstaat had gelegen, hadden wij hier moeten zeggen dat het te weinig
is en dat het niet lukt. Het College interpreteert met name die brief, maar
ook de brieven van staatssecretaris Tommel over de stadsvernieuwing en de
bodemsanering zo, dat daar het maximale committment ligt wat bewindslieden
binnen het kader van de rijksregels kunnen bieden. Wij vinden, dat dit
Kabinet ons wel degelijk verder heeft geholpen.
      (De heer K™HLER: Wat staat er nu meer voor committment in die brief
      dan in de brieven van haar voorgangster?)
   Zij schrijft onder meer: "Wij gaan jaarlijks met de HID aan tafel
zitten, gezien het grote belang van het programma van de openbaar-
vervoersprojecten in het kader van de ontwikkeling van de regio." Zij zal
dan overleggen over de stand van de projecten, zodat er ook kan worden
geanticipeerd op concrete afspraken, ook met betrekking tot de doorloop van
de majeure projecten na 2004. Voorts staat er: "Ik zal mij tot het uiterste
inspannen om de financi-ele inpassing in het MIT te laten sporen met het
door de regio gewenste tempo." Verder moeten wij er wel voor zorgen dat er
plannen zijn. Wij zijn hier namelijk altijd geneigd pas in beweging te
komen als het laatste dubbeltje is geregeld, terwijl de tegenpartij zegt
dat er eerst een plan moet worden gemaakt, aangezien men dan weet waarover
men het heeft. Dat doen wij nu gelukkig wel. Wij zijn bijvoorbeeld bezig
met het maken van plannen voor de Noord-Zuidlijn; daarmee zijn wij al zeer
ver. Tijdens het proces blijkt plotseling dat die lijn duurder wordt en dan
ziet men, dat er van de zijde van het rijk daarop tamelijk beheerst wordt
gereageerd. Iedereen weet, dat pas als men plannen maakt, de echte kosten
boven tafel komen, met name bij dergelijke projecten. Overigens zetten wij
tegenwoordig overal onzekerheidsmarges van 35% op de cijfers, daarna 25% en
vervolgens 10%, dat loopt dan af volgens de regels die Rijkswaterstaat
daarvoor ook hanteert, teneinde het proces beter in de hand te kunnen
houden. Ik ben vooralsnog tevreden over de inzet van het Kabinet; meer kan
men in redelijkheid in dit stadium niet verwachten, ook gegeven datgene wat
wij zelf doen.
      (De heer K™HLER: U citeerde enkele zinnen uit de brief van de
      minister van 13 december 1994. Achter het "redelijk laten sporen"
      schrijft de minister ook: "U noemt in uw brief drie projecten die
      naar verwachting een doorlooptijd hebben tot na 2004. Op basis van
      nader onderzoek zal het ROA in de komende jaren meer zicht moeten
      geven op de haalbaarheid en de financi-ele consequenties van deze
      projecten." Ik kan hierin toch niet keihard een committment lezen dat
      verder gaat dan soortgelijke brieven van de vorige minister. Ik ben
      wel met u eens, dat zij helemaal niets kan toezeggen voor gelden voor
      na 2005, maar daarmee zijn wij dan precies even ver als wij waren
      voor deze briefwisselingen.)
   Ik heb geen brief gezien van de vorige minister met een dergelijke
tekst. In de volgende alinea verzoekt de huidige minister ons wel om
plannen te maken, aangezien wij anders in de ruimte blijven praten. Zo vat
ik tenminste die alinea op.
      (De heer GOEDHART: Ik begrijp, dat u blij bent dat minister mevr.
      Jorritsma haar werk doet, maar veel meer extra's zit er toch niet
      in.)
   Wat kan men zich beter wensen dan een minister die haar werk doet.
   Met betrekking tot de onderhoudsnormen van de stadsdelen wijs ik erop,
dat collega De Grave bezig is met de operatie Schoon door de poort. In die
operatie worden, zoals bekend, die normen meegenomen. Wat er precies in de
Commissie voor Beheer Openbare Ruimte enz. is gezegd is mij niet helemaal
bekend, wel dat het onderwerp meer dan ruime aandacht heeft.
   De heer Goedhart heeft gevraagd of er ten aanzien van het busstation bij
het Centraal Station overeenstemming is met het ROA. Dat is niet het geval,
want wij hebben nog niet kunnen laten zien hoe dat station er precies uit
moet zien.
Wat ons betreft zal het ROA het moeten betalen en dus zal die
overeenstemming er moeten komen.
   De heer BOUMA: Mijnheer de Voorzitter. De wethouder heeft zich
afgevraagd, of de bussen van uit de zuidkant van Amsterdam tot in lengte
van dagen door moeten naar het Centraal Station. Natuurlijk moet dat wel
als die bussen vol passagiers zitten. Vanuit een openbaar-vervoersafweging
moet de vraag worden gesteld, wat de consequenties zijn als die bussen ten
zuiden van Amsterdam stoppen dan wel indien zij doorgaan naar het Centraal
Station, waar treinen komen en waar goede aansluitingen zijn op de rest van
het openbaar vervoer. Er zal derhalve een aantal deugdelijke alternatieven
op tafel moeten komen, waarbij verschillende varianten zijn doorgerekend en
waarbij de consequenties, onder andere stedebouwkundige inpassingen en met
de name de openbaar-vervoersconsequenties, in kaart zijn gebracht. Op basis
daarvan zullen wij dan tot een besluit komen.
   Als er in 1995 een aanlegbesluit zou worden genomen over IJburg, wat
gebeurt er dan tussen het genomen aanlegbesluit en het realiseren van de
subsidiebeschikking over de IJ-rail? Bestaan de voorbereidingen uit het
tekenwerk of worden er al forse investeringen gedaan in verband met de
landwinning enz.?
      (Wethouder STADIG: Ik heb dat reeds gezegd. Tot aan het aanlegbesluit
      wordt er veel tekenwerk gedaan - dat kost ook geld - en na het
      aanlegbesluit wordt er gespoten.)
   De intentie van de VVD-fractie is, te voorkomen dat wij straks een
fantastisch mooi IJburg hebben en geen hoogwaardig openbaar vervoer. Als de
intentie van het rijk is om dat op die manier gezamenlijk te realiseren,
vind ik dat men dit het best in de vorm van een aanvullende overeenkomst
kan gieten. Er moet in elk geval meer duidelijkheid zijn over het
realiseren van de IJ-rail en IJburg.
      (De heer K™HLER: U verschaft mij ook geen duidelijkheid. In de
      onderhavige voordracht staat, dat de besluitvorming over het
      aanlegbesluit eerste fase IJburg noodzakelijkerwijs moet worden
      losgekoppeld van de definitieve subsidiebeschikking voor de
      uitvoering van de IJ-rail. Zegt de VVD-fractie nu dat zij daar wel of
      niet mee akkoord gaat? Of komt zij nog met een tussenvoorstel?)
   Als er in november 1995 een besluit wordt genomen over IJburg moet er
meer duidelijkheid zijn over het wel of niet kunnen doorgaan van de IJ-rail
en de consequenties daarvan.
      (De heer K™HLER: Tot in IJburg?)
   Inderdaad.
      (De heer K™HLER: Ik constateer dan, dat u op dat punt afstand neemt
      van de voordracht. Dat is uw goed recht - ik kritiseer dat niet -
      maar ik heb graag duidelijkheid.)
   De heer ORANJE: Mijnheer de Voorzitter. Ten aanzien van de gescheiden
riolering is natuurlijk wel een punt van discussie hoe dat wordt betaald,
want het is nog niet helemaal duidelijk of dat in de grondexploitatie dan
wel in het rioolrecht zit. Als het laatste het geval het geval zal zijn en
de grondexploitatie nog steeds hetzelfde is, moeten wij natuurlijk niet
doen alsof er niets aan de hand is, want de burgers betalen er dan toch
voor. Ik wacht overigens met spanning op de notitie over dit onderwerp, die
reeds lang geleden is aangekondigd.
   De mening van de fractie van D66 over het busstation is nog steeds
dezelfde als die zij tijdens de debatten ter zake had. Er bestaat overigens
nog een levensgroot probleem van de 5%-regeling. Die kan misschien links of
rechts wel ergens uit worden betaald, maar het probleem is, dat het straks
in de tarieven tot uiting komt. Uit de vervoerscijfers van het
Gemeentevervoerbedrijf blijkt dat wij nu ongeveer aan het plafond hebben in
verhouding tot de autotarieven. Als de tarieven nog wat gaan stijgen,
zullen de opbrengsten niet toenemen, want het aantal passagiers dat zal
worden vervoerd wordt minder.
   Van de infrastructuur moeten wij duidelijk vaststellen, dat die er
uiteindelijk wel zal komen, maar dat het langer zal duren en dat die in
delen zal moeten worden aangelegd. Dat is op zichzelf niet zo erg, behalve
dan als dat wordt gekoppeld aan woningbouw. Dat is dan in het bijzonder bij
IJburg een probleem, omdat wij er niet zo voor zijn, IJburg fasegewijs aan
te leggen, want IJburg is eigenlijk alleen acceptabel als het als een grote
stadslob wordt aangelegd. Een klein eilandje zal niet een voldoende
voorzieningenniveau hebben om te kunnen bestaan, ook niet voor een
hoogwaardige railvoorziening. Er zijn dus veel afwegingspunten waarop wij
in november 1995 een antwoord zullen moeten geven.
   Wij zullen met deze Vinex-resultaten in de hand zeer ingenieuze
uitvoeringsprogramma's moeten maken, want er zullen veel zaken exact op
elkaar moeten worden afgestemd. Dat is buitengewoon ingewikkeld, omdat
infrastructuur en woningbouw verschillende planningsmechanismen hebben. Men
kan er echter wel voor zorgen, dat niet alles op alles moet wachten en dat
uiteindelijk het rijk aan de Tweede kamer zal moeten rapporteren dat er
sprake is van een ernstige onderuitputting. Dat zal nog een enorme klus
worden, mede gezien de bevoegdheden van de stadsdelen, de gemeente, de
provincie en niet in de laatste plaats het ROA.
   Wat betreft motie nr. 242 neem ik aan, dat niet wordt bedoeld, dat als
zich bij andere projecten een majeure afwijking voordoet, er dan niet
sprake zou zijn van een overmachtssituatie. Als dat inderdaad niet wordt
bedoeld, steunen wij de motie.
   De heer K™HLER: Mijnheer de Voorzitter. Op grond van de beantwoording
handhaaf ik onze conclusie dat hier niet zozeer sprake is van een
uitvoeringsconvenant als wel van een convenant waarin wordt vastgelegd, dat
de belangrijkste besluiten over de uitvoering pas later, onder nadere
voorwaarden, zullen worden genomen; dat betreft een deel van de
binnenstedelijke woningbouw, IJburg, de Noord-Zuidlijn en de IJ-rail. Het
is dus niet meer dan een intentieverklaring. Wij hebben overigens geen
enkel bezwaar tegen een gezamenlijke intentieverklaring om naar behoefte
woningen te gaan bouwen, openbaar-vervoerverbindingen te verbeteren en
vervuilde grond te saneren; wij zullen de voordracht onze steun niet
onthouden. Kan de Pvda-fractie wellicht nog per interruptie aangeven - zij
heeft namelijk geen spreektijd meer - waarom zij de vorige keer heeft
gezegd dat de noodzakelijke middelen voor het achterstallig onderhoud in de
stadsdelen hier gelijktijdig moeten worden besproken en in een afweging
moeten worden betrokken bij de noodzakelijke gemeentelijke bijdrage voor
deze Vinex-operatie? Voor ons hoefde dat toen niet; wij vonden het een
oneigenlijke koppeling en zijn blij dat het is losgekoppeld, maar mijn
vraag is, waarom de PvdA-fractie die dat eerst per se wilde koppelen, nu
daarover ineens zwijgt en er kennelijk mee instemt, dat het wordt
ontkoppeld.
      (De heer VAN DER LAAN: Bekend is dat er een uiterst gevoelige
      discussie heeft plaatsgevonden over uitleg nieuwe stad en onderhoud
      bestaande stad. Dat was een of/of-discussie en die is in de Raad
      omgebogen in een en/en-discussie. Daarover bestond toen een vrij
      brede overeenstemming. De vorige keer toen wij over de Vinex spraken
      is ervan uitgegaan dat in het uitvoeringsconvenant echte plichten
      zouden worden opgenomen, waaraan wij zouden vastzitten. Wij hebben
      toen gezegd, dat wij pas een plicht op ons wilden nemen op het moment
      dat wij ook weten wat de noden van de bestaande stad precies in
      guldens uitgerekend tot 2005 en daarna zijn; vandaar die motie nr.
      533 van 1994. Zoals men in de voordracht heeft kunnen lezen, heeft
      het College ter uitvoering van de motie de zaak eigenlijk verbreed en
      is die van onderhoud openbare ruimte, waarom het eigenlijk ging,
      omgezet in hoe het straks in 1998 gaat met betrekking tot de
      kapitaallasten, het vermogen van de stadsdelen enz. Dat is ons gemeld
      en vanuit de stadsdelen hebben wij begrepen dat het niet alleen
      loopt, maar dat het ook heel goed loopt en daaraan hebben wij op dit
      moment, omdat wij nu geen verplichtingen op ons nemen in het Vinex-
      uitvoeringsconvenant waaraan wij vastzitten, genoeg. Men kan ervan
      verzekerd zijn - men ziet dan de consistentie met het beleid van onze
      fractie in het verleden - dat, als het allemaal nog niet duidelijk is
      op het moment dat de eerste aanlegbeslissing moet worden genomen ten
      aanzien van hetzij IJburg, hetzij de Noord-Zuidlijn, wij dat allemaal
      op tafel willen hebben. Dan is het boter bij de vis.)
   Ik ben blij, dat wij kennelijk de interpretatie delen dat wij met dit
uitvoeringsconvenant geen verplichtingen op ons nemen.
   Wethouder STADIG: Mijnheer de Voorzitter. Als de heer Bouma met
betrekking tot het busstation zegt, dat wij ooit, als alles op tafel ligt,
de vervoersaspecten en de stedebouwkundige aspecten moeten afwegen, kan ik
dat alleen maar met hem eens zijn. Wij zouden dan wel tot bepaalde
conclusies kunnen komen maar hij heeft gelijk dat wij daar niet op vooruit
moeten lopen.
   Bij IJburg wringt het wel. Ik voel mij door de bijdragen van de heer
Bouma en de heer Oranje geprikkeld om nog maximaal te proberen, nog meer
duidelijkheid te verkrijgen. Of mij dit lukt, zelfs met deze paarse
minister, weet ik nog niet. Zoals de heer Oranje opmerkte, zullen wij
inderdaad een afweging moeten maken.
   Wat de betaling van het gescheiden rioolstelsel betreft wijs ik er op,
dat niet het rioolrecht wordt belast, maar dat het in de grondexploitatie
zit. Het gaat dan wel om een verbeterd gescheiden stelsel, want het gewone
stelsel zat er altijd al in. Los daarvan is er een discussie over de vraag
of het aanleggen van riolen, gescheiden of niet gescheiden, in de
grondexploitatie moet worden geregeld of dat wij zeggen dat wij dit via een
rioolaansluitingsrecht moeten regelen. De vraag is dan welke techniek de
beste is. Het is in elk geval duidelijk dat de burger er niet rijker van
wordt, of het nu op de ene of op de andere manier wordt gedaan. Het is een
kwestie van de beste toerekening van kosten.
   De 5%-regeling komt in het tarief terug, maar de Commissie-De Boer
stelt, dat er ook naar de kostenkant moet worden gekeken; de
reizigerskilometers per metro zijn inderdaad de goedkoopste. Dat is ook de
reden om bijvoorbeeld volle bussen in de metro te laten "leeglopen".
   De onderuitputting is wellicht ons grootste probleem. Laten wij proberen
om het geld dat wij hebben uit te geven zonder tegelijkertijd risico's te
nemen die wij niet kunnen dragen; wij moeten echter wel aan het werk.
   Met betrekking tot motie nr. 242 merk ik op, dat ik gezien het
onderhandelingsproces hier moeilijk kan zeggen dat ik geen bezwaar heb; als
de Raad deze motie aanneemt is dat een feit.

   De discussie wordt gesloten.

   Aan de orde is de stemming over de motie-mevr. Agtsteribbe c.s. (nr.
242).

   De heer K™HLER (stemmotivering): De overwegingen in de motie vinden wij
veel te rooskleurig, maar het besluit om ons niet te binden aan IJburg,
maar daarover nog nader te spreken als daarvoor meer geld nodig is dan nu
is voorzien, lijkt ons een verantwoord besluit. Wij steunen de motie.
   De heer VAN DUIJN: Ik kan niet in alle overwegingen van de motie
meegaan. één ding bevalt mij in de motie en dat is de opmerking dat de
gemeente Amsterdam niet onder alle omstandigheden gehouden is tot de aanleg
van IJburg. Ik steun de motie.
   De heer GOEDHART: De CDA-fractie meent, dat deze motie op een zeer
ontijdig moment komt en een verkeerde indruk geeft over onze inzet ten
opzichte van IJburg. Bovendien doen wij dan een uitspraak over een
verbintenis die uiteindelijk door het ROA wordt aangegaan. Wij zullen deze
motie niet steunen.

   De motie-mevr. Agtsteribbe c.s. (nr. 242) wordt bij zitten en opstaan
aangenomen.

   De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige
raadsleden de leden Goedhart, Niamut en Spit zich tegen de motie hebben
verklaard.

   De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de Raad
neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 642 van afd. 1 van het
Gemeenteblad.

   Het bij dit agendapunt tevens aan de orde gestelde adres wordt in handen
van Burgemeester en Wethouders gesteld ter afdoening.

   Aan de orde zijn de benoemingen.

   De VOORZITTER: Ik stel voor, over te gaan tot de benoemingen en ik
verzoek de aanwezigen op de tribune, na nog een korte opmerking van mevr.
Irik, de zaal te verlaten. Intussen kan dan worden gestemd en kunnen de
stemmen worden geteld. Na het comitE-generaal zal ik de uitslag in het
openbaar bekend maken.
   Mevr. IRIK: Mijnheer de Voorzitter. Ik zal niet spreken over de personen
die op de benoemingslijst staan; hun kwaliteit staat niet ter discussie.
Wij kunnen vandaag echter alleen stemmen op mannen en als ik kijk naar de
tenaamstelling, kunnen wij alleen maar stemmen op blanke mannen. Was het nu
de enige keer, dan zou het mij niet hebben uitgemaakt, maar dit is in een
serie van benoemingsvoorstellen het geval geweest. Dit betekent, dat het
College veel kwaliteit laat liggen en een kans mist om in samenspraak met
alle groeperingen in deze stad ons beleid te vormen. Ik vind het een
verkeerde zaak en ook heel ouderwets, dat ik anno 1995 ervoor moet pleiten
dat bij ons benoemingsbeleid in adviesraden werkelijk iedereen moet worden
betrokken. Voegt men dit samen met het feit dat het College de
Emancipatieraad, een jaar geleden door deze Raad ingesteld, nog nooit
formeel om advies heeft gevraagd, dan moet ik constateren dat met name
vrouwen onderbelicht blijven. Mijn partij en ook de andere partijen
beschikken over een gigantisch netwerk van fantastische mensen. Wij bieden
het College aan, daarvan meer gebruik te maken. Wij helpen het College
graag zoeken. Wij verzoeken om in het vervolg ook aan te geven, zoals dat
volgens de voorschriften ook hoort, of het om een meneer of een mevrouw
gaat. Wij wensen het College sterkte in het scouten en wij hopen dat het op
korte termijn anders gaat lopen dan vandaag het geval is.

   Tekenen van instemming.

   De VOORZITTER: Mede gezien het feit dat mijn mede-collegeleden
applaudisseren met de hele Raad, zullen wij dit buitengewoon goede appel

dat mevr. Irik op ons doet zeer ter harte nemen, niet alleen voor wat
betreft deze voordracht, maar zeker ook wat betreft de voorbereiding van de
voordracht, waarbij wij van het aanbod van mevr. Irik met betrekking tot
degenen die wij kunnen consulteren om tot bredere voordrachten te komen,
zeker gebruik zullen maken.
   Ik nodig de leden mevr. Alkema, Balai en Niamut uit, met mij het bureau
van stemopneming te vormen.

   De VOORZITTER doet de vergadering hierna om 16.45 uur overgaan in
comitE-generaal.

   Na heropening van de deuren om 17.15 uur is aan de orde:

   11
   Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 28 maart 1995 tot
onttrekking aan het openbaar verkeer van de steeg Klooster (Gemeenteblad
afd. 1, nr. 211, blz. 711).

   De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de Raad
neemt mitsdien het besluit, vermeld op blz. 712 van afd. 1 van het
Gemeenteblad.

   De uitslag van de benoemingen is als volgt:

   Benoemd worden tot:

   Bestuurslid van de Stichting Amsterdams Fonds voor de Kunst (nr. 124):
W. Polak, mevr. mr. A. Vrisekoop, T. Boermans, J. Rood en L. Visser.

   Ingeleverd werden 35 biljetten. Allen werden benoemd met 34 stemmen,
terwijl 1 stem blanco werd ingeleverd.

   Lid van de Amsterdamse Raad voor de Stadsontwikkeling (nr. 184): W.M.
Bouterse, J. Selie, D.C. Freling, G.P. Keers, B. Kruyt, A. Mulder, D.F.
Sijmons, F.A.L. Sodekamp, B. Hermes, H.M. Mouthaan, R. de Vogel, B. Colijn,
D. van der Laan, D.A. Regenboog, M.A. van der Waals, U. van Aar, M. Dijst,
P.J. Hafkamp, C. van Raamsdonk en R. Steenaart.

   Ingeleverd werd 35 biljetten. Allen werden benoemd met 31 stemmen,
terwijl 4 stemmen blanco werden ingeleverd.

   Lid van de Commissie van bestuur ex art. 82 van de Gemeentewet voor de
Hoge School voor Economische Studies Amsterdam (nr. 185): J.M. Spee, J. van
Schaik, Th.E.A. Tiemessen en A.A. Horst

   Ingeleverd werden 35 biljetten. Allen werden benoemd met 32 stemmen,
terwijl 3 stemmen blanco werden ingeleverd.

   Lid van de Amsterdamse Telematica Raad (nr. 186): J. van Ginkel.

   Ingeleverd werden 35 biljetten. J. van Ginkel werd benoemd met 33
stemmen, terwijl 2 stemmen blanco werden ingeleverd.

   De VOORZITTER: Ik dank de leden van het bureau van stemopneming voor de
mij verleende hulp.

   De vergadering wordt hierna om 17.15 uur gesloten.
Datum invoer
19950612