Avondzitting op woensdag 18 december 2002.  
 Voorzitter: mr. M.J. Cohen, burgemeester , alsmede het raadslid A. Bijlsma, plv. voorzitter 

 Secretaris: mevr. mr. A.M. Smeets, griffier 
 
 De VOORZITTER heropent om 19.30 uur de des middags geschorste vergadering en stelt aan de orde de v o o r t z e t t i n g van de behandeling van: 
..................
.......................................................................
....................................................
.............................
Aan de orde is thans opnieuw:

23

Stemming over de ingediende moties/amendementen van raadsleden inzake de begroting voor 2003 (Gemeenteblad afd. 1, nrs. 591-609, 632-748 en 757-764).

Wethouder DALES: Mijnheer de Voorzitter. Ik zal enkele opmerkingen maken over het begrotingsinstrument in het algemeen, op welke wijze wij daaraan invulling hebben gegeven, hoe dat beter kan en op welke manier wij dat volgend jaar zullen doen. Ook zal ik stilstaan bij de begroting voor 2003 en de stand van zaken met betrekking tot de financiën voor 2003. Dan zal ik spreken over de ombuigingen, de redenen daarvan en waarom het 100 miljoen euro betreft. Tevens zal ik ingaan op de opmerkingen die door de Raad zijn gemaakt over het voorstel niet voor 100 miljoen euro met voorstellen te komen, maar voor een bedrag van bijvoorbeeld 150 miljoen euro. Zodoende zou ook de Raad immers kunnen kiezen. Vervolgens reageer ik op de opmerkingen van de afzonderlijke fracties. Ik zal eindigen met het bespreken van de moties en amendementen die betrekking hebben op mijn portefeuille, waarna de andere collegeleden het van mij zullen overnemen.
Ik begin met de begroting op zichzelf. Wij hebben de afgelopen jaren enorm ons best gedaan om de begroting inzichtelijker en hanteerbaarder te maken voor de leden van de Raad. Ik herinner mij nog goed dat ik in 1998 lid werd van de Gemeenteraad en dat ik als financieel woordvoerder voor het eerst een begroting voor mijn kiezen kreeg waaraan ik geen touw kon vastknopen. Dankzij de inspanningen van zeer velen ? niet alleen leden van het College, maar ook de ambtenaren van de gemeente Amsterdam ? is mijns inziens een geweldige verbetering tot stand gebracht op het gebied van de bruikbaarheid van de begroting voor de Gemeenteraad. De Raad heeft immers een stuk no dig aan de hand waarvan hij kan nagaan hoe de financiën in elkaar zitten en wat de reden is van het feit dat het College met bepaalde voorstellen komt. De tekst moet niet te omvangrijk zijn en het is belangrijk dat deze begrijpelijk is. Die moet tevens inzicht bieden in de koppeling tussen de in te zetten middelen en de daarmee te verkrijgen resultaten. Ik meen dat wij voor de begroting voor 2003 weer een geweldige stap vooruit hebben gezet op het gebied van de indeling en de resultaatgebieden. Per resultaatgebied is bovendien een aparte paragraaf besteed aan de koppeling van middelen aan resultaten en activiteiten. Ook is er een aparte paragraaf gewijd aan prestatiemetingen. Naar mijn idee is dat goed, al kan het beter. Wij zijn dan ook van plan het komende jaar stappen vooruit te zetten en doen dat graag in overleg met de Raad. Het College zal binnenkort daarom voorstellen aan de Raad voorleggen voor een verdere verbetering van de begroting. Ook zullen wij hem een aantal vragen voorleggen. Wij willen namelijk weten wat de Raad nog meer wil. Een andere mogelijkheid is dat hij minder wil, omdat het hem te veel wordt en boven het hoofd groeit.
Een van de vragen is of de Raad nog een touw aan de begroting kan vastknopen. Dergelijke vragen krijgt hij voorgelegd en daarover zou ik graag met hem een openhartige discussie voeren.
In Het Parool heb ik vandaag een aantal opmerkingen gemaakt en dat deed ik natuurlijk niet voor niets. De heer Asscher concludeert daaruit dat ik mij verveel, maar dat is niet het geval en dat zal ik zeker niet doen zolang hij hier nog zit. Ik heb dat gedaan, omdat ik van mening ben dat onder anderen de wethouder voor Financiën, die op de eerste plaats verantwoordelijk is voor de vormgeving van de begroting, door de Raad moet worden opgejaagd met het doel het nog beter te doen. Het College heeft de Raad daarbij nodig en het is voor hem een uitdaging het daarbij behulpzaam te zijn. Als de Raad ons omhoog duwt, duwen wij hem verder omhoog. Zo gaat dat.
Dat bedoelde ik te zeggen met die tenniswedstrijd. Als de Raad de ballen niet over het net slaat, kunnen wij die niet terugslaan. Ook het omgekeerde is het geval. Wij moeten het samen doen. Met die opmerking bedoelde ik niet te zeggen dat de Raad zijn werk niet goed doet, dat het niets is en dat het niet deugt. Evenmin bedoelde ik te zeggen dat ik mij verveel. Het is een streven om gezamenlijk omhoog te gaan. Dat staat ook expliciet in dat interview. Ik herhaal dat wij dat niet alleen kunnen en dat wij de Raad daarbij nodig hebben.

(De heer HALBERTSMA: Inmiddels zijn wij ook in de gelegenheid geweest Het Parool tot ons te nemen. Dit is een begrotingsdebat in tweede termijn. De eerste termijn hielden wij enkele weken geleden. U somt een aantal onderwerpen op dat in de eerste ronde van de Algemene en Financiële Beschouwingen uitgebreid aan de orde is geweest. Bent u het niet met mij eens dat het enigszins beledigend is te doen alsof al die onderwerpen door de Raad zijn gepasseerd? Ik vind het onbegrijpelijk, want dat is gewoonweg niet juist. Ik verwacht dan ook van u dat u dat terugneemt.)
Nee, absoluut niet. Ik ben het niet met de heer Halbertsma eens. Enige tijd geleden spraken wij over de Noord-Zuidlijn. De Raad heeft ons op dat moment gevraagd een onderzoek te laten doen naar de gevolgen van het Regeerakkoord voor de gemeente Amsterdam. Dat hebben wij gedaan. Samen met de Stichting voor Economisch Onderzoek van de Universiteit van Amsterdam heb ik dat project in gang gezet en daaruit is een studie voortgekomen die breder is dan dat. Wij hebben ook onderzoek verricht naar de economische situatie van Amsterdam, alsmede het groeipotentieel. Naar mijn idee zijn daarin allerlei interessante zaken opgenomen. Ik had dan ook gedacht dat in het kader van de begrotingsbehandeling met het College en zeker met mij als wethouder voor Economische Zaken een fundamenteel, serieus en diepgaand debat zou worden gevoerd over de vraag wat de uitkomsten van dat rapport betekenen voor het beleid van de gemeente Amsterdam. Ik stel vast dat dit niet is gebeurd, maar dat kan nog komen.

(De heer ASSCHER: Dat stelt u dan ten onrechte vast. Ik heb het SEO-rapport uitgebreid besproken, al weet ik dat dit alweer enige tijd is geleden. Onder andere naar aanleiding daarvan heb ik het beeld geschetst van heden zon en morgen regen. Wij dienden een motiein om u te dwingen de bezuinigingsplannen te concretiseren. Daar ligt uw uitdaging. Alstublieft!)
In dat rapport stond onder andere dat het groeipotentieel van de gemeente Amsterdam groot is, maar dat er sprake is van een aantal belangrijke precondities. Één daarvan is voldoende arbeidsaanbod. Wij kunnen dan toch verwachten dat in de Gemeenteraad van Amsterdam uitgebreid wordt gediscussieerd over de vraag hoe wij voldoende arbeidsaanbod garanderen en welke voorwaarden wij daarvoor moeten scheppen. De heer Asscher kan zeggen wat hij wil, maar dat is niet gebeurd. Dat geeft echter niet, want dat kunnen wij alsnog doen. Maar ik heb veel meer voorbeelden genoemd. Er is in deze Raad niet een principiële discussie gevoerd over de vraag hoever de gemeente moet gaan in haar rol om rijkszaken te financieren Deze discussie is hier wel ad hoc gevoerd aan de hand van een voorbeeld, maar niet in den brede. Dat kan de heer Asscher niet volhouden.

(De heer VAN POELGEEST: Die discussie is in deze Raad op verschillende momenten gevoerd.)
Ja. Dat gebeurde ad hoc.

(De heer VAN POELGEEST: U kunt zeggen dat dit ad hoc gebeurde, maar die discussie is twee jaar geleden gevoerd op het moment dat wij spraken over de conducteurs op de tram. Dat gebeurde ook in het kader van die zeesluis en de Noord-Zuidlijn. U kunt niet doen alsof dat nooit is gebeurd.)
Dat zeg ik ook niet.

(De heer VAN POELGEEST: Aan de hand van concrete gevallen is die discussie keer op keer gevoerd. Ten principale kunnen wij daarover nog wel eens spreken, maar dan zal er sprake zijn van een hoog theoretisch gehalte. Dan zult u zich daaraan ergeren. De voorbeelden die u in de krant noemt, zijn feitelijk niet juist.)
Ook het laatste is feitelijk niet waar. Die discussie is in den brede niet gevoerd. Wij kunnen daarover vreselijk gaan zeuren. Ik vind het fijn dat u zich dat aantrekt. Laten wij het dan beter doen. Ik heb allemaal voorbeelden genoemd van zaken waarvan ik tot op dit moment volhoud dat die juist zijn. Dat wat ik in het interview heb gezegd, zal ik niet terugnemen. Dat is namelijk juist. Bij de Algemene Beschouwingen zijn allerlei onderwerpen aangesneden, maar deze zijn vervolgens niet uitgewerkt. Wij hadden hier te maken met een proces van twee maanden. Wij spraken alleen over de moties en die grote lijnen heb ik niet meer teruggezien. In mijn commissie zijn die in ieder geval niet aan de orde geweest en dat betreur ik. Ik herhaal dat dit niet een verwijt is aan de Raad, want misschien moeten wij het ook beter doen en meer van dergelijke belangrijke onderwerpen agenderen. Wellicht moeten wij tevens proberen die discussie op gang te brengen. Als dat zo is, zal ik dat in de toekomst doen. Ik heb de indruk dat wij erin zijn geslaagd die grote vraagstukken in de begroting goed te benoemen. Daarin is namelijk een politieke inleiding opgenomen over onze wensen overeenkomstig de uitwerking van het programakkoord. Ook staat daarin een lange tekst over de Financiële Beschouwingen. Tevens is in de begroting een uitgebreide tekst opgenomen over de OZB-belasting. De heer Asscher vroeg zich af waarom wij deze in de begrotingstekst hebben opgenomen. Daarin worden immers ook niet de argumenten opgenomen voor de toetreding van Polen tot de Europese Unie. Dat zijn allemaal zaken die de gemeente aangaan waarover niet is gesproken.

(Mevr. VAN OUDENALLEN: Dat betekent dat u ook de voltallige fractie van de VVD voor het blok zet. U had wel wat kennis aan haar kunnen overdragen. Dan was zij daarmee gekomen.)

(Mevr. BRUINES: Wij hebben bij de Algemene Beschouwingen nadrukkelijk aan de orde gesteld dat wij het betreuren dat te weinig werd gesproken over de Strategische Visie met betrekking tot de toekomst van Amsterdam. Toen is een aantal zaken aan de orde gesteld. Op dit moment vindt een discussie plaats over het Structuurplan. U weet ook dat dit veel verder strekt dan de vraag wat op welke locatie wordt gebouwd. Dat heeft ook veel te maken met de vraag hoe wij de toekomst van de regio zien. Ik begrijp wat u bedoelt en daarmee zijn wij het in principe eens, maar ik vind het niet terecht dat u zegt dat over dat soort grote, meer strategische vraagstukken in deze Raad niet wordt nagedacht. Naar mijn idee zijn wij het wel allemaal met u eens dat wij over een aantal punten wat langer moeten spreken. De vraag is of dat bij deze Algemene Beschouwingen had moeten gebeuren. Steeds horen wij immers ook dat het programakkoord kort geleden is vastgesteld en dat de grote lijnen daarin zijn vastgelegd. Eerlijk gezegd ben ik van mening dat uw reactie ietwat te heftig is. Ik ben het niet oneens met uw uitspraak, maar uw reactie is naar mijn idee wel te heftig.)
Dat is mogelijk. Ik herhaal dat het de bedoeling is ons allen vooruit te helpen. Dat geldt ook voor het College. Als er niet een samenspel is, legt het College zich er op een bepaald moment bij neer dat de Raad het agenderingsrecht heeft. Wij kunnen dat op die wijze laten doorlopen, maar ik zou graag willen dat wij wat dat betreft wat dieper gaan. Misschien moet het College daarvan meer werk maken. Als lid van dit College zal ik dat ook gaan doen. Ik herhaal dat dit niet is bedoeld om de Raad op de een of andere manier op zijn nummer te zetten. Dat was overigens absoluut niet de toonzetting van dat interview.

(De heer HUFFNAGEL: Ik begrijp dat datgene wat in de krant staat heel belangrijk is, maar ik ben er voorstander van nu de begroting te behandelen.)
Dit heeft wel met de begroting te maken.

(De heer VAN POELGEEST: Met de opmerking van de heer Huffnagel ben ik het niet eens. Ik stel namelijk graag een vraag aan wethouder Dales. Vanaf het begin heeft dit College gezegd dat het resultaat telt, dat het nu om de uitvoering gaat en niet om nieuwe plannen. Wij moeten discussiëren over wat in de stad concreet moet gebeuren. U doet nu als het ware een oproep tot het houden van algemene, meer theoretische beschouwingen over principiële uitgangspunten, terwijl de Raad daarover concreet spreekt op het moment dat het betreffende onderwerp aan de orde is. Ik noem de rijksfinanciering als voorbeeld. In welk kader moeten wij uw opmerkingen plaatsen? Welke mening is het College toegedaan? Wethouder Oudkerk zegt te pas en te onpas dat het resultaat telt, dat er niet steeds over beleid moet worden gesproken en dat de uitvoering belangrijk is. Is het College het daarmee eens, of staat het achter datgene wat u in het interview in de krant zegt? Daar zit namelijk wel licht tussen.)
Waarom doet u nu zo vreselijk ingewikkeld? U weet precies wat ik bedoel. De wijze waarop u daarover vanmiddag bezig was, vind ik ietwat kinderachtig. U vraagt wat het College van mijn uitspraken vindt. Dat is toch niet een manier om gezamenlijk een discussie aan te gaan? U houdt toch ook van debatteren? Steeds als een wethouder iets zegt, moet u toch niet zemelen over de vraag of dat wel een collegestandpunt is? Wij willen toch graag een debat met elkaar voeren? Dat wilt u toch ook?

(De heer VAN POELGEEST: Laten wij die discussie dan daadwerkelijk voeren. Gaat u over dit punt dan nu met wethouder Oudkerk in debat. Ik heb de indruk dat u beiden een andere mening bent toegedaan. Laten wij dat dan in de openbaarheid doen. De stelling van wethouder Oudkerk is dat er niet teveel over beleid moet worden gesproken en dat het om de uitvoering gaat. Uw stelling is dat er meer op hoofdlijnen over beleid moet worden gesproken. U geeft de voorkeur aan een aantal goede theoretische discussies.)

(De heer HUFFNAGEL: Is het werkelijk de bedoeling dat dit het thema van het debat wordt? Dan doen wij iets totaal anders dan wij vanavond van plan waren.)

(De VOORZITTER: Iedereen mag zijn eigen tekst uitspreken.)

(De heer VAN POELGEEST: Ik laat dergelijke uitspraken niet in de krant plaatsen. Dat doet wethouder Dales.)

(De heer HUFFNAGEL: Nee, maar u begint daar wel over.)

(De heer VAN POELGEEST: Ja, en dat is vreemd als iets dergelijks in de krant staat.)
Voor de begroting voor 2004 gaan wij verder met het verbeteren van de inzichtelijkheid en de transparantie, want dat is het instrument voor de Raad om aan zijn kaderstellende, beleidsbeïnvloedende en controlerende rol daadwerkelijk inhoud te geven. Wij zullen zeer spoedig met de Raad over nadere voorstellen spreken. Deze zullen onder andere betrekking hebben op wat hij op het gebied van de prestatiemeting wil, of hij misschien bepaalde onderdelen in de begroting ziet waarvan hij de prestatiemetingen wat meer wil intensiveren. Het is mogelijk dat de Raad behoefte heeft aan meer vergelijkingen tussen bedrijven en gemeenten. Dat bespreken wij graag met hem, zodat ook wij nuttig en doeltreffend bezig zijn en de Raad niet voorzien van een overdosis aan informatie waaraan hij niets heeft.
Ik ga in op de stand van zaken met betrekking tot de begroting voor 2003. In dat jaar staat het er allemaal nog wel redelijk goed bij. Wij hebben nog steeds extra structurele en incidentele ruimte te vergeven, bovenop datgene wat er al was. De Raad kon echter zien dat op het gebied van de structurele ruimte sprake is van een neerwaartse trend. Het wordt minder meer. Wij hebben al vaker gezegd dat het eind in zicht komt. Wij zien negatieve ontwikkelingen en moeten rekening houden met de situatie dat het niet minder meer wordt, maar meer minder. Die situatie zal zich hoogstwaarschijnlijk in 2004 voordoen. Ik weet overigens niet zeker hoe de stand van zaken met betrekking tot de financiën dan is, maar wij nemen allerlei ontwikkelingen in neerwaartse richting waar. De Raad moet er rekening mee houden dat de begroting voor 2003 er nog aardig uitziet, omdat daarin een enorme incidentele component is opgenomen. Het betreft het geld dat is vrijgekomen uit de verkoop van de UNA-aandelen, tweede tranche.
Dat vertekent het beeld over een lange reeks van jaren bezien. Dat doet zich niet ieder jaar voor. Het beeld van 2003 is relatief gunstig, maar daaraan moet de Raad niet conclusies verbinden voor 2004. Wij gaan echt achteruit. Inmiddels nemen wij ook conjuncturele ontwikkelingen in de nationale economie waar. Het wordt op dagbasis slechter. Het CBS heeft gisteren wederom nieuwe cijfers gepubliceerd die niet bemoedigend zijn. Dat vertaalt zich op een dag in lagere rijksuitgaven en die vertalen zich weer in een lagere uitkering uit het Gemeentefonds. Wij als grootste gemeente van Nederland zullen dat zeer nadrukkelijk voelen. Om die reden heeft het College gezegd dat wij genoodzaakt zijn om te buigen als wij de komende jaren nog iets anders willen. Daarbij komt dat wij in het programakkoord diverse posten hebben opgenomen waaraan nog niet een financiële vertaling is gegeven. Dat zijn niet de geringste. In de begroting voor 2003 kon de Raad lezen dat ongeveer 50 procent van alles wat in het programakkoord financieel is vertaald inmiddels in de begroting is opgenomen. Voor de komende drie jaar van deze collegeperiode verwachten wij dat er nog net voldoende is om de andere helft af te dekken, maar voor al het a ndere beschikken wij niet meer over geld. Als wij dus nog iets anders willen ? het is gebleken dat velen dat willen, want er is voor een bedrag van tientallen miljoenen euro;s structureel aangevraagd ? zal dat uit een ombuiging moeten worden gefinancierd.
Verschillende woordvoerders hebben vanmiddag gevraagd meer achtergrondinformatie te geven over de motivering van het bedrag van 100 miljoen euro. Eerder is gevraagd waarom ik dat getal noem, ondanks het feit ik dat eerder niet wilde. Eerder is mij namelijk gevraagd als taakstellend budget een bedrag te noemen. Ik heb gezegd dat ik dat niet een goede methode vind en dat wij vanuit de inhoud moeten werken. Wij moeten dus vanuit de inhoud redeneren, ons de vraag stellen wat niet meer nodig en inefficiënt is. Ik heb inderdaad lang volgehouden dat ik niet een getal wil noemen. Dat wordt dan immers meteen heilig en iedereen gaat zich daarop focussen. Voordat je het weet, is dat getal te laag en dan is het zeer moeilijk het anders te doen. De roep om enigerlei indicatie ? ik ben geneigd van een roep uit de samenleving te spreken ? werd echter dermate krachtig dat ik die niet kon weerstaan. Op een dag heb ik daarom gemeend dat het toch verstandig was daarmee op de proppen te komen, zodat men ook kon zien dat het niet een k leinigheidje betreft. Ik heb een berekening voorgelegd en mijn conclusie was dat het indicatief in ieder geval om 100 miljoen euro gaat. Dat is niet tot drie cijfers achter de komma nauwkeurig berekend. Ik zal u melden hoe ik aan dat bedrag ben gekomen, al doe ik dat met een zekere voorzichtigheid. Alle getallen die ik noem, worden op een gegeven moment namelijk als een soort beleidsdoelstelling opgevat. Niet alles is te bediscussiëren, maar je kunt wat meer of minder doen. Ik noem een paar onderdelen waarop dat bedrag is gebaseerd en begin met het weerstandsvermogen. In Amsterdam hebben wij een weerstandsvermogen van minder dan 80 miljoen euro. Dat vind ik ruimschoots te weinig en het College volgt mij daarin. Over het zogenaamd dynamisch weerstandsvermogen hebben wij vorig jaar met de Raad afgesproken dat, als het risicoprofiel van Amsterdam toeneemt, wij moeten doteren aan het weerstandsvermogen. Tot dusverre hebben wij dat nog niet gedaan, maar inmiddels is er een aantal ontwikkelingen waardoor het risico naar mijn idee toeneemt. Grote projecten zijn in gang gezet. Ik noem bijvoorbeeld het Stationseiland en de Zuidas. De Raad heeft onlangs een besluit genomen over de aankoop van het Nissanterrein. Er spelen zaken in de sfeer van de grondexploitatie enz. Wij zien het risico links en rechts toenemen.

(De heer ASSCHER: Is dat dan nieuw voor u? Als dat niet het geval is, waarom heeft u dan niet voorstellen gedaan om het weerstandsvermogen te verhogen?)
Dat is absoluut niet nieuw, maar ik ben nu bezig met het inhoud geven aan het door deze Raad geaccordeerde nieuwe beleid met betrekking tot het weerstandsvermogen. Dat houdt in dat je doteert aan het weerstandvermogen als de risico's toenemen. Tot dusverre hebben wij dat niet gedaan, omdat alle centjes die wij te vergeven hadden in het kader van de begroting voor 2003 dan grotendeels zouden zijn verdwenen. Dan zou de Raad zeggen dat hij niets meer te zeggen en te kiezen heeft. Uit politiek oogpunt lag dat daarom niet voor de hand, maar het is vanzelfsprekend aan de Raad daarover anders te oordelen. Hij kan vanavond alle moties intrekken en zeggen dat hij dat alles niet doet. Hij kan ervoor kiezen al het geld nu aan het weerstandsvermogen te besteden. Dat zou kunnen, maar het is aan de Raad dat te doen. Ik zeg nu dat wij het nodig hebben te doteren aan het weerstandsvermogen en om daarvoor geld te vinden, moeten wij ombuigen. De orde van grootte kan ik niet precies aangeven, maar het is meer dan een paar miljoen euro structureel. Het toevoegen van een bedrag van 10 tot 20 miljoen euro structureel aan het weerstandsvermogen, zou ik reëel vinden. De Raad weet dat tijdens de voorbereiding van de begroting voor 2003 door de diensten en bedrijven bij de portefeuillehouders voor 40 miljoen euro structurele prioriteiten zijn aangevraagd. Daarvan hebben wij 10 miljoen euro gehonoreerd. Er is dus sprake van een gat van 30 miljoen euro. Ik ga ervan uit dat al die aanvragen serieus waren, maar zelfs als dat slechts voor de helft het geval was, spreken wij nog over 20 miljoen euro structureel per jaar voor prioriteiten die niet in het programakkoord staan. Dat is hier blijkbaar nodig en dat bedrag mag de Raad er rustig bij tellen.

(De heer ASSCHER: Dan is volgens u dus driekwart serieus?)
Nee, de helft.

(De heer ASSCHER: Er is een bedrag van 40 miljoen euro aangevraagd en daarvan is 10 miljoen euro toegekend.)
Ja. Dat geldt voor het jaar 2003, maar in 2004 krijgen wij het terug en het zal vast en zeker meer worden. Laten wij ervan uitgaan dat het dan de helft is. Dan zitten wij al behoorlijk laag. Een bedrag van 20 miljoen euro is dus volstrekt normaal. Dat is blijkbaar nodig om in deze stad zaken te financieren die niet in het programakkoord zijn geregeld, maar wel moeten gebeuren. Zij hebben deels betrekking op het beleidsmatige vlak en deels op het organisatorische. In het programakkoord staat een fors aantal zaken dat is voorzien van `pm'. Ook staan daarin veel punten die wij niet financieel hebben vertaald en waar zelfs niet `pm' achter staat. Deze zullen op een dag echter wel geld kosten. Loze kreten zijn dat niet. Ik schat in dat het wat dat betreft gaat om tientallen miljoenen euro's aan structureel geld. Daar zitten wij spoedig aan. Ook de Raad kan dat berekenen. In deze stad hebben wij te maken met behoorlijk wat achterstallig groot onderhoud. Dat is ook te zien aan de moties die in relatie tot de begroting voor 2003 zijn ingediend. Dat is het geval bij gebouwen. Denk bijvoorbeeld aan de cultuuraccommodaties. Er liggen verzoeken voor grote bedragen. Dat doet zich ook voor op het gebied van de sport en de infrastructuur. Bij de Oostelijke Handelskade is wethouder Stadig met een gebouw aan de slag. Daar is een kade in elkaar gezakt. Deze stad zit vol met dat soort zaken. Wij moeten de stad ook goed achterlaten voor de volgende generatie. Ik verwacht dat wij ook daarvoor structureel een fors bedrag nodig hebben, bijvoorbeeld 5 tot 15 miljoen euro. Dat is afhankelijk van het kwaliteitsniveau.
Door velen in deze Raad is diverse malen gezegd dat het tijd wordt iets aan de stadsdelen te doen en dat de vergoeding uit het Stadsdeelfonds anders wordt geregeld. Dat hoor ik onder andere regelmatig van de fractie van de PvdA. De Raad weet dat ik vaak bezoek krijg van stadsdeelvoorzitters en portefeuillehouders voor Financiën. Zij komen niet langs om met mij een borrel te drinken, maar om geld te vragen. Soms zie ik in dat zij een punt hebben, maar ik heb niets te vergeven. De Raad heeft vaker gezegd dat dit goed moet worden nagegaan. Daarover is ook een motie ingediend. Vanzelfsprekend moet ook dat financieel worden vertaald. Ook wat dat betreft gaat het niet om 1 of 2 miljoen euro. Schrijft u dat er ook maar bij.

(De heer GORING: Over dit onderwerp hebben wij in de Commissie voor Financiën en Economische Zaken regelmatig gesproken. Tot nu toe was de conclusie dat er niet een reden is meer geld aan de stadsdelen te geven. Kunt u een voorbeeld noemen waaruit blijkt dat de stadsdelen wel een punt hebben?)
Het zou zeer onverstandig zijn dat vanavond luid en duidelijk te zeggen, want dan komen ze morgen allemaal bij mij terug met de vraag dat in de begroting voor 2003 te regelen. Dat zal ik dus niet doen, maar ik kan de heer Goring wel zeggen waarover het in het algemeen gaat. De uitbreiding van de ontwikkelingstaken van de stadsdelen is één van de grootste punten. Bij de volgende evaluatie van de werking van het Stadsdeelfonds zullen wij goed moeten nagaan of de door ons gehanteerde uitgangspunten bij de instelling van dat fonds nog valide zijn in het licht van de ontwikkelingstaken die vele stadsdelen op dit ogenblik hebben, of dat wij daarin verandering moeten aanbrengen. Ik zal nog een voorbeeld noemen. Wij hebben een nieuw stadsdeel, namelijk IJburg. Berekeningen wijzen uit dat, zodra IJburg is volgelopen met bewoners, dat een fors herverdeeleffect zal hebben op de uitkering in het Stadsdeelfonds. Wij hebben dan twee mogelijkheden. Als wij binnen het bestaande financiële kader willen blijven, kunnen wij de andere stadsdelen daarvoor aanslaan. Dat is de eerste mogelijkheid. Als wij daarvoor kiezen, weten wij wel zeker dat wij daar nogal wat gekrakeel van krijgen. De tweede mogelijkheid is het op te lossen door extra voeding aan het Stadsdeelfonds. Op een dag komen wij voor die keuze te staan. Vanavond hoeven wij dit niet tot in detail te bespreken, laat staan op te lossen. Dit zijn echter wel zaken die op mijn lijstje staan en ik ben nog lang niet uitgesproken. Toch ben ik naar mijn idee al ver over het bedrag van 100 miljoen euro heen.
Per 1 januari 2003 beschikken wij over een BTW-compensatiefonds. Niet wij hebben dat bedacht, maar het Rijk. Dat gebeurde onder leiding van mijn partijgenoot de heer Zalm.
In tal van fora heb ik mij duchtig tegen de komst van dat fonds verzet, maar uiteindelijk is dat er toch gekomen. Daarin is nog een aantal verbeteringen aangebracht, maar op het moment van de inwerkingtreding van dat BTW-compensatiefonds is sprake van belangrijke herverdeeleffecten voor wat betreft de uitkering uit het Gemeentefonds. Ik sluit niet uit dat de gemeente Amsterdam daarvan sle chter wordt, al bestaat de mogelijkheid dat zij daarvan beter wordt. Het vervelende is dat wij dat nog niet weten. Wel is er sprake van risico's en langzamerhand begint het beeld te ontstaan dat ? wij hebben te kampen met een groot probleem dat te maken heeft met afschrijvingen van oude investeringen. Dit is financiële techniek, maar degenen die zitting hebben in de Commissie voor Financiën en Economische Zaken zullen dat herkennen ? de daarvoor door het Rijk geboden compensatie onvoldoende is. De door tal van gemeenten gemaakte berekeningen leren ons dat. De Raad kon daarover onlangs een artikel lezen in het blad Binnenlands Bestuur. Dat zie ik ook op de gemeente Amsterdam afkomen en dat zou ik graag inboeken als pm-post. Tevens hebben wij te maken met wijzigingen in de bijstandswetgeving. Wethouder Oudkerk weet daar alles van. De decentralisatie ? invoering van nieuwe modellen ? leidt ook tot een totaal ander financieel beeld. Ik weet niet hoe dat uitpakt en wethouder Oudkerk evenmin. Ik boek het in als een pm-post, maar h et zou mij niet verbazen als wij ook daarvoor op een dag een rekening gepres enteerd krijgen. Dat alles bij elkaar is meer dan voldoende om de conclusie te trekken dat een ombuiging voor een bedrag van 100 miljoen euro structureel daadwerkelijk nodig is en dat dit niet overdreven is. Dat is niet te veel, maar misschien wel te weinig. Die richting zullen wij daadwerkelijk op moeten.
De Raad heeft gevraagd of het mogelijk is voorstellen voor 150 miljoen euro of iets dergelijks voor te leggen, omdat hij dan kan kiezen. Het zal nog knap lastig worden uit te gaan van 100 miljoen euro. Ik vind het dan ook fijn dat vanmiddag in de Raad en eerder door diverse fracties is opgemerkt dat zij die operatie steunen. Dat is ook goed voor het College, want dat maakt het voor hem gemakkelijker die operatie uit te voeren. Het wordt echter pas echt interessant op het moment dat de keuzes worden gemaakt en vervolgens worden geëffectueerd. Dan begint het pas, maar ook in de aanloop daar naartoe is dat merkbaar. Ik begin dat nu al te merken. Bij iedere 10.000 euro heeft men immers altijd wel een ander argument en wij moeten dan doorduwen. Dat geldt overigens ook voor de Raad. Wij zijn dan ook blij met zijn steun. Die hebben wij keihard nodig. Maar nu dat eraan komt, moet de Raad ook bereid zijn mee te doen en te kiezen. Hij heeft een enorm aantal moties ingediend met veel zaken die daarbij moeten worden opgeteld. Vanmiddag is daarvan overigens een behoorlijk aantal ingetrokken. Er zijn niet veel moties ingediend met het voorstel iets van de lijst te schrappen. De fractie van D66, bij monde van mevr. Bruines, heeft dat vanmiddag wel gedaan. Met die motie kunnen wij uit de voeten.

(Mevr. BRUINES: Er lag ook al een motie met het voorstel de marathon af te schaffen.)
Het was niet de enige, maar vanmiddag heeft mevr. Bruines nogmaals een dergelijke motie ingediend. Zij zegt dat zij het begrijpt, dat zij invulling wil geven aan een prioriteit en daarvoor iets inlevert. Over het geheel genomen is dat echter te weinig gebeurd. Wij hebben geïnventariseerd wat de Raad er zoal bij wil en dat is een lange lijst. Deze is bekend, dus die hoef ik niet voor te lezen. De wensen variëren van het Rozentheater, Felix Meritis, het Cosmic-theater, verbouwingen, het Huis voor de Dans, glasvezel in Zeeburg, het 24 uur lang inzetten van de metro, een pont op het JAVA-eiland tot het maandblad MUG enz.
Het betreft grote en kleine voorstellen. Nadat ik het heb opgeteld, blijkt dat het in totaal gaat om een bedrag ver boven de 20 miljoen euro. Niet alles is structureel, maar veelal is er sprake van structurele lasten. Soms worden voorstellen gedaan waarvoor incidenteel een groot bedrag nodig is. Denk aan dat voor het Huis voor de Dans. Over de structurele lasten wordt niet eens gesproken, maar die krijgen wij ook nog op onze nek.
Een veel grotere post is de Openbare Bibliotheek, waarvoor wij nog niet eens de investeerder hebben geregeld; dat geldt ook voor de structurele lasten die daaraan vastzitten. Er ligt dus een groot aantal voorstellen voor. Dat hadden wij al, maar met al zijn moties heeft de Raad daaraan nog voor enige tientallen miljoenen euro's toegevoegd. Ik begrijp dat wel, maar de Raad vraagt het College een voorstel te doen voor 150 miljoen euro aan ombuigingen in plaats van voor 100 miljoen euro. Hij moet ons dan ook helpen en niet met een lijst komen om daaraan nog eens voor tientallen miljoenen euro's toe te voegen. Dan wordt het namelijk moeilijker. Wij hebben een voorstel om dit op te lossen. Wij presenteren de Raad een voorstel voor 100 miljoen euro. Ik weet niet of het meteen lukt dat volledige bedrag voor de Voorjaarsnota 2003 bij elkaar te harken, want het is immers een megaoperatie. Het is niet een kleinigheid, maar wij zullen dat doen. Wij hogen dat wel op met exact het bedrag voor alle zaken die de Raad wil toevoegen. Hij heeft het recht al die moties aan te nemen, maar wij tellen dat bedrag daarbij. Wij leggen het bedrag van 100 miljoen euro voor met daarbij datgene wat de Raad daar zelf bij plust. De Raad mag bij de Voorjaarsnota zeggen wat hij daarvan niet wil laten doorgaan. Dan komt het er immers op aan.

(De heer ASSCHER: Dat klinkt op zichzelf goed. Ik heb al gezegd dat ook wij sportief moeten zijn en dat wij niet moeten uitgaan van heilige huisjes enz. Over de zaken die vanavond aan de orde komen, zullen wij ook in de toekomst spreken. Dat geldt zeker als het keuzes betreft. Maar de motie is heel duidelijk. Daarin wordt gevraagd om een ruime inventarisatie met meer keuzes dan wat wij vanavond doen. U gaf zojuist een aantal vreemde voorbeelden van zaken die wij niet kunnen betalen. Over de Openbare Bibliotheek is al eerder een besluit genomen. Er komt niet nog een bibliotheek bij. Er is inderdaad sprake van nieuwe wensen, waarvoor geld nodig is. Het is echter niet een groot bedrag. Dat zijn peanuts . Het blijft dus staan. Ik verzoek u creatief te zijn en te proberen een dusdanig ruime inventarisatie te maken dat er iets te kiezen valt. Wij zullen dan afzonderlijk het debat voeren over het precieze bedrag dat voor die ombuiging nodig is.)
Dat is goed. Dat zullen wij doen. De Raad heeft het volste recht wat dat betreft zijn keuze te maken, maar de keuzes die hij in de moties maakt, leggen wij daarnaast. En dan zegt de Raad het maar. Wij hebben onze prioriteiten en de Raad de zijne. De Gemeenteraad heeft het recht en de bevoegdheid vervolgens te kiezen wat wel en niet doorgaat, maar wij kunnen niet alleen maar bijplussen. Er zal daadwerkelijk moeten worden gekozen. Ook de Raad zal dat moeten doen.

(De heer ASSCHER: Daar legt u dan ook de verhoging van de apparaatskosten naast? Dan kunnen wij dat precies afwegen.)
De Raad krijgt dat alles daarbij. Ik zie de heer Van Poelgeest overigens heel ingespannen luisteren. Is er iets, meneer van Poelgeest?

(De heer VAN POELGEEST: Ik word op het verkeerde been gezet, want u spreekt nu over een lijstje met bestedingen. U zegt dat het College met een voorstel komt voor zaken die noodzakelijk of gewenst zijn en dat het het lijstje van de Raad daarnaast legt, zodat hij kan kiezen. Maar het gaat er natuurlijk ook om dat u een lijstje met bezuinigingsvoorstellen maakt. Het is niet gezegd dat alle bezuinigingen die u belangrijk vindt automatisch door deze Raad worden geaccordeerd. Mijn vraag met betrekking tot dat bedrag van 150 miljoen euro is of u een bezuinigingspakket ter grootte van dat bedrag op tafel legt, zodat wij in vrijheid kunnen kiezen in welke zaken wij al dan niet willen snijden. Dat is een geheel andere vraag.)
Dat is precies wat er zal gebeuren. Ik weet niet of het 150 miljoen euro zal zijn, want het zal al een mijl op zeven zijn om het bedrag van 100 miljoen euro bij elkaar te krijgen. De Raad krijgt van ons voorstellen voorgelegd voor het bedrag van 100 miljoen euro met daarbij datgene wat hij daar zelf bij plust.

(Mevr. KALT: Het is toch gemakkelijk? Dan realiseren wij de Noord-Zuidlijn niet en dan zijn wij opeens rijk. Vindt u dat niet een goede inlevering?)
Nee, dat vind ik absoluut niet. De Raad krijgt die lijst. Daarop staan niet bestedingsvoorstellen van het College. Hij krijgt voorstellingen voor ombuigingen. Wij geven de Raad een lijst waarop staat welke zaken kunnen worden geschrapt en daarbij voegen wij datgene wat de Raad nu inlevert. Hij krijgt daarbij voorgelegd het Huis voor de Dans, het Rozentheater, Felix Meritis, de Apollohal, de Hortus, het Milieucentrum, het meldpunt enz. Al die zaken krijgt de Raad daarbij voorgelegd en hij mag zeggen of hij van mening is dat ook daarin moet worden gesneden.

(De heer HUFFNAGEL: Voor alle voorstellen die de Raad nu doet, is een financiële dekking. Ik neem aan dat wij bij de Voorjaarsnota de plannen van het College ontvangen met daarin deze voorstellen van de Raad in plaats van apart. U bent toch niet van plan dit een halfjaar te laten liggen, zodat wij daarover daarna nog eens kunnen spreken? Dat lijkt mij niet de juiste gang van zaken.)
Wat is dan bijvoorbeeld de dekking voor de gezamenlijke motie van de coalitie die betrekking heeft op Artis, het glasvezelnet enz.?

(De heer HUFFNAGEL: Het is wel prettig dat het College leest wat wij op papier zetten.)
Gaat u nu niet zitten jijbakken. U begrijpt heel goed wat ik bedoel. Wat is de dekking voor de Openbare Bibliotheek? U wilt die niet over vier, maar over zes jaar financieren. Vanmiddag heb ik al gezegd dat wij die financiering over zes jaar kunnen uitsmeren, maar dat wij daardoor niet over meer geld beschikken. Wat is de dekking? Hoe gaat dat dan? De planning is die bibliotheek in 2006/2007 te openen. De bouw daarvan zal ongeveer in 2006 gereed zijn. Wij hebben gezegd dat wij deze in vier tranches van 12,5 miljoen euro financieren voor dat resterende gat van 50 miljoen euro, namelijk in 2003 tot en met 2006. De structurele lasten die met de realisatie van die bibliotheek zijn gemoeid, zijn bovendien ook nog niet afgedekt. Ook die rekening krijgt de Raad nog gepresenteerd. De Raad stelt voor dat niet in vier, maar in zes jaar te doen en door te gaan in 2007 en 2008 als die bibliotheek al gereed is. Wij krijgen dan in 2006 een rekening van de aannemer voor de geleverde bibliotheek en hij vraagt of hij mag vangen. Hoe gaan wij die naar het oordeel van de Raad betalen? Hij heeft ons dan immers niet de toestemming gegeven voor het betalen van die rekening.

(De heer H.H.G. BAKKER: Misschien kunnen wij hetzelfde verhaal vertellen als wethouder Van der Horst over slagerij Jansen.)
Hoe doen wij dat dan? Wijst u ons de weg. De Raad heeft blijkbaar geld gevonden dat ik niet zie. Deel mij dat dan maar mee.

(De heer HALBERTSMA: Wij besluiten twee VMBO-scholen te bouwen en trekken daarvoor een structureel bedrag uit. De aannemer komt over ongeveer twee jaar bij ons met een rekening van ongeveer 20 miljoen euro. Ook dat bedrag smeren wij rustig over een twintigtal jaren uit. Wat is het verschil?)
Wij smeren dat bedrag niet over twintig jaar uit.

(De heer HALBERTSMA: Het kapitaaldekkingstel.)
Nee, vanmiddag is de vergelijking gemaakt met de Noord-Zuidlijn. Gezegd is dat wij de financiering daarvan ook over meerdere jaren uitsmeren. Dat is juist, maar deze is wel betaald op het moment dat die trein gaat rijden.

(De heer ASSCHER: U maakt zich dus zorgen over de mensen die in de bibliotheek komen en te horen krijgen dat die niet is betaald?)
Nee, zorgen maak ik mij daarover niet.

(De heer ASSCHER: De Noord-Zuidlijn is betaald als de treinen rijden en de bibliotheek als de boeken worden geleend. Daar komt het op neer.)
De aannemer stuurt ons in 2006 een rekening voor de opgeleverde bibliotheek en vraagt ons deze te betalen. Dan zeggen wij hem dat hij u moet bellen, omdat u ons niet de toestemming heeft gegeven dat geld uit te geven. Hoe doen wij dat dan?

(De heer ASSCHER: U maakt zich enigszins schuldig aan jij-bakkerij, al verweet u dat uw partijgenoot de heer Huffnagel zojuist. U maakt de vergelijking met de Noord-Zuidlijn door te zeggen dat de treinen zijn betaald op het moment dat deze gaan rijden. In uw persbericht geeft u aan dat de bibliotheek in het vroegste geval in juli 2007 open zal gaan. In november 2007 stellen wij de begroting voor 2008 vast. Die vier maanden kunt u overleven.)
De heer Asscher neemt dus bedragen in de begrotingen voor 2007 en 2008 op voor een gebouw dat reeds in 2006 gereed is?

(De heer ASSCHER: Ja.)
In 2007 en 2008 zullen wij die resterende tranches voor de realisatie van de Openbare Bibliotheek alsnog moeten betalen. De heer Asscher is het ongetwijfeld met mij eens dat die rekening moet worden betaald. Hij raakt dat bedrag van 50 miljoen euro hoe dan ook kwijt. Door de financiering uit te stellen, krijgt de Raad toch niet meer geld? Waar heeft hij dat geld dan gevonden? Dat is toch niet een manier van financieren?

(De heer ASSCHER: Het gaat ons erom dat wij liever in 2007 en 2008 doorgaan met de betaling van die bibliotheek, zodat daar leerlingen kunnen komen die bijvoorbeeld op een goede VMBO-school les hebben gekregen.)
De heer Asscher geeft het geld tweemaal uit. Hij smeert dat niet alleen over een langere periode uit ? ik zeg overigens dat hij dat niet moet doen ? maar geeft dat intussen ook aan iets anders uit. Van welk bedrag betaalt hij dan in 2007 en 2008 de resterende rekening?

(De heer ASSCHER: Dat is datzelfde bedrag van 50 miljoen euro.)
Dat geeft de heer As scher dus tweemaal uit. Hij wil namelijk geld voor het Huis voor de Dans, een glasvezelnet, Artis enz. Hij wenst dat bedrag tweemaal uit te geven.
Op het moment dat wij de rekening voor de oplevering van de Openbare Bibliotheek voorgeschoteld krijgen, moet ik zeggen dat wij die niet kunnen betalen omdat de heer Asscher dat bedrag al aan Artis heeft uitgegeven. Hij is het toch wel met mij eens dat dit niet kan?

(De heer HALBERTSMA: Ik raad u dringend aan een cursus boekhouden te volgen. U haalt twee principiële zaken door elkaar, namelijk een bouwbesluit met een bepaald commitment voor een bedrag van bijvoorbeeld 50 miljoen euro en de wijze waarop dat wordt gefinancierd. Nu haalt u alles door elkaar.)
De discussie moet een andere zijn. De Raad wil van alles, terwijl wij een discussie voeren over ombuigen en het maken van keuzes. De Raad vraagt ons niet een voorstel voor 100 miljoen euro voor te leggen, maar voor 150 miljoen euro. Ondertussen houdt hij alles in de lucht. Hij wil een milieucentrum, een glasvezelkabel, het Huis voor de Dans, een stimuleringsfonds voor de bevordering van de volksgezondheid, Cosmic, uitbreiding van de Kunstraad, het Rozentheater enz. Dat kan toch niet?

(De heer ASSCHER: Vandaag staat in Het Parool dat u een kaderstellende Raad wilt die u opdrachten geeft. Wij geven vandaag een kader aan door u te vragen voor een ruime bezuinigingsinventarisatie te zorgen.)
Dat moeten wij nog wel realiseren.

(De heer ASSCHER: In de begroting voor 2003 heeft u niet aangegeven op welke wijze u gaat bezuinigen. Daarin staat alleen dat het nodig is dat te doen. Vervolgens haalt u structureel en incidenteel door elkaar. De gelden die u zojuist optelde tot 20 miljoen euro en vervolgens bij de Voorjaarsnota terug gaat brengen, zijn grotendeels incidenteel. U vergroot nu een kleine pinda tot een enorm grote pepernoot.)
Nee, de heer Asscher wil het College ertoe dwingen geld tweemaal uit te geven. Ik ben van mening dat hij dat niet kan doen. Naar mijn idee is dat onverantwoord omgaan met de financiën.

(De heer ASSCHER: Nee, een meerderheid van de Raad is voorstander van het over een langere periode uitspreiden van de betaling van de bibliotheek. Dat is er aan de hand.)
Krijgt u dan opeens meer geld?

(De heer HUFFNAGEL: Dan ontstaat er toch een financiële ruimte? Anders maakt het niet uit of wij dat in één of in honderd jaar doen.)
Nee, de heer Huffnagel schuift het probleem voor zich uit.

(De heer HUFFNAGEL: Dat is inderdaad de beslissing die voorligt.)
Dat is toch hetzelfde als dat de heer Huffnagel vrolijk doorgaat met het naar de kroeg gaan en geld uitgeven, ondanks het feit dat zijn salaris van deze maand op is. Dan heeft hij toch ook met een probleem te maken?

(De heer HUFFNAGEL: Dat gebeurt regelmatig!)

(De heer VAN POELGEEST: De heer Asscher zegt heel stoer dat de meerderheid van de Raad voorstander is van het over een langere periode uitsmeren van de betaling van de Openbare Bibliotheek. Dat blijkt straks bij de stemming. Misschien heeft hij gelijk en dan is de vraag of het College dit amendement zal uitvoeren. Ik vind wel dat wethouder Dales een punt heeft en adviseer hem het niet te doen.)
Wij zullen die discussie moeten voeren op het moment dat wij erin zijn geslaagd in het kader van die ombuigingsoperatie geld te vinden. Dat is het moment waarop wij daarover knopen kunnen doorhakken. Dat moment dient zich pas bij de Voorjaarsnota aan. Dan kunnen wij nagaan of dat iets heeft opgeleverd. Stelt u zich voor dat die operatie niets oplevert en dat het een grote mislukking wordt. Dat voorzie en hoop ik overigens niet. Stelt u zich voor dat alle argumenten van de tegenpartij - als ik van de tegenpartij mag spreken - sterker zijn dan die van het College. Wij komen bij u langs en het is geheel mislukt. Wat doen wij dan bij de Voorjaarsnota? Gaan wij dan desalniettemin al die besluiten effectueren, terwijl wij die niet kunnen betalen? Dat wil de Raad toch ook niet?

(De heer OLIJ: Als wij nu de begroting vaststellen, wordt u geacht die uit te voeren.)
Ook als het geld daarvoor niet beschikbaar is?

(De heer OLIJ: Ja, want wij hebben die begroting dan vastgesteld. Dat is ons budgetrecht.)
De heer Olij weet wat er gebeurt als de Raad een begroting vaststelt die niet in orde is?

(De heer OLIJ: Ja, dan grijpen Gedeputeerde Staten in.)
Juist. Wil de heer Olij het zover laten komen?

(De heer OLIJ: Ik weet niet of wij een begroting vaststellen die dermate slecht is.)

(De heer VAN POELGEEST: Het geld dat wordt gereserveerd voor de Openbare Bibliotheek - wij hadden liever nog meer gereserveerd - wordt door die amendementen lager. U kunt daartegen goede inhoudelijke argumenten aandragen, maar op basis daarvan zullen Provinciale Staten de begroting voor 2003 niet nietig verklaren. De Raad beslist in meerderheid minder te reserveren, al is dat een domme beslissing. Het kan echter wel.)
Dat begrijp ik, maar op een zeker moment krijgt hij zijn probleem wel terug, al gebeurt dat niet in 2003.

(De heer VAN POELGEEST: Daarover zijn u en ik het eens. Degenen die op dat moment in de Raad zitten, zullen dat probleem dan moeten oplossen.)
Ja, maar de Raad stelt het alleen maar uit. Hij heeft veel rechten en mogelijkheden, maar ik zou het eerlijk gezegd onverstandig vinden het College ertoe te dwingen zich vast te leggen op het doen van meer uitgaven dan het kan betalen. Daarom stel ik voor dat de Raad van ons een voorstel krijgt dat betrekking heeft op de ombuigingen. Ook zijn wij bereid na te gaan of wij verder kunnen gaan dan 100 miljoen euro. Daarmee zeg ik niet dat een bedrag van 150 miljoen euro tot de mogelijkheden behoort. Het zal immers al moeilijk genoeg zijn dat van 100 miljoen euro te halen. Dat wat wij vinden aan mogelijkheden voor ombuigingen, zullen wij vermeerderen met datgene wat de Raad daarbij wil.

(De heer ASSCHER: U gaat voor 100 of 150 miljoen euro structureel. Datgene wat wij voor 2003 incidenteel gaan regelen, mag u daarbij plaatsen. Daar gaat het nu echter niet om.)
Het doet er niet toe of het structureel of incidenteel is. Het is allemaal geld. Die ombuigingen hebben niet slechts betrekking op structureel geld, dus dat alles nemen wij mee en de Raad mag kiezen. Hij moet dan maar zeggen of hij wil dat alles doorgaat, of dat prioriteiten moeten worden geschrapt. De Raad moet ons er echter niet toe dwingen steeds meer te doen - die kant gaat het enigszins op - terwijl hij tegelijkertijd zegt dat wij moeten ombuigen omdat wij al die zaken niet kunnen betalen. Dat kunnen wij niet volgen. Ik herhaal dat ik van mening ben dat de Raad ons daartoe niet kan dwingen. Hij moet ons dan ook een handje helpen. Ik vind dat hij moet inzien dat het niet op die wijze kan. Dwing dit College niet tot het doen van uitgaven die wij niet kunnen dekken. Dat zou ik onverantwoord vinden en ik kan mij niet voorstellen dat de Raad dat wil.

(De heer VAN POELGEEST: U spreekt over een lijstje en zegt wat u daarin wilt opnemen. Ik kan mij daarbij wel iets voorstellen als het reserveringen of incidentele uitgaven betreft voor zaken die in de toekomst zullen worden gerealiseerd. Die zijn overal in de begroting opgenomen en daaraan voegt de Raad misschien een aantal prioriteiten toe. De meerderheid van de Raad zegt nu dat het voor een aantal structurele prioriteiten extra geld wil uittrekken en ik vind het vreemd dat u dat over twee of drie maanden opnieuw ter discussie gaat stellen. Dat kan, maar ook het College heeft in de begroting allerlei zaken structureel toegekend en ik neem aan dat ook die op dat lijstje worden vermeld. Dat differentieert dan niet meer. Waarom moet het een apart lijstje zijn? Dat maakt immers onderdeel uit van het inhoudelijk debat.)
Dat maakt mij niet uit. Dan maken wij een geïntegreerde lijst. De heer Van Poelgeest heeft gelijk. De Raad ontvangt ook datgene wat het College misschien graag zou willen. Dat wordt aan hem voorgelegd. Wij maken een lijst waarop alles is vermeld. Dan zegt de Raad het maar bij de Voorjaarsnota, want dat is het moment waarop wij daarover kunnen beslissen. Dan weten wij ook wat het financiële kader is en wat al dan niet mogelijk is.

(Mevr. BRUINES: Gaat het nu om de voorstellen die de Raad misschien zal aannemen en waarvan het College zegt dat de dekking niet deugt? Als wij nu de Hortus Botanicus Amsterdam inruilen voor de marathon, komt dat naar ik aanneem niet op de lijst terug. Dat zou uit financieel oogpunt immers een keurige regeling zijn. Daarvoor is misschien niet een meerderheid te vinden, maar dat kan. Het gaat om een structureel bedrag van 200.000 euro. Dat staat in de begroting en kunnen wij daaruit halen. Begrijp ik het goed dat wij de grote lijst met wensen uitstellen tot de Voorjaarsnota?)
Daarvan zouden wij kunnen zeggen dat er niet een financieringsprobleem is. De pijn zit vooral in de zaken waarvan de Raad zegt dat hij die wil realiseren en waarvoor een dekking wordt aangegeven waarvan wij zeggen dat die niet juist is. Het is niet mogelijk tweemaal hetzelfde bedrag uit te geven. Daartoe kan de Raad het College niet dwingen. Ons voorstel is die discussie bij de Voorjaarsnota voort te zetten en af te ronden. Ik verzoek de Raad daarover zijn gedachten te laten gaan en daarop in tweede termijn te reageren.
De heer Asscher merkte vanmiddag nog op dat wij over alle zaken moeten kunnen spreken, dus ook over de OZB. Ik vind het fijn dat hij de discussie daarover toch wil openen. Het College deelt de opvatting dat het mogelijk moet zijn over alles te spreken. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor een verhoging of een eventuele verlaging van de OZB. Het moet mogelijk zijn van gedachten te wisselen over de verkoop van gemeentelijke aandelen. Alles komt aan de orde, dus wat dat betreft krijgt de heer Asscher zijn zin.
De fractie van GroenLinks heeft aangegeven voor welke prioriteiten de resultaten van de ombuiging kunnen worden gebruikt. Het College neemt daarvan kennis. De discussie daarover zullen wij bij de behandeling van de Voorjaarsnota voeren. Ook de fractie van de PvdA heeft een aantal prioriteiten aangegeven. Uiteraard zullen wij daarop goed letten, maar wij moeten eerst de ombuiging realiseren. Daarna kunnen wij de discussie daarover voortzetten.
Mevr. Alberts biedt aan 20 procent van het salaris van raadsleden in te leveren. Sprak zij slechts over raadsleden, of ook over de wethouders?

(Mevr. ALBERTS: Ik sprak ook over de wethouders.)
Dan zijn wij tegen dit voorstel!

(Mevr. ALBERTS: U moet niet denken dat u de dans ontspringt!)
Dan lijkt mij dat een slecht plan. Ik raad mevr. Alberts aan het goede voorbeeld te geven. Wellicht doet dat volgen.

(Mevr. ALBERTS: Dan zal ik u de regeling van de SP-fractie maar niet uitleggen.)

Nee, dat moet mevr. Alberts niet doen, want die volgen wij absoluut niet.

(De heer H. BAKKER: Dat stoppen ze allemaal in die tomaten.)
Het College heeft waardering voor de inzet van de fractie van D66 voor wat betreft het maken van keuzes. Wij zijn van mening dat het op die wijze moet gebeuren. De wethouder voor Zorg zal later ingaan op haar opmerking over de GG & GD.
De fractie van Leefbaar Amsterdam heeft voorgesteld de hondenbelasting af te schaffen, omdat zij van mening is dat het huisdier een belangrijke rol speelt in het sociale verkeer. Naar mijn idee is iedereen die mening toegedaan. Dat is onweersproken, maar de hondenbelasting is onderdeel van de zogenoemde algemene dekkingsmiddelen. Als wij die afschaffen, ontvalt ons een paar miljoen euro. Stelt u zich voor dat wij dat een goed plan zouden vinden, waarvan moeten wij dat gat dan dichten?

(De heer H. BAKKER: Dan gaat u naar een kauwgomfabriek en laat u die daaraan meebetalen. Die vervuilt immers veel meer en betaalt niets. Sommige straten moeten worden `geherprofileerd' vanwege de kauwgom. Dat is een eenvoudige oplossing.)
Dat laat de wet niet toe.

(De heer H. BAKKER: Dat zijn toch ook vervuilers? De wet met betrekking tot de hondenbelasting is ouderwets. Wij zouden voor grote honden meer belasting kunnen heffen. Jonge mensen hebben vaak grote honden die een paar kilo aan uitwerpselen op straat achterlaten. Kleine hondjes laten slechts een half onsje achter.)

(Mevr. VAN OUDENALLEN: In een oude motie stelde ik inderdaad voor naar gewicht hondenbelasting te heffen.)


(De heer H.H.G. BAKKER: Wij zitten toch op één lijn?)
De motie ligt voor en wij wachten af wat daarmee gebeurt. Het is misschien een sympathieke gedachte de hondenbelasting af te schaffen, maar dan ontstaat er een gat dat op de een of andere manier moet worden gedicht. Bovendien is het structureel geld waarmee veel kan worden gedaan.

(De heer H. BAKKER: U weet waar wij wonen. Daar lopen meer katten rond dan honden en ook daarvoor wordt niet een belasting geheven.)
Ik heb een tip voor de heer H. Bakker. Hij moet op zijn kameel gaan zitten.

(De heer H. BAKKER: Wij hebben niet een kameel, maar een olifant. Ik zal een goede bril voor u kopen.)
U moet op die olifant van u gaan zitten en daarmee naar Den Haag gaan. Ik stel u voor met Mat Herben over dit onderwerp van gedachten te wisselen en ervoor te zorgen dat de Gemeentewet op de lokale belastingen wordt gewijzigd. U kunt daarin nieuwe belastingen laten opnemen en dat geeft tal van mogelijkheden.
Mevr. Kalt heeft gevraagd of het College de Raad niet kan helpen met het vinden van een dekking voor zijn goede ideeën. Dat is de omgekeerde wereld, want de Raad is de hoogste macht en gaat over het geld. De Raad kan zeggen hoe het moet. Wij doen hem een sluitend voorstel. Als de Raad met iets anders komt, slaat hij een gat in ons voorstel. Wij vinden het dan ook fair dat hij nadenkt over de vraag op welke wijze dat moet worden gedekt. Dat vind ik wel een goed uitgangspunt.

(Mevr. KALT: Ik heb u gevraagd over een dekking na te denken voor een voorstel dat u goed vindt. Ik zal u niet dwingen na te denken over een dekking voor een idee dat u waardeloos vindt. U heeft immers de beschikking over ambtenaren en weet waar de gelden zijn genoteerd. Als de Raad met een goed idee komt, behoort u naar mijn idee na te gaan of het mogelijk is een bepaald bedrag vrij te maken.)
Mevr. Kalt kent ons. Altijd als zij met een goed idee komt, zijn wij haar behulpzaam. Als wij wat centjes kunnen vinden, zullen wij het oplossen. Ik heb begrepen dat de wethouder voor de bomen mevr. Kalt nu ook bijzonder behulpzaam is. Als dat nodig is, zal dat op een dag misschien financieel worden vertaald.
Mevr. Kalt heeft gevraagd waarom het College niet alles presenteert. Als wij de Raad alles zouden moeten presenteren wat wij bedenken, zou hij daarvan niet goed worden. Dat doen wij dan ook niet. Wij schiften daarom en schrappen de onzin.

(Mevr. KALT: U zit nu wel gezellig te babbelen, maar dat heb ik niet gezegd. Ik heb u gevraagd te beargumenteren waarom aan de ene zaak meer geld wordt uitgegeven en aan de andere minder. U bent politicus en geen manager.)
In de begroting geven wij u die argumenten, maar mevr. Kalt heeft een punt. Ook ik ben namelijk van mening dat dit beter kan. In de begroting voor 2004 zullen wij dat beter doen, vooral als wij besluiten iets niet te doen. De Raad heeft wel eens gevraagd of het niet mogelijk is meer keuzemogelijkheden te krijgen. In het kader van het democratisch proces, de kaderstellende rol van de Raad en de dualisering ben ik van mening dat het College daaraan meer kan doen.
Ik kom bij de moties en amendementen, te beginnen bij motie nr. 599 van de heer Olij c.s. inzake het Investeringsfonds Stedelijke Vernieuwing en het Stadsdeelfonds.

(De heer OLIJ: Deze is gewijzigd in nr. 842 en teruggebracht tot het Stadsdeelfonds.)
Het College maakt geen bezwaar tegen het aannemen van deze motie.
Ik kom op amendement-Asscher c.s., nr. 636, inzake de bezuiniging op het gemeentelijk apparaat. Wij hebben reeds eerder gezegd dat wij van mening zijn dat dit amendement onze lijn grotendeels onderschrijft. Daarmee zijn wij dan ook niet ongelukkig. Het voorstel is te besluiten dat het College voor het verschijnen van de Voorjaarsnota met een concrete gekwantificeerde inventarisatie komt van de diverse mogelijkheden van de bezuinigingen. Wij zullen dat zo spoedig mogelijk doen en verwachten dat dit bij de Voorjaarsnota zal gebeuren, opdat wij daarover bij de behandeling daarvan besluiten kunnen nemen. Daarmee hebben wij dus niet een probleem. Het gaat vooral om het tweede besluit, namelijk dat er sprake moet zijn van een inventarisatie van een dusdanige omvang dat de Raad uit verschillende alternatieven kan kiezen. Zojuist heb ik daarover gesproken. Wij willen het doen op de wijze die ik zojuist heb geschetst. Als de heer Asscher dat met ons deelt, maken wij geen bezwaar tegen het aannemen van dit amendement.

Het College handhaaft zijn preadvies op de motie-Paquay c.s., nr. 653, inzake de pilot gecombineerde aanslag gemeentebelastingen. Het College heeft geadviseerd deze motie niet aan te nemen.

(De heer PAQUAY: Die motie is al ingetrokken. U moet wel opletten.)
Daarin heeft de heer Paquay gelijk.

Ik ga in op de motie-Weenink, nr. 670, inzake SMART ( Specific, Measurable, Achievable, Realistic, Timely) . Dat betekent dat je zaken zodanig formuleert dat het mogelijk is te meten. Zo zou de gewone man dat zeggen. De heer Weenink vraagt ons in 2003 zo spoedig mogelijk een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden om onderdelen van de begroting vooraf per instelling, organisatie, doel of dienst SMART afrekenbaar en evalueerbaar te maken en dat in augustus 2003 af te ronden. Betekent dit dat wij bijvoorbeeld ten aanzien van de cultuurbegroting van alle door de gemeente gesubsidieerde instellingen moeten nagaan wat deze doen met het doel dat SMART te maken? Dat kan de heer Weenink toch niet van ons verwachten?

(De heer WEENINK: Ja, dat bedoelen wij.)
Dan ontraadt het College het aannemen van deze motie ten stelligste.
Ik reageer op het amendement-Van Poelgeest, nr. 687A en B, inzake de verhoging van het budget internationale betrekkingen. Het College blijft van mening dat het onverstandig is aan het bedragje voor Public Affairs te komen. Ik heb al vaker gezegd dat het niet de bedoeling is voor 150.000 euro iemand in Den Haag neer te zetten. Zo gek zijn wij niet. Het gaat om veel meer. De Raad heeft immers vaak gezegd dat wij meer moeten doen aan lobby en betrekkingen met de rijksoverheid. Wij moeten daarvoor dan ook maatregelen nemen die geld kosten en het College vindt het daarom onverstandig in die middelen te graaien. Hetzelfde geldt voor het project huisstijl. Ik begrijp dat de heer Van Poelgeest in eerste instantie denkt dat het maken van een huisstijl onzinnig is, maar ik raad hem aan stil te staan bij de ratio daarachter en wat dat op termijn voor het concerndenken en de samenhang in de gemeente zou kunnen betekenen. Bovendien zal uiteindelijk sprake zijn van een vrij fors inverdieneffect, want daarmee is te voorkomen dat allerlei diensten, bedrijven en stadsdelen alles zelf gaan doen.

(De heer VAN POELGEEST: Kunt u dan uitleggen waarom het College van die huisstijloperatie wel 300.000 euro doorschuift als het zelf op zoek is naar geld en het hem uitkomt?)
Ik wil dat uitleggen, maar naar mijn idee moet ik dat overlaten aan de eerstverantwoordelijke portefeuillehouder. Binnen het College is namelijk sprake van een scheiding van rollen en bevoegdheden. Naar mijn idee gaat de Burgemeester daarover. Hij zal daarop ingaan.

(De heer VAN POELGEEST: U zei zojuist dat dit meteen moest, maar ik herinner u eraan dat het College zelf al 300.000 euro heeft doorgeschoven.)
Ik neem aan dat de Burgemeester daarop terugkomt.
Ik kom op het amendement-Bruines, nr. 696, inzake het Rozentheater met de dekkingGG & GD. Ik zie dat de wethouder voor Zorg daarop zal reageren.

(Mevr. BRUINES: Ik heb dat amendement gewijzigd. Daardoor is een andere motie ontstaan waarmee u ons zojuist complimenteerde.)
Ik reageer op het amendement-Nederveen, nr. 891, inzake het instellen van een fonds voor de Amsterdamse Cultuurgebouwen. De in het amendement verwoorde gedachte vinden wij sympathiek. Het is hem erom te doen over voldoende budget te beschikken voor het bijhouden van die cultuurgebouwen, maar dan moeten wij ook een voeding voor een dergelijk fonds hebben. Het lijkt ons niet een goed plan daarvoor een apart fonds in het leven te roepen. De laatste jaren hebben wij binnen deze gemeente juist een beleid ingezet met het doel de fondsen zoveel mogelijk op te doeken. Wij deden dat om ertoe te komen dat wij ove r de volle breedte een goed inzicht hebben in de gemeentefinanciën. Als wij een fonds inrichten en daarin geld storten ? dat staat nog los van de vraag waar de heer Nederveen de voeding vandaan zou willen halen. Dat weet ik namelijk niet ? zien wij dat nie t meer. Het wordt dan immers een aparte pot en die onttrekt zich vervo lgens aan de integrale overwegingen die wij ten aanzien van de gemeentelijke middelen moeten hebben. Sinds lange tijd is de lijn dan ook dat wij zo weinig mogelijk fondsen willen. Om die reden raadt het College dat voorstel af. De reden is dus niet dat wij de inzet van de heer Nederveen voor die cultuurgebouwen niet waarderen. Dat doen wij juist wel, maar wij raden hem aan het niet op deze manier te doen.

(De heer H.H.G. BAKKER: U slaat onze motie over.) Dat komt omdat de heer H.H.G. Bakker de motie een letter heeft gegeven.

(De VOORZITTER: Dat komt ook doordat de heer H.H.G. Bakker jarig is. Daarmee feliciteren wij hem van harte.)

(De heer H. BAKKER: Dat komt natuurlijk door die olifant. Die heeft een grote slurf.)
In motie nr. 909 wordt gevraagd te waken voor onnodige kapitaalvernietiging. Dat lijkt mij iets voor wethouder Oudkerk.
Motie nr. 910 over de haalbaarheid lijkt ons goed.
Op motie nr. 911 over de hondenbelasting ben ik reeds ingegaan. De intentie is wel sympathiek. De heer H.H.G. Bakker wil dat namelijk doen vanwege de sociale rol van het huisdier. Desalniettemin moeten wij tegen het afschaffen van de hondenbelasting zijn, omdat dit een gat in de financiering slaat waarvoor de dekking ontbreekt. Wij kunnen dat niet goed vinden en ontraden de Raad derhalve deze motie aan te nemen.

(De heer ZAFER YURDAKUL: De twee moties staan op gespannen voet met elkaar en spreken elkaar tegen. De eerste motie van de heer H.H.G. Bakker waarover u sprak, is een open deur. Als wij moties van die strekking gaan indienen, kunnen wij niet met 120 pagina's aan moties volstaan. Dan hebben wij misschien wel 1000 pagina's nodig. Het lijkt mij goed dat het College zegt dat het niet de behoefte heeft dergelijke moties positief te preadviseren.)

(De heer H.H.G. BAKKER: Als u de inhoud goed leest, begrijpt u het misschien.)

Wethouder OUDKERK: Mijnheer de Voorzitter. Het zal je maar gezegd worden dat je over de kapitaalvernietiging gaat.

(De heer HALBERTSMA: Wethouder Dales weet niet dat u uw gebouwen keurig middels het kapitaaldekkingsstelsel dekt. Dat gebeurt heel goed en daarover hoeven wij vanavond dan ook niet te spreken.)
Dank u wel.
De motie-Paquay, nr. 847 heeft betrekking op het smartengeld voor de cliënten van de GSD die mogelijk door een foutieve administratie zijn gedupeerd. De motie is inmiddels gewijzigd, maar ik maak daartegen nog steeds bezwaar. In de commissie heb ik al gezegd dat wij een excuusbrief zullen sturen aan de personen die zijn gedupeerd doordat wij een fout hebben gemaakt. Het zal niet blijven bij een excuusbrief. Ook het onterecht verkregen geld zal worden teruggestort. Mevr. Alberts merkte terecht op dat ik heb toegezegd haar voor deze begrotingsbehandeling antwoord te geven op de vraag of de ACAM gelijk heeft met de opmerking dat het honderden of misschien wel enkele duizenden gevallen betreft. Naar mijn besten weten heeft de ACAM daarin niet gelijk, maar het onderzoek is nog niet afgerond. Wij houden nu een steekproef onder 720 cliënten. De opmerking dat het honderden of misschien zelfs enkele duizenden gevallen betreft, lijkt op een aantijging. Ik ben van mening dat dit wat ruim is genomen, maar ik kan mevr. Alberts nog niet melden wat het aantal cliënten is. Desalniettemin vind ik het niet gewenst iedere gedupeerde cliënt 200 euro aan smartengeld te verstrekken. Ik raad de Raad sterk af deze motie aan te namen, omdat ik van mening ben dat wij dat geld beter kunnen gebruiken.
Ik kom op de motie-Sargentini, nr. 683 inzake de plusvoorziening. Dat lijkt mij een prachtige motie en ik maak dan ook geen bezwaar tegen het aannemen daarvan. Wij zullen ons best doen in Den Haag.
Het amendement-Zafer Yurdakul c.s., nr. 692 heeft betrekking op de besteding van ESF-subsidies GSD die nog niet in de portemonnee van de gemeente Amsterdam zijn terechtgekomen. Ik heb reeds enkele malen gezegd dat ik het een slechte zaak vind dat bedrag nu al in te zetten.
De motie-Zafer Yurdakul c.s., nr. 693 heeft niet zozeer betrekking op de keuzevrijheid en de mogelijkheid op meerdere scholen in te schrijven, maar meer op het consumentenplatform. Voorgesteld wordt datgene ten aanzien van die keuzevrijheid bij dat consumentenplatform te voegen. Die motie heeft betrekking op een extra bedrag van 150.000 euro voor een consumentenplatform. In de commissievergadering heb ik gezegd dat ik van mening ben dat er teveel sprake is van nattevingerwerk als ik nu 150.000 euro fourneer, terwijl er nog niet een consumenteninformatiecentrum is. Bovendien tonen berekeningen aan dat ik het eerste jaar volledig uitkom met een bedrag van 50.000 euro. Als bij de Voorjaarsnota blijkt dat meer geld nodig is om dat te bewerkstelligen, ben ik de eerste die de heer Zafer Yurdakul dat meldt. Ik ben namelijk voorstander van die consumenteninformatie.

(De heer ZAFER YURDAKUL: Wethouder Oudkerk heeft in de commissie gezegd dat hij ervoor gaat dat die consumentenorganisatie wordt gerealiseerd, omdat zowel ouders als kinderen worden benadeeld. Nu blijkt dat daarvoor slechts een bedrag van 50.000 euro is uitgetrokken. Dat is schijnbaar slechts goed voor het onderhouden van een website. In onze visie is dat niet een consumentenorganisatie. Consumenten hebben er recht op mee te praten. Nu lijkt het erop dat er een onderonsje is tussen schoolbesturen en de gemeente. Dat is een slechte zaak.)
Over de kwalitatieve aspecten ben ik het met de heer Zafer Yurdakul eens. Wij verschillen van mening over de financiën die wij daarvoor nu opzij moeten zetten. Daar gaat het mij om. De rest van de motie is uitermate sympathiek en daarover verschillen wij niet van mening.
Over het amendement-Meijer, nr. 884 inzake het leerlingenvervoer merk ik op dat dit niet een verantwoordelijkheid is van de centrale stad. Dat heb ik ook in de commissievergadering gezegd. Als wij dit weer willen centraliseren, moet de Raad dat uiteindelijk zeggen. Het is van de stadsdelen en dat blijft het geval totdat de Raad zegt dat dit niet een goed idee was.
Hetzelfde geldt voor de moties nr. 711A en nr. 711B van mevr. Meijer.
Het amendement-Meijer c.s., nr. 712 en de motie-Asante, nr. 747 hebben beiden betrekking op het slavernij instituut. Zowel in de commissie als in deze Raad is daarover gesproken. Het zou mij een lief ding waard zijn geweest als deze motie en dat amendement in elkaar waren geschoven. Ik heb mijn excuses al aangeboden vanwege het feit dat er verschillende preadviezen zijn gegeven. Het slavernij instituut zal worden gerealiseerd. Dat zal niet een instituut zijn van de fractie van de SP of die van de PvdA, maar van alle Amsterdammers. Alleen het resultaat telt en ik ben daarmee in ieder geval gelukkig. Hopelijk geldt dat ook voor de Raad.

(De heer PAQUAY: Ik ben het volstrekt met u eens, maar begrijp niet waarom u niet alsnog de definitieve stap zet die nodig is om de onbehoorlijkheid op te lossen. Ik doel dan op het omkeren van de twee preadviezen.)
Als ik dat doe, ga ik mee in die lijn. Het lijkt mij beter dat niet te doen.

(De heer PAQUAY: Nee, u corrigeert dan een gemaakte fout. Ik zou al tevreden zijn als u zegt dat u ook amendement nr. 712 positief preadviseert, maar ook dat doet u niet.)
Ik had begrepen dat de heer Paquay zowel de motie als het amendement heeft ondertekend en daarop is het preadvies uiteindelijk ook gebaseerd. Dat bleek een vergissing. Dat had hij namelijk niet zelf gedaan. Dat is natuurlijk heel vervelend, maar Ik hecht eraan de verantwoordelijkheden te laten waar deze behoren te liggen. In de commissie heb ik gezegd dat ik het goed zou vinden als het amendement en de motie in elkaar werden geschoven. Dat heb ik ook in een brief verwoord. Als dat gebeurt, zie ik eerlijk gezegd het probleem niet. Ik zie het probleem overigens sowieso niet, want het is geregeld.

(De heer PAQUAY: Het is aan de Raad te bepalen of de motie en het amendement in elkaar worden geschoven.)
Dat ben ik met de heer Paquay eens, maar ik mag hem dat vragen.

(De heer PAQUAY: Ik doe u een voorstel. Daarmee bent u het eens, want dat blijkt uit het preadvies op motie nr. 747. Het voorstel dat ik u nu doe, wijst u echter af.)
Als het niet zou zijn geregeld, hadden wij naar mijn idee met een probleem te maken. Met het oog op de visie van de heer Paquay begrijp ik wel dat hij hierop tamboereert, maar het is toch prachtig dat het instituut zal worden gerealiseerd?

(Mevr. VAN OUDENALLEN: Moet er niet worden getost? Beide fracties hebben gelijk, maar de wethouder doet niet een uitspraak. Het is dus aan de voorzitter een Salomonsoordeel te vellen.)

(De VOORZITTER: Dat lijkt mij niet.)
Naar mijn idee zou niet de voorzitter dat moeten doen. Ik blijf bij datgene wat ik heb gezegd en wens niet in herhaling te vervallen.

(Mevr. CODRINGTON: Als u nu zegt dat zowel amendement nr. 712 als motie nr 747 positief zijn gepreadviseerd, zijn wij allemaal gelukkig.)
Er zijn verschillen tussen het amendement en de motie. Daarover hebben wij in de commissievergadering al gesproken. Motie nr. 747 vind ik nog steeds vollediger dan amendement nr. 712. Naar mijn idee is de vraag aan de orde wie de motie of het amendement het eerst heeft ingeleverd en dus uiteindelijk met de eer kan gaan strijken. Wat mij betreft mag niemand met de eer gaan strijken, met uitzondering van de Amsterdammers.

(Mevr. MEIJER: Ik heb het amendement van de SP-fractie op donderdag als eerste ingeleverd. Het idee van het slavernij instituut kwam destijds van de heer Van Bommel. Ere wie ere toekomt.)
Ik vind het prachtig dat mevr. Meijer dat zegt. Als het inderdaad juist is dat voor mijn tijd in de Raad aan de orde is geweest dat het idee van de heer Van Bommel is, is naar mijn idee ongeveer alles gezegd. De heer Van Bommel heeft het initiatief genomen. De motie is door mevr. Asante als eerste ondertekend en wordt naar mijn idee raadsbreed ondersteund. Uiteindelijk is het ook nog voor de bakker gekomen.

(De heer H.H.G. BAKKER: Daarvan kan ik mij niets herinneren.)
Het is uw verjaarsfeestje. Vandaar.
Tegen de motie-Van Oudenallen, nr. 743, inzake het instellen van een onderzoek naar de begeleiding van hoogbegaafde leerlingen maakt het College geen bezwaar. Zij heeft de motie gewijzigd in motie nr. 903
Hetzelfde geldt voor de motie-Asante c.s., nr. 746 inzake gesubsidieerde banen.

(De heer JAMARI: Ik heb u niet gehoord over het amendement-Paquay c.s., nr. 882.)
Het College blijft bij zijn eerdere preadvies op amendement nr. 882.

(De heer PAQUAY: Er is een gewijzigd amendement ingediend. Aan het eerste amendement is namelijk een financiering toegevoegd. U zegt dat het preadvies hetzelfde blijft. Graag verneem ik wat er mis is met de financiering. Of is er iets mis met het blad MUG? Dat kan natuurlijk ook. Als u die mening bent toegedaan, verneem ik dat graag.)
Nee. De heer Paquay heeft van mij al gehoord dat ik vond en vind dat daarmee niets mis is. Hij heeft de ESF-financiering vervangen door de financiering uit het fonds Werk en Inkomen. Daarmee graait hij uit een pot waaraan ik die bestemming nu nog niet wil geven. Wat dat betreft verandert er voor mij niets aan het feit dat het een niet solide dekking is.

(De heer PAQUAY: Maar dat doet u wel bij het tekort dat bij Maatwerk moet worden aangecijferd. In dat geval graait u wel voor 1,5 miljoen euro. Ik vraag nu om 50.000 of 97.000 euro. Wat is dan graaien?)
De heer Paquay heeft gelijk. Het zijn zowel kwalitatief als kwantitatief onvergelijkbare grootheden. Hoewel het een klein getal is, is het een kwestie van kiezen. Ik vond Maatwerk belangrijker dan een extra bedrag van ongeveer 50.000 euro voor het blad MUG.

(De heer PAQUAY: Maar Maatwerk legt die eisen op aan het maandblad MUG.)
De heer Paquay kan het blijven proberen, maar ik vind deze financiële dekking nog steeds ondeugdelijk. Die wil ik daarvoor niet gebruiken.

(De heer PAQUAY: Ik stel vast dat er een verschil is tussen de ene en de andere graaier.)
Het is niet zozeer graaien. Het is meer een kwestie van de vraag stellen wat wij met het fonds Werk en Inkomen willen financieren en wat niet.

(De heer PAQUAY: Het zijn uw woorden.)
Ik geef toe dat ik dat woord heb gebruikt.

Wethouder mevr. MAIJ: Mijnheer de Voorzitter. Ik zal alleen ingaan op de moties en amendementen die zijn veranderd.
Ik behandel het amendement-Asscher c.s., nr. 592 inzake de participatie jeugdsport en dat van mevr. Spee-Rouppe van der Voort c.s., nr. 641 inzake de contributiekortingsregeling gezamenlijk. Het is de Raad bekend dat het College heeft besloten 475.000 euro uit het armoedegeld vrij te maken voor jeugdparticipatie. Dat doet het met name voor kinderen waarvan de ouders onder de armoedegrens leven en onder de bijzondere bijstand vallen. Wij zijn van plan de amendementen, die gezamenlijk precies het bedrag van 4750.000 euro omvatten, uit te voeren. Wij maken dus geen bezwaar tegen het aannemen van deze amendementen, al zijn deze door deze toezegging overbodig geworden. Het is aan de Raad te bepalen wat hij daarmee doet.
De heer J.L. Bakker heeft de dekking van motie nr. 595 inzake het project De Held gewijzigd. De dekking was één van de bezwaren. Hij vraagt het College zich in te spannen voor de realisatie van het project `De Held van Amsterdam', maar het argument blijft staan dat de gemeente Amsterdam dit al doet door middel van het project `Topscore'. Dat heb ik reeds aangegeven in het preadvies dat ik eerder heb gegeven. Het College blijft derhalve de mening toegedaan dat deze motie overbodig is.
In het amendement-H. Bakker c.s., nr. 850 inzake Artis worden de vrijgekomen middelen van wethouder Dales als dekking gebruikt.

(De heer J.L. BAKKER: Ik zal het nogmaals proberen uit te leggen. Er zitten drie leden in de Raad met de naam Bakker. Twee van hen zijn van de fractie Leefbaar Amsterdam en één van de SP-fractie.)
U heeft gelijk. Ik moet naar rechts kijken.

(De heer J.L. BAKKER: Als het om politiek gaat, moet u wat mij betreft altijd naar Links kijken, maar in dit geval moet u rechts zijn.)
Ja, maar ik kijk ook naar rechts. Ik bied mijn excuses aan. Er is niet sprake van vrijgekomen middelen van wethouder Dales. Vanwege de financiële dekking moeten wij derhalve een negatief preadvies geven.
Ik kom op het amendement-Nijman, nr. 646. Dat is gewijzigd in amendement nr. 853 naar aanleiding van het preadvies van het College. Wij geven derhalve een positief preadvies.
In het amendement-De Wolf c.s., nr 648 is de dekking gewijzigd. De Burgemeester zal een reactie geven op amendement nr. 855.
Het amendement-Manuel c.s., nr. 690 heeft betrekking op de Hortus Botanicus. Bij variant I stelt de heer Manuel voor de structurele prioriteit van de marathon als dekking in te zetten. Ik heb al eerder aangegeven dat het College van mening is dat dit niet wenselijk is. Dat is ook de reden van de afwijzing.

(De heer MANUEL: Wat vindt u van variant II?)
Daarop zal de Burgemeester reageren.

(De BURGEMEESTER: Die zal ik zo afwijzen.)
U ziet dat wij al aardig integraal werken.
De motie-Meijer op nr. 709 is naar ons oordeel sympathiek. Wij hebben aangegeven dat wij een en ander zullen nagaan. Het gaat om een vrijval van 23.000 euro, maar mevr. Meijer heeft zojuist gehoord dat wethouder Dales in zijn betoog opmerkte dat hij 100 tot 120 miljoen euro structureel wil vrijmaken. Als wij consequent zijn, is het bedrag van 23.000 euro incidenteel daarvan de eerste bijdrage. Gezien het financiële aspect kunnen wij de motie derhalve niet honoreren.
Het amendement-Flos c.s. nr. 894 heeft betrekking op conducteurs op alle tramlijnen. Wij hebben daarover gesproken. Hij verzoekt het College alternatieve dekkingsvoorstellen aan de Raad voor te leggen indien de voorgestelde dekking onverhoopt ontoereikend blijkt. Dat zullen wij doen buiten de gemeente. Als de heer Flos deze wijziging wil aanbrengen, kunnen wij daarmee instemmen. Het geld voor deze conducteurs komt namelijk altijd van buiten de gemeente.

(De heer FLOS: Dat is wat mij betreft akkoord als de andere indieners daartegen geen bezwaar maken.)
Ik constateer dat zij daartegen geen bezwaar maken. Dat wordt dan amendement nr. 895 en het College gaat daarmee akkoord.
Het amendement-Flos op nr. 896 met betrekking tot het tegengaan van de verloedering van de openbare ruimte is zeer belangrijk voor de gemeente Amsterdam. Dit punt staat bij de Amsterdammers hoog op de agenda. Het College maakt geen bezwaar tegen de nieuwe dekking die daarin wordt aangegeven.

(De heer FLOS: Ik wijs erop dat er tweemaal een vel is rondgedeeld met motie nr. 894. Het gaat om de motie waarin punten zijn doorgestreept.) Namens het College heb ik daarop zojuist een preadvies gegeven.


Het amendement-Flos c.s. (nr. 894), ingetrokken zijnde, maakt geen onderdeel van behandeling meer uit.


De VOORZITTER deelt mee dat is ingekomen:
57°
Amendement van 18 december 2002 van de raadsleden Flos, Spee-Rouppe van der Voort en Bijlsma inzake conducteurs op alle tramlijnen (Gemeenteblad afd. 1, nr. 895).

Het amendement wordt voldoende ondersteund en terstond in behandeling genomen.

Wethouder mevr. BELLIOT: Mijnheer de Voorzitter. Het amendement van mevr. Spee op nr. 591 heeft betrekking op de exploitatiesubsidie aan Artis. De wethouder voor Financiën is daarop zojuist uitgebreid ingegaan. Dat heeft ook betrekking op de bibliotheek. Daar gaat het hier om. Door de voorstelle n die wethouder Dales ten aanzien van de bibliotheek heeft gedaan ? de ombuigingsoperatie ? kunnen wij waarschijnlijk in het voorjaar van 2003 tot een verdeling komen. Zodoende kan deze subsidie mogelijk aan Artis worden gegeven.
Het amendement van mevr. Riem Vis op nr. 649 heeft betrekking op het Huis voor de Dans. Zij stelt daarin voor de financiering te zoeken in de door ons gemaakte reservering voor Carré/Het Muziektheater. Ik wijs haar erop dat Het Muziektheater op dit moment met gigantische problemen te kampen heeft op het gebied van besturings- en bedieningssystemen die sinds 1988 zijn afgeschaft. Op dit moment doen zich levensgevaarlijke situaties voor en worden allerlei voorstellingen afgelast. De directeur is van plan daarover bij ons een serieuze klacht in te dienen. omdat hij als gevolg van deze problematiek ook de komende jaren veel voorstellingen zal moeten afgelasten. Ik pleit er dan ook voor het door ons voorgestelde bedrag voor Het Muziektheater te behouden.

(De heer VAN POELGEEST: Waarom heeft het College dat dan niet in de begroting voorgesteld?)
Dat had ook gekund, maar wij hebben niet gekozen voor die manier van financieren.

(Mevr. KALT: Nee, dat is niet waar. U heeft het geld aan Carré toegezegd, maar men had niet al dat geld nodig. Het Muziektheater stond dus al op de tweede plaats. Het Huis voor de Dans heeft totaal niets. Het Muziektheater heeft nu enige problemen met zijn materialen, maar dat is minder ernstig dan dat je helemaal niets hebt. Het Huis voor de Dans is al jarenlang geld beloofd.)
Ik besef ook dat het Huis voor de Dans al tien jaar lang op een vestigingsplaats wacht, maar wij hebben het afgewogen tegen de problemen waarmee Het Muziektheater op dit moment te maken heeft. Uiteraard ben ook ik mij ervan bewust dat wij met het Huis voor de Dans voor Amsterdam een behoorlijke infrastructuur zouden creëren. Wat dat betreft ga ik met u mee, maar Het Muziektheater heeft op dit moment met gigantische problemen te kampen die tot ongelukken kunnen leiden.

(De heer NEDERVEEN: Wat zou u dan hebben gedaan als Carré het volledige bedrag nodig had gehad?)
Dan zouden wij bij de Voorjaarsnota andere voorstellen aan de Raad hebben voorgelegd.

(De heer NEDERVEEN: Dan nodig ik u daartoe uit. U vindt dan de oplossing voor Het Muziektheater.)
Dan geven wij de Raad een totaaloverzicht en mag hij kiezen, zoals dat is afgesproken met wethouder Dales.

(Mevr. BRUINES: Dat lijkt mij een zeer onverstandig voorstel. Wij kunnen wel stellen dat het College het in de begroting op vreemde wijze heeft genoteerd. Als Het Muziektheater nu niet weet wat het kan doen en het moet wachten tot het voorjaar of de zomer totdat er wat meer bekend is, lijkt dat op onbehoorlijk bestuur. Elke dag heeft men immers te maken met de planning van voorstellingen voor de komende jaren.)
Mevr. Riem Vis doet op dit moment het voorstel het Huis voor de Dans met de middelen voor Het Muziektheater te dekken, maar ik pleit ervoor dat niet te doen.

(De heer VAN POELGEEST: Dit is mij te gemakkelijk. Kunt u nog eens meedelen wat bij het opstellen van de begroting uw overweging was om Het Muziektheater niet op te nemen? U heeft het niet in de begroting opgenomen. Het voorstel van het College was dat niet te doen. Ik vraag u wat de argumenten daarvoor waren.)

(Wethouder DALES: De wethouder voor Cultuur staat mij toe dat ik even meedoe.
Wij wilden zowel Carré als de vervanging van de technieken van Het Muziektheater. Overigens is daarin vanwege de brandveiligheid ook een bedrag opgenomen dat nodig is voor de publieksruimte. Het was niet mogelijk beide zaken te financieren, dus ook daar stonden wij voor een keuze. Wij hebben er op dat moment voor gekozen dat bedrag voor Carré op te nemen. Wij moesten in de begroting immers iets opnemen. De wetenschap op dat moment was dat er voor Carré een bedrag nodig was van ongeveer 8 miljoen euro. Reeds op dat moment vonden gesprekken met Carré plaats die erop wezen dat men misschien met wat minder geld kon toekomen. Als dat inderdaad zou lukken, zou het verschil tussen dat wat minder nodig is en het bedrag van 8,5 miljoen euro wat het College betreft bij voorrang voor Het Muziektheater kunnen worden ingezet. Op het moment dat die begroting is gemaakt, waren al die gegevens nog niet bekend. Het is toch niet zo vreemd dat wij daarna meer gegeve ns ontvingen waaruit blijkt dat Carré er inderdaad in is geslaagd uit eigen middelen meer geld te vinden dan wij hadden gedacht ? wat dat betreft kunnen wij Carré prijzen ? en dat de wethouder voor Cultuur namens het College vervolgens het voorstel heeft g edaan het probleem bij Het Muziektheater op te lossen. Dat is naar mijn oordeel een ordentelijke weg.)

(De heer NEDERVEEN: Ik stel wel vast dat het College heeft aangegeven dat het alleszins redelijk is als de oplossing bij de Voorjaarsnota wordt gevonden.)

(Mevr. BRUINES: Naar mijn idee heeft de wethouder zojuist tegengesproken dat zij dat heeft toegezegd.)

(De heer NEDERVEEN: De wethouder heeft gezegd dat het blijkbaar acceptabel was geweest als wij dat geld niet van Carré hadden gekregen. Onacceptabele voorstellen doet het College immers niet.)

(Mevr. BRUINES: Wat is nu het preadvies?)
Het preadvies is de verbetering van Het Muziektheater voorrang te geven en het geld van dit theater niet als dekking te gebruiken.

(Mevr. VAN PINXTEREN: Waarom vraagt u ons op dit punt uw fouten te verbeteren, terwijl wij aangeven dat er een andere prioriteit is die wij graag honoreren? U heeft een fout gemaakt door niet duidelijk in de begroting op te nemen dat er naar uw oordeel een groot gebrek was bij Het Muziektheater. In de commissievergadering heb ik reeds gezegd dat u de oplossing van de problemen van Het Muziektheater in de begroting afhankelijk laat zijn van de vraag of elders sprake is van goed financieel beheer. Dat doe je niet met iets wat heel belangrijk is. Dat blijft staan.)
Wij hebben het samengetrokken. Wij hebben gezegd dat de renovatie van Het Muziektheater moet worden opgevoerd en dat dit dient te worden gecombineerd met Carré.
Het amendement-Van der Garde op nr. 651 heeft betrekking op de Wibowoningen en wordt positief gepreadviseerd.
In het amendement-Asscher op nr. 864 inzake de betaling van de herhuisvesting van de Openbare Bibliotheek wordt voorgesteld te spreiden over zes termijnen in plaats van vier. Ik heb ook aangegeven in het preadvies op het eerste amendement van de heer Asscher hieromtrent dat dit niet betekent dat wij geld verdienen. Wij krijgen dan na 2006 met financiële problemen te maken. Ik verzoek de Raad dan ook het advies van wethouder Dales op te volgen.

(Mevr. KALT: Die mensen die dat moeten betalen, hebben dan wel een bibliotheek. Dat geldt niet voor ons, dus wat dat betreft is het ook niet vreemd de betaling over een langere periode te spreiden. Is de wethouder die mening niet toegedaan?)

(De VOORZITTER: Dat debat is zojuist uitvoerig gevoerd. Ik stel daarom voor daarop niet nogmaals in te gaan.)

(Mevr. KALT: Dat is nog een extra argument.

(De VOORZITTER: Dat is precies hetzelfde argument. Het is duidelijk dat u volgende besturen met problemen opzadelt.)
Ik reageer nu op de amendementen van mevr. Bruines onder nr. 694 inzake de renovatie van de huisvesting van de GG&GD, onder nr. 695 betreffende het Huis voor de Dans en onder nr. 696 over het Rozentheater. In deze amendementen wordt voorgesteld af te zien van de renovatie van het gebouw van de GG&GD. De GG&GD heeft een uitgebreide presentatie gehouden over de stand van zaken. Daar is opgemerkt dat het water.op dit moment tot aan de lippen staat en dat het eigenlijk onverantwoord is het huidige gebouw te handhaven. Het gaat met name om publieksruimtes. Ik heb begrepen dat ook de commissie toegeeft dat het onverantwoord is het gebouw in de huidige staat te handhaven. Ik pleit er daarom voor de GG&GD de kans te geven zo snel mogelijk met de renovatie te beginnen.
Amendement nr. 695 heeft betrekking op subsidie voor het Huis voor de Dans ten laste van het gebouw van de GG&GD. Daarvoor geldt hetzelfde.

(Mevr. BRUINES: Dat amendement is gewijzigd.)
In amendement nr. 877 wordt ook een voorstel gedaan ten laste van de GG&GD.

(Mevr. BRUINES: Nee. Dat amendement is gewijzigd in een overigens ook niet al te fraaie motie. Deze is naar mijn idee wel geheel in lijn met het voorstel dat wethouder Dales heeft gedaan om dergelijke zaken over te hevelen naar de Voorjaarsnota. Dat is namelijk wat ik vraag. Ook vraag ik de Raad daarmee de uitspraak te doen dat hij van mening is dat het Huis voor de Dans moet worden gerealiseerd en dat hij het belangrijk vindt dit bij de Voorjaarsnota te betrekken. Wij kunnen dan gezamenlijk een prioriteit aangeven.)
Dat is akkoord.

(De heer NEDERVEEN: Wat zou u doen als die middelen aan Het Muziektheater werden besteed en dus niet beschikbaar waren?)

(Mevr. BRUINES: Ik ben er daarom voor nu de problemen van Het Muziektheater op te lossen en daarna het Huis voor de Dans te realiseren. Iedereen wil dat en het moet dus gebeuren. Het lijkt mij verstandig dat het op de lijst van wethouder Dales komt te staan. Voor het Huis voor de Dans moet namelijk pas in 2005 worden gebouwd, terwijl Het Muziektheater morgen aan de slag moet.)
Het amendement-Bruines, nr. 696 inzake het Rozentheater is positief gepreadviseerd.
Het amendement-Nederveen c.s., nr. 721 heeft betrekking op het instellen van een fonds voor de Amsterdamse Cultuurgebouwen. Wethouder Dales wees op de problemen en het belang van het integraal afwegen en kiezen als er sprake is van financiering. Met een fonds is er weer sprake van verkokering van geld. Ik zou het dan ook niet prettig vinden een speciaal fonds voor de Amsterdamse Cultuurgebouwen in het leven te roepen. Het College stelt daarom voor het amendement te verwerpen.
Op het amendement-Nederveen c.s., nr. 722 inzake de incidentele subsidie voor Felix Meritis geven wij een negatief preadvies. Daarin wordt namelijk voorgesteld dat te dekken uit de middelen voor Het Muziektheater.

(Mevr. VAN OUDENALLEN: Ook amendement nr. 734 over de daklozen valt onder de verantwoordelijkheid van wethouder Belliot. Dat staat nu nog bij wethouder Stadig.)
Ik heb daarover tegen mevr. Van Oudenallen gezegd dat ik bereid ben een onderzoek te doen om na te gaan wat het probleem is.

(Mevr. VAN OUDENALLEN: U zegt dat het niet nodig is dat amendement te handhaven, omdat u het voor mij gaat doen. Ik dank u voor deze toezegging en trek amendement nr. 734 in.)
Het amendement-Van Oudenallen op nr. 737 heeft betrekking op het gebruik van oude invalidenwagens. Deze zijn in het bezit van de Stichting Welzijn. Daarover hebben wij niets te zeggen, maar ik zal een inspanning leveren door na te gaan wat wij daarmee überhaupt kunnen doen. Meer kan ik mevr. Van Oudenallen niet toezeggen.
Het amendement-Alberts op nr. 907 heeft betrekking op een mantelzorgfonds. Daarin wordt gevraagd of het mogelijk is een mantelzorgfonds in het leven te roepen waarop mantelzorgers voor hun noden een beroep kunnen doen en de financiële middelen daarvoor te betrekken uit de stelpost `Overig Patiënten- en consumenten-beleid' die wordt gefinancierd uit de WVG. Ik vind het amendement interessant en sympathiek, maar kies niet voor een dergelijke financiering. Ik ben er niet een voorstander van over te gaan van een fonds naar een stelpost. Wel ben ik bereid met mevr. Alberts na te gaan op welke wijze eventueel een eenmalige investering kan worden gedaan voor het realiseren van een aantal projecten op het gebied de mantelzorg. Dat heb ik haar ook in de commissie toegezegd. Uiteraard ben ik bereid in overleg met WPOZ na te gaan of wij met de provincie financiering kunnen regelen.

(Mevr. ALBERTS: De wethouder maakt bezwaar tegen de laatste twee zinnen, namelijk dat ik het College verzoek alles in het werk te stellen om binnen een jaar een kant en klaar rolstoelcircuit in de aanbieding te hebben en de financiële middelen hiervoor te betrekken uit de stelposten overige uitgaven lichamelijk gehandicapten dan wel de stelpost stimuleringsfonds lichamelijke gehandicapten. Hoor ik haar nu zeggen dat zij daaraan wel geld zou willen geven, maar dat het niet een goed idee is het uit het Stimuleringsfonds te halen?)
Nee, ik kan mij heel goed voorstellen dat mevr. Alberts een project indient. Zij vraagt nu om een stelpost waaraan verschillende partners een financiële bijdrage leveren. Ook vraagt zij mij de regie op mij te nemen. Ik ben van mening dat wij dat niet moeten doen. Wel kan ik mij voorstellen dat door de mantelzorg projecten worden ingediend en dat wij daaraan aandacht besteden. Mij lijkt niet dat ik samen met de provincie financiën moet organiseren voor een speciale stelpost.

(Mevr. ALBERTS: Misschien moet ik het amendement dan nogmaals wijzigen. Begrijp ik het goed dat de wethouder zegt dat zij wel moeite wil doen, maar dat zij de financiering niet juist vindt?)
Uiteraard wil ik moeite doen, maar het lijkt mij niet verstandig het geld uit een fonds te halen en dat in een stelpost onder te brengen.

(Mevr. ALBERTS: Het financiële deel wil ik aan de ambtenaren voorleggen met de vraag na te gaan hoe dat moet worden geregeld. Dat betekent dat ik de laatste twee zinnen uit het amendement schrap en dat ik de inspanningsverplichting handhaaf. Ik schrap het financiële deel.)
Daarmee kan ik akkoord gaan.
Het amendement van mevr. Alberts op nr. 763 heeft betrekking op de vering van de busjes van Stadsmobiel. Ook dat vind ik sympathiek. Naar mijn idee stelt mevr. Alberts terecht dat mensen met veel pijn last moeten hebben van een bus die niet een goede vering heeft. Zij vraagt de veringen te vervangen en doet een voorstel voor een mogelijke dekking. Ik weet niet of dit technisch mogelijk is. Op grond van de informatie waarover ik beschik, plaats ik daarbij vraagtekens. Ik ben wel bereid na te gaan of het mogelijk is nieuw aan te schaffen bussen van betere vering te voorzien.

(Mevr. ALBERTS: Dat lijkt mij een goed idee.)

(Mevr. CODRINGTON: Ik ben verbaasd dat de wethouder voor Zorg niet reageert op mijn amendement onder nr. 682 inzake de renovatie van het gebouw van de GG&GD, de maatschappelijke opvang en de verslavingszorg. Dat is een belangrijk amendement dat al maanden in de roulatie is. Ik heb dat amendement gewijzigd in nr. 868 en ik neem aan dat wethouder Belliot daarop alsnog zal reageren.)
Mevr. Codrington vraagt de middelen die vrijvallen door uitstel van de renovatie van het gebouw van de GG&GD over te hevelen naar de maatschappelijke opvang.

(Mevr. CODRINGTON: U heeft niet het juiste amendement voor u. Ik heb een gewijzigd amendement ingediend, namelijk 868. In de commissie heb ik toegezegd het besluit te wijzigen.)

Het amendement-Van Oudenallen, nr. 734, ingetrokken zijnde, maakt geen onderdeel van behandeling meer uit.

Het amendement-Alberts c.s. (nr. 907), ingetrokken zijnde, maakt geen onderdeel van behandeling meer uit.

De VOORZITTER deelt mede dat is ingekomen:
58°
Amendement van 18 december 2002 van de raadsleden Alberts, Paquay, Meijer en J.L. Bakker inzake mantelzorgers (Gemeenteblad afd. 1, nr. 908).

Het amendement wordt voldoende ondersteund en terstond in behandeling genomen.

Wethouder VAN DER HORST: Mijnheer de Voorzitter. Het amendement-Marres onder nr. 849 inzake de pilot glasvezel Zeeburg is naar onze mening sympathiek. Gezien de voorgestelde dekking en gelet op de woorden van de wethouder voor Financiën, moet het College dat echter ernstig ontraden. Daarbij komt dat wij met smart wachten op de commissie-Andriessen die een uitspraak zal doen over de ICT-infrastructuur. Bij de Voorjaarsnota zal blijken op welke wijze wij daarmee omgaan.
De motie-Spee-Rouppe van der Voort, nr. 645, heeft betrekking op het 24 uur lang inzetten van de metro. Deze is gewijzigd in nr. 852 en daarin wordt voorgesteld de metro tot 3 uur te laten rijden. Ook dat vinden wij sympathiek. Als wij vooraf weten dat dit dermate veel geld kost en dat wij dat gezien de bezuinigingen die op ons af komen niet kunnen betalen, is het echter niet nodig dat te onderzoeken. Wij ontraden deze motie, omdat wij nu al weten dat wij dat nooit kunnen doen.
Het amendement van mevr. Kalt onder nr. 860, inzake de P+R-voorzieningen aan de Zuidas is niet veel veranderd. Wel is duidelijk dat het niet mogelijk is een goedkope P+R-voorziening op de duurste grond van Nederland te realiseren. Dat moet op een andere locatie gebeuren.

(Mevr. KALT: Ik heb het amendement juist wel veranderd, omdat ik zag dat u een argument had. Nu gaat het niet meer over de Zuidas, maar over de andere plaatsen langs de A10. Wij willen namelijk dat die auto's daar blijven.)
Dan stel ik mevr. Kalt voor het amendement in te trekken, want dat gebeurt reeds. Het is daardoor overbodig.

(Mevr. KALT: Als dat waar is, ben ik zeer gelukkig.)
Dat dacht ik al. Dat zag ik meteen.
Over het amendement van mevr. Kalt op nr. 861, inzake fietslessen voor allochtone vrouwen heb ik al eerder gezegd dat wij beter kunnen ophouden met al die flauwekul. Duidelijker kan ik het niet zeggen. Mocht het amendement worden aangenomen, dan zeg ik mede namens de wethouder voor Diversiteit dat wij dat niet zullen uitvoeren.

(Mevr. KALT: Waarom spreekt u dergelijke sterke taal over een aardig onderwerp als fietslessen. Dat is toch te gek?)
Het is inderdaad te gek dat wij dat doen. Wij kunnen ons geld beter uitgeven aan vrij liggende fietspaden, het oplossen van de black spots in deze stad, het maken van goede fietsenstallingen enz. Dat staat ook in de begroting en is veel beter voor het fietsbeleid.

(Mevr. VAN OUDENALLEN: Op 15 januari a.s. wordt de oude notitie van de heer Frankfurther over de fietslessen behandeld. Misschien kan mevr. Kalt haar amendement dan opnieuw indienen.)

(Mevr. BRUINES: Die notitie heeft niet betrekking op fietslessen, maar op fietsparkeerplaatsen.)
In de titel staat "fietslessen", maar dat is niet het onderwerp van die notitie.
Er is nog een aantal moties en amendementen ingediend dat niet sterk is gewijzigd. Het oordeel van het College daarover blijft dan ook hetzelfde.

Er zijn moties ingediend over het Javapontje. Het lijkt mij een goede gewoonte overbodige moties niet positief te preadviseren. Zowel in de commissie als in de Raad heb ik naar mijn idee duidelijk gezegd dat het ons wat waard is dat het Javapontje blijft varen, dat het College daarmee creatief omgaat en dat er altijd iets vaart. Ik heb de Raad zelfs toegezegd dat dit meer zal zijn dan een kano. Ik weet niet hoe ik het nog duidelijker kan zeggen. De moties over dit onderwerp lijken mij overbodig.

(Mevr. DALM: Misschien kunt u duidelijk aangeven of de huidige verbinding in 2003 blijft bestaan.)
Dat zal in 2003 zeker het geval zijn.
Over het amendement-Bijlsma op nr. 880, inzake de Weesperstraat/Wibautas hebben wij gezegd dat wij goed moeten lezen wat daarin staat. Dat amendement zou namelijk multi-interpretabel kunnen zijn. Dat weet ik echter niet. Misschien kan de heer Bijlsma daarover iets zeggen. Duidelijk is dat wij met de Weesperstraat/Wibautas aan de slag willen. Ooit is uitgerekend dat de kosten daarvoor 40 miljoen gulden zullen bedragen, maar wij weten niet of wij over dat bedrag beschikken. Dat was immers nooit gereserveerd. Wij kunnen nu een eerste stap maken met ongeveer 4 miljoen euro. Dat is al heel wat. Bovendien staat het in het programakkoord. Het College is daarmee serieus bezig en wil het tempo niet verlagen. In 2003 kan het daarmee gewoon doorgaan en bij de Voorjaarsnota of de begroting voor 2004 starten wij met de volgende fase. Vanzelfsprekend wordt dit wel integraal afgewogen tegen al die andere zaken.

(De heer BIJLSMA: Toen het masterplan destijds werd aangenomen, hebben wij al gezegd dat het iedereen duidelijk was dat wij niet alles in vier jaar kunnen uitvoeren. Ons gaat het erom dat er niet een gat in de uitvoering valt. In deze en de volgende periode moet de uitvoering worden gecontinueerd. U moet het amendement lezen als dat u in het voorjaar voor de rest van uw collegeperiode aangeeft op welke wijze u de uitvoering meent te continueren. Ik vraag u dat aan de Raad voor te leggen. Het gaat ons er dus niet om het in deze collegeperiode af te ronden. Het betreft de continuering van de uitvoering.)
Als de heer Bijlsma daarbij duidelijk stelt dat er enige ruimte is op het gebied van het tempo en het ambitieniveau, zullen wij daarop terugkomen. Dan verstaan wij elkaar goed en blijkt dat zowel de heer Bijlsma als het College hetzelfde wil.

(De heer BIJLSMA: Geeft u dan een positief preadvies op het amendement?)
Ja. Met deze woorden geeft het College daarop een positief preadvies. De heer Marres heeft motie nr. 881 ingediend inzake de Amsterdamse dienstverleningsstrategie, kostenbesparing en de herinzet. Die zit op het snijvlak van ICT, dienstverlening en het bestuurlijk stelsel. Het gaat nogal ver te zeggen dat de stadsdelen de exclusieve `frontoffice' (het loket naar de burger) voor alle gemeentelijke diensten en producten worden. Misschien kan de heer Marres dat toelichten.

(De heer MARRES: De oorspronkelijke motie was door het College aanvaard met de prachtige zin: "Motie aannemen met inachtneming van bovenstaande constatering". Daarmee was ik het eens, want ook ik ben niet veel wijzer dan wij allen tezamen. "Een nader antwoord op de vraag" heb ik gewijzigd in "een nader antwoord op de vraag wordt gegeven". De motie is tekstueel veranderd, maar niet inhoudelijk. Ik verzoek de wethouder dan ook zich aan het oorspronkelijke preadvies te houden. Dan kunnen wij samen ruim door de bocht.)

(De BURGEMEESTER: Als wij het erover eens zijn dat wij ten aanzien van dit onderwerp een beleidsplan maken waarin wij aangeven op welke wijze dat moet worden gedaan en daarbij gebruik maken van datgene wat in de motie staat zonder vast te leggen dat de stadsdelen de exclusieve "frontoffice" voor alle gemeentelijke diensten en producten worden, zijn wij het naar mijn idee snel eens. Dat was onze interpretatie van de motie.)

(De heer MARRES: U heeft keurig in de conclusies aangegeven wat uw interpretatie is en daar houden wij ons aan.)

(De BURGEMEESTER: Op die wijze is de motie positief gepreadviseerd.)
Wij zouden een soortgelijke discussie kunnen voeren over het amendement-Flos op nr. 713, inzake veiligheidsarrangementen in het openbaar vervoer. Laat er niet een misverstand over bestaan dat ook het College voorstander is van veilig openbaar vervoer.

(De heer FLOS: Dat amendement is ingetrokken ten gunste van het pontje Nieuwe Meer. Dat staat inderdaad foutief op de lijst.)
Ik bied mijn excuses aan.

(De heer FLOS: Het nummer is gehandhaafd, omdat de dekking voor de veiligheidsarrangementen hetzelfde is dan die voor het pontje over het Nieuwe Meer. Ik weet overigens dat u ook daarvan tegenstander bent.)
Ik ben een voorstander van het Javapontje. Het lijkt wel een hobby van deze Raad over pontjes te spreken. De Raad verleidt mij als actieve watersporter bijna met al dat bootjesgedoe. Ik ontraad de motie inzake het pontje over het Nieuwe Meer vanwege de dekking en het feit dat dit niet te maken heeft met het Hoofdnet Fiets. Het is een recreatief pontje en het is niet juist dat voorstel in te dienen in het kader van verkeer. Fietsen is immers gezond en men moet dan ook maar iets verder fietsen. Als men wil recreëren, mag men daarvoor bovendien best betalen.
Het amendement-Flos c.s. onder nr. 894 heeft betrekking op de conducteurs op alle tramlijnen. Laat er geen misverstand over bestaan dat ook het College voorstander is van conducteurs op de tram. In het amendement staat echter dat wij daarvoor extra geld uit onze eigen begroting moeten vrijmaken als wij niet een bedrag van het Rijk krijgen.

(De heer FLOS: Dat heb ik zojuist met wethouder Maij kortgesloten. Dit amendement is positief gepreadviseerd en komt naar mijn idee op de A-lijst.)

Dat wilde ik zojuist zeggen. Als het niet van de gemeentebegroting kan, beschikken wij over een ander potje. Misschien heeft de heer Flos gezien dat de portefeuillehouder voor openbaar vervoer van het ROA weer grote sommen geld heeft gegeven voor de veiligheid aldaar.
De motie van mevr. Van Oudenallen op nr. 740 omarmen wij met ongelooflijk veel liefde.

Wethouder STADIG: Mijnheer de Voorzitter. Het amendement van de heer Olij op nr. 597 heeft betrekking op het project Doorstroming. Het is gewijzigd in nr. 840. Het College wordt nu verzocht iets na te gaan. Dat heeft het al gedaan. Ik verwijs naar het preadvies waarin precies is verwoord hoe het College daarover denkt. Ik heb de indruk dat dit amendement overbodig is en om die reden moet worden ontraden.
Het amendement-Olij c.s. op nr. 598, inzake het Meldpunt Ongewenst Verhuurgedrag en de Stichting Kennisnetwerk Amsterdam is gewijzigd in nr. 841. De dekking is gewijzigd ten laste van ruimte om te kiezen. Het College ontraadt dat.
De motie-Olij op nr. 599, inzake het Investeringsfonds Stedelijke Vernieuwing en het Stadsdeelfonds is reeds door wethouder Dales besproken en geaccordeerd.
De heer J.L. Bakker wil met motie nr. 600 dat wij de Stichting Kennisnetwerk Amsterdam iets opdragen. Dat kunnen wij echter niet. Als ik dat zo mag lezen dat wij dat verzoeken, hoeft hij de motie niet te wijzigen en maakt het College daartegen geen bezwaar.
Ik ga verder met het amendement-De Graaf op nr. 601 inzake het project Buurt in beeld.

(De heer DE GRAAF: Wij hebben amendement nr. 601 gewijzigd in nr. 844. Het is medeondertekend door de heren Klerks en Van der Burg.)
Dan moet het mij toch van het hart dat 70 van de 140 moties gewijzigd zijn ingediend. De heer De Graaf weet dat ik hier inmiddels een aantal jaren zit. Dit heb ik echter nog nooit meegemaakt: het indienen gaat dus nog door. Het College is niet in staat een preadvies te geven op moties en amendementen die het niet kent. De heer De Graaf krijgt dus niet een preadvies van het College. Dat houdt in dat het eerdere negatieve preadvies gehandhaafd blijft. Het spijt mij, maar ik kan niet anders.

(Mevr. VAN OUDENALLEN: Is dit dualisme?)

(De heer DE GRAAF: Ik maak daartegen bezwaar. Vanzelfsprekend mag de wethouder zijn gal spuwen, maar ik ben van mening dat hij het amendement in ieder geval kan lezen en daarop een preadvies kan geven.)
Op het moment dat ik het woord neem, heb ik het gewijzigde amendement niet eens in mijn bezit. Wat wil de heer de Graaf nu?

(De heer DE GRAAF: U oordeelt al voordat u het amendement heeft gezien en dat vind ik zeer voorbarig.)
Ik ken het amendement niet en blijf daarom bij het oordeel dat over de vorige versie is gegeven.

(De heer DE GRAAF: Tussen die komma's stond een zin die mij niet aanstond.)
Dat is dan zo.
Van de motie-De Graaf op nr. 602 inzake de doorstroming op de woningmarkt, het amendement-De Graaf op nr. 603 betreffende het project Wonen boven winkels, de motie-De Graaf c.s. op nr. 604 inzake de vestiging van de studentenboot en de motie-De Graaf op nr. 605 betreffende huisvesting van jongeren zijn nieuwe versies ingediend. Die wijken slechts af van de vorige doordat daaronder een extra handtekening staat. Dat betekent dat het negatieve preadvies daarop gehandhaafd blijft.
Het amendement van mevr. Kalt op nr. 656, inzake de binnentuinen is gewijzigd in nr. 859. Aan het dictum is een punt toegevoegd. Het College moet oplossen wat mevr. Kalt niet kan. Dat is niet een oplossing, dus het College blijft bij zijn standpunt en ontraadt het amendement.
Het amendement-Dalm c.s. op nr. 681, inzake de bereikbaarheid/Regionet valt onder de wethouder voor Verkeer.
Het amendement van mevr. Codrington op nr. 682, over de renovatie van het gebouw van de GG & GD, de maatschappelijke opvang en de verslavingszorg valt onder de wethouder voor Zorg.

(De heer VAN POELGEEST: Over het amendement-Dalm op nr. 681 heeft de wethouder voor Verkeer zojuist niets gezegd. Als het College het gevraagde toezegt, kan dat amendement worden ingetrokken.)
Dat amendement heeft betrekking op de bereikbaarheid/Regionet. Daarin wordt gevraagd de aangevraagde structurele prioriteit voor Regionet te honoreren en dit ten laste te brengen van het Ontwikkelingsprogramma 2002–2006 uit het Mobiliteitsfonds. Vervolgens wordt gevraagd de onderzoeksgelden die binnen dit budget zijn gereserveerd voor de ondergrondse wegverbinding A6/A9 te laten vervallen. In het preadvies geeft het College aan dat er voldoende geld is voor die studie.
De motie-H. Bakker op nr. 705 inzake de volkstuinen was en blijft ontraden.
De motie van mevr. Meijer op nr. 711 betreffende de speelvoorzieningen is nu in twee delen opgesplitst. Beide delen hebben naar de mening van het College betrekking op stadsdeeltaken. Het realiseren van speelvoorzieningen is niet aan de centrale stad. Om die reden ontraadt het College deze motie.
De motie-Goring op nr. 719 betreffende de voorrangsregeling beroepsgroepen was akkoord en dat verandert niet.
Het amendement-Buurma-Haitsma op nr. 725 inzake de campagne voor woonruimte voor jongeren was ontraden en ook dat verandert niet.
Het amendement-Buurma-Haitsma op nr. 727 met betrekking tot de verkoopteams huurders is naar de mening van het College niet gewijzigd. Het College kon niet een accent ontdekken. Het blijft derhalve bij zijn standpunt en ontraadt dit amendement.
Het amendement-Flos op nr. 732 inzake het tegengaan van de verloedering van de openbare ruimte is inmiddels bij wethouder Maij terechtgekomen. Als ik het goed heb gevolgd, is dat geaccordeerd.
De motie-H. Bakker op nr. 745 inzake het Andreasziekenhuis was en blijft ontraden.

(De heer J.L. BAKKER: Ik heb motie nr. 654 ingediend met de vraag of de heer Verdellen zich specifiek met de Wibowoningen wil bezighouden, gezien het feit dat daarvoor gelden op de plank blijven liggen. Het College merkt op dat deze motie overbodig is, omdat dit in het gehele woningproductieplan zal worden meegenomen. Het gaat echter wel akkoord met een inspanningsverplichting voor het realiseren van die woningen. Kan de wethouder dat misschien toelichten? Betekent dit dat die Wibowoningen zullen worden gebouwd. Als dat het geval is, hoeft de heer Verdellen zich daarmee wat mij betreft niet te bemoeien. Dan worden die gelden immers alsnog benut en dat was mijn inzet.)
Waar haalt de heer J.L. Bakker die inspanningsverplichting vandaan?

(De heer J.L. BAKKER: Die staat in het amendement-Van der Garde op nr. 651 inzake de Wibowoningen. Daarop is gereageerd door wethouder Belliot.)
Wethouder Belliot spant zich in en ik doe wat ik moet doen.

(De heer J.L. BAKKER: Er wordt werkelijk gesproken van een inspanningsverplichting.)
Ik ga niet akkoord met een inspanningsverplichting voor bijzondere categorieën woningen.

(De heer J.L. BAKKER: Dat is duidelijk.)

De VOORZITTER: Ik geef het woord aan wethouder Van der Horst om te reageren op het amendement-Dalm c.s. op nr. 681 inzake de bereikbaarheid/Regionet en het amendement-Meijer c.s. op nr. 862 betreffende de autoloze dagen.

Wethouder VAN DER HORST: Mijnheer de Voorzitter. Wij ontraden het amendement van mevr. Dalm op nr. 681 omdat daarin wordt gesteld dat er extra geld voor Regionet zou moeten komen. Naar ons oordeel is daaraan voldoende geld besteed. Hoewel destijds een prioriteit is aangevraagd, meld ik de Raad nu dat wij in de regio met dat bedrag toekomen. De reden daarvan is dat wij diverse zaken niet zullen onderzoeken, want dan blijven wij aan onderzoek doen. In besluit II wordt voorgesteld daarvoor de onderzoeksgelden, die binnen dit budget zijn gereserveerd voor de ondergrondse weg-verbinding A6/A9, te laten vervallen. Die prioriteit staat in het programakkoord, dus die zullen het College en de coalitiepartijen natuurlijk wel uitvoeren.
Ik was het amendement-Meijer op nr. 862 inzake de autoloze dagen vergeten. In de wijziging is daarvoor extra geld gekomen. Ik verwijs naar eerdere preadviezen. Het College stelt dat de centrale stad de coördinerende rol vervult en dat met name het stadsdeel Amsterdam-Centrum voldoende inkomsten ontvangt uit het betaald parkeren. Daarvan komt immers 84 procent in de stadsdeelkas terecht. De stadsdelen kunnen dat uitstekend zelf betalen en het College ziet dan ook niet in waarom de centrale stad dat zou moeten doen.

(Mevr. VAN OUDENALLEN: De wethouder heeft niet een reactie gegeven op motie nr. 738 inzake een impuls op het gebied van de public relations van de Amsterdamse Haven.)

(De heer BIJLSMA: De wethouder heeft gelijk als hij zegt dat wij niet een stadsdeel kunnen bevoordelen, maar er is een koopzondag ingesteld en het gebied van de Stadshartlus ondervindt daarvan de meeste hinder. Wij weten dat het stadsdeel het plan heeft in 2003 eenmalig een experiment te doen om in dat gebied een autoloze koopzondag in te voeren. In het kader van de regietaak en de experimenten leek het ons juist wel goed de helft van het vrijvallende budget daarvoor in te zetten. Het betreft 200.000 euro. Het lijkt ons goed de andere helft te besteden aan het taxioverleg, zoals de wethouder dat heeft voorgesteld.)
Het is fijn dat dit stadsdeel dat wil doen. Wij kunnen dat ondersteunen en helpen bij de coördinatie. Het wordt echter te dol als wij daarvoor enkele honderdduizenden euro's moeten uittrekken, terwijl 84 procent van de inkomsten in de kas van het stadsdeel Amsterdam-Centrum terechtkomt en wij slechts 16 procent ontvangen. Ik handhaaf mijn standpunt.

De VOORZITTER: Ik geef het woord aan wethouder Belliot voor een reactie op het amendement-Codrington onder nr. 682 inzake de renovatie van het gebouw van de GG&GD, de maatschappelijke opvang en de verslavingszorg.

Wethouder mevr. BELLIOT: Mijnheer de Voorzitter. In het amendement van mevr. Codington op nr. 682 wordt gevraagd bij de Voorjaarsnota een Plan van Aanpak voor te leggen. Wij hebben uitgebreid gesproken over de problemen bij de maatschappelijke opvang. Ook in mijn schrijven liet ik de fractie van GroenLinks weten dat ik samen met de instellingen, het platform POA en de zorgverzekeraars zal nagaan of de komende jaren een doorkijk in de financiën mogelijk is om te voorkomen dat wij in de situatie terechtkomen dat wij om vijf over twaalf naar middelen moeten zoeken. Ik zal met veel plezier meewerken aan het realiseren van dat Plan van Aanpak. Dat had ik al toegezegd.

(Mevr. CODRINGTON: Betekent dat dit wethouder Belliot het amendement positief preadviseert?)
Ja.

(Mevr. CODRINGTON: Hoe verhoudt zich dat tot het persbericht dat ik vanavond van u kreeg? Daarin staat: "Per 1 januari gaat niet een enkele instelling voor maatschappelijke opvang dicht". U heeft het financieringsprobleem nu voor een halfjaar opgelost. In mijn amendement stel ik voor ook de financiën voor de tweede helft van 2003 en de eerste helft van 2004 te regelen. Hoe verhoudt zich dat tot uw persbericht waarin u zegt dat niet een enkele instelling voor maatschappelijke opvang dicht gaat? Dat heb ik in mijn amendement niet beweerd, dus ik vraag mij af waar dat vandaan komt.)
Ik houd mij aan het amendement dat door mevr. Codrington is gepresenteerd. Ik heb gezegd dat dit Plan van Aanpak er komt. Op dit moment wil ik niet over dat persbericht spreken.

(De heer VAN DER BURG: Het was toch wethouder Dales die vandaag in Het Parool en het debat aangaf dat hij graag ziet dat wij het niet alleen over de moties spreken, maar ook over de grote maatschappelijke vraagstukken die aan de orde zijn. Ik weet dat in ieder geval wethouder Dales de maatschappelijke opvang lief heeft en dat hij dit een belangrijk punt vindt. U zult die mening toch ook zijn toegedaan? Tijdens een begrotingsbehandeling moeten wij toch ook over dat soort zaken spreken?)
Absoluut. In het overzicht dat de Raad van mij heeft ontvangen, heeft het College gemeld dat twee instellingen in de zomer van 2003 hoogstwaarschijnlijk een andere locatie zullen krijgen. Dat had met name betrekking op een van de instellingen van HVO die met de schuldhulpverlening te maken heeft. Ook betrof het de instelling aan de Mauritskade. Drie instellingen zouden na onderzoek worden ondergebracht bij wethouder Oudkerk en twee voorzieningen zouden mogelijk worden omgebogen. Die middelen heb ik ook ingezet voor het regelen van een dekking voor de maatschappelijke opvang in 2003. Ter verantwoording heeft u daarover van mij een schrijven ontvangen.

(Mevr. CODRINGTON: Het is goed persberichten in het vervolg niet van dergelijke teksten te voorzien. In het persbericht staat namelijk dat niet een enkele instelling voor maatschappelijke opvang dicht gaat. U spreekt zichzelf dus tegen. Waar gaat het dan over?)
Nee, wij spreken over ombuigingen en niet over sluiten. De instellingen hebben ingesproken. Zij hebben ons met dit project veelvuldig gesteund en zelf aangeboden om te buigen in plaats van te sluiten. Dat zijn twee verschillende kwesties.

(De heer VAN DER BURG: Dat klinkt goed. De wethouder heeft gelijk als zij zegt dat instellingen voor maatschappelijke opvang niet per 1 januari 2003 dicht gaan. Volgend jaar zal dat echter wel gebeuren. De wethouder kan wel spreken van ombuigen, maar volgend jaar zal sowieso een aantal instellingen sluiten. Dat staat in haar notitie van 17 december.)

(De VOORZITTER: Wij zijn bezig met de behandeling van de begroting en de preadvisering op de moties en amendementen. Laten wij ons daartoe beperken.)

(De heer VAN DER BURG: Wij hebben onze moties ingetrokken - de heer Huffnagel heeft deze zojuist opgesomd - omdat de wethouder afgelopen dinsdag of donderdag in de commissie heeft gezegd dat het niet een probleem was dat te doen. Zij zou namelijk op dinsdag 17 december met een notitie komen met betrekking tot het dekken van het gat van 3 miljoen euro. Het ligt dan mijns inziens voor de hand dat wij tijdens de begrotingsbehandeling een gesprek kunnen voeren over de notitie die wij gisterenavond hebben ontvangen. Die notitie was voor ons namelijk een reden om onze moties in te trekken.)
Heel graag zelfs, want het gaat om het bedrag van 2,8 miljoen euro. Ik herhaal dat er drie instellingen zijn genoemd, waaronder die aan de Mauritskade en de Vliegende Hollander. De derde kan ik mij op dit moment niet voor de geest halen. Die instellingen hebben zelf aangegeven dat zij zullen meewerken aan de ombuiging. Ik herinner de heer Van der Burg eraan dat twee van deze instellingen hebben aangegeven dat het Mauritshuis per dag zeven klanten ontvangt. Er is dus alle reden voor ombuiging.

(De heer VAN DER BURG: U hoort mij niet zeggen dat ik het niet eens ben met dat voorstel, maar de instellingen zullen wel sluiten. In uw brief zegt u letterlijk dat een aantal voorzieningen tot nul zal worden afgebouwd. Als u een voorziening tot nul afbouwt, houdt deze wel op te bestaan.)
De heer Van der Burg suggereert dat de deuren zullen sluiten. De deuren gaan weliswaar dicht, maar er zal sprake zijn van voldoende spreiding. Ook zal opvang worden geregeld voor die zeven plus vijf cliënten. Zij kunnen namelijk elders worden ondergebracht. Het gaat dus niet om het gebouw, maar om de opvang van mensen. Dat zijn twee verschillende zaken.
Ik kom bij de motie van mevr. Van Oudenallen op nr. 741 inzake het gebruik van het gebouw in de J.M. Coenenstraat. Zij heeft gevraagd om extra noodopvang voor Amsterdammers. Daarvan zal ik een studie maken.

(Mevr. VAN OUDENALLEN: Neemt u de motie over?)
Ja.

(De heer VAN DER BURG: Naar aanleiding van het amendement-Van der Garde op nr. 651 inzake de Wibowoningen hebben wij in de commissie gevraagd of in het plan over het rechttrekken van de woningbouw - die 16.000 woningen van wethouder Stadig - extra aan deze categorie wordt getrokken. Naar ons oordeel gebeurt dat namelijk niet. Wethouder Belliot zegt dat dit zal worden gedaan, maar wethouder Stadig zei zojuist iets anders. Ik verzoek wethouder Belliot daarop te reageren.)
Ik ben van mening dat ik als wethouder voor Zorg de inspanningsverplichting heb wethouder Stadig te stimuleren daaraan zoveel mogelijk te trekken. Wethouder Stadig heeft daarover een andere mening.

(De heer VAN DER BURG: Het College spreekt met één mond. Welke mond laat het spreken?)
Ik spreek met mijn mond. Ik sta ook voor de zorg voor oudere mensen en wil graag dat Wibowoningen worden gebouwd. De heer Van der Burg weet echter ook dat de markt zich op dit moment niet zomaar laat plooien. Ik kan mij voorstellen dat wethouder Stadig zegt dat daaraan een grens zit, maar het is niet mogelijk te zeggen dat wij daarmee ophouden. Het is belangrijk dat er een positieve grondhouding blijft bestaan ten aanzien van het bouwen van Wibowoningen. Ik heb niet de indruk dat wethouder Stadig geen positieve grondhouding heeft, maar hij weet zich beperkt door de werkelijkheid van de markt.

De BURGEMEESTER: Mijnheer de Voorzitter. Het amendement-De Wolf op nr. 648 heeft betrekking op de subsidie van het Milieucentrum Amsterdam.

(Mevr. VAN OUDENALLEN: In het kader van het dualisme moet er op dit moment toch een andere voorzitter komen?)

De Burgemeester draagt het presidium over aan de heer Bijlsma.

De BURGEMEESTER: Ik vervolg mijn betoog. Het voorstel is de post te verhogen ten laste van de post conferentie directeuren, dat levert problemen op. De post conferentie directeuren staat namelijk niet in het voorstel van het College. Dat had ik graag gewild, maar dat heeft het in het College niet gehaald. Het is wel mogelijk de dekking te regelen uit het toptraject. Dat heeft betrekking op de werving en de opleiding van het talent voor directeursposities. De heer De Wolf begrijpt dat het College daarvan een sterk tegenstander is, want wij zijn er allemaal zeer bij gebaat dat de kwaliteit van het apparaat flink verbetert. Dat is onderdeel van de operatie Kwaliteitsslag. Als dit niet doorgaat, gaat het toptraject ter ziele. Ik ontraad de heer De Wolf dat derhalve ten zeerste.
Het amendement-Van Poelgeest op nr. 872 heeft betrekking op het verhogen van het budget voor internationale betrekkingen. Ter dekking hiervan wordt voorgesteld de post `de stijl van Amsterdam, visuele huisstijl' incidenteel met 150.000 euro te verlagen. Ik meen dat wethouder Dales daarover zojuist al iets heeft gezegd. `De stijl van Amsterdam' kost in eerste instantie zeker geld, maar voor het concern is dat uiteindelijk bijzonder belangrijk. Al die verschillende onderdelen hoeven dan niet meer apart die uitgaven te doen. Als het op deze manier met 150.000 euro wordt verlaagd, zakt het onder de vloer en is het niet meer mogelijk die huisstijl op een behoorlijke manier vorm te geven en in te zetten. Het College ontraadt dat dan ook.

(De heer VAN POELGEEST: Dat meent u niet, want het College heeft zelf al een redelijk deel van dat bedrag naar 2004 geschoven. Als dat dus werkelijk het geval zou zijn, begrijp ik niet waarom het College dat heeft gedaan.)
Dat is inderdaad een redelijk deel daarvan. Eerder hebben wij gezegd dat het mogelijk zou zijn dat budget met 100.000 euro te verlagen, maar dat het door de vloer zakt als daarvan 150.000 euro wordt afgehaald.
Datzelfde geldt voor het amendement-J.L. Bakker op nr. 596, en dat van de heer Manuel c.s. op nr. 690 inzake de Hortus Botanicus Amsterdam. Daarin wordt voorgesteld een bedrag van 300.000 euro incidenteel te gebruiken, dat bestemd was voor de visuele huisstijl van Amsterdam, of dat over twee jaar te verdelen. Daarvoor geldt hetzelfde argument. Daaraan voeg ik toe dat het in het ene geval de bedoeling is daarvoor structureel een voorziening te treffen, terwijl het in het andere slechts een incidentele post betreft. Het College ontraadt de Raad een prioriteit met incidenteel geld structureel op poten te zetten. Daardoor zal het probleem volgend jaar immers vanzelf terugkeren.
De motie-Van Oudenallen op nr. 742 inzake de aanschaf van elektronische stemcomputers is naar het oordeel van het College overbodig. In de motie wordt namelijk gevraagd na te gaan of het mogelijk is dat volgend jaar te doen. Die mogelijkheid zullen wij altijd onderzoeken. Om die reden is de motie overbodig.

(Mevr. VAN OUDENALLEN: U zegt dat dit komt en stemt daarmee in?)
Nee, ik vind de motie overbodig. Wij zullen de mogelijkheid volgend jaar onderzoeken, maar dat gebeurt gelijktijdig met allerlei andere zaken. Wij zien wel of dat tot veel zal leiden.

(Mevr. VAN OUDENALLEN: Dat is voor mij voldoende.)
Dan kan mevr. Van Oudenallen de motie intrekken.
De motie van mevr. Van Oudenallen op nr. 744 heeft betrekking op het aantrekken van divers personeel. In de motie wordt ons gevraagd een extra inspanning te leveren voor het houden van een evaluatie. Ook die motie is wat mij betreft overbodig, omdat wij ons best doen met de diversiteit aan de slag te gaan. Op verzoek van mevr. Van Oudenallen heb ik daarover uitvoerig met haar gedebatteerd. Wij zijn van mening dat het overbodig is daaraan iets te doen. Dat leidt slechts tot extra werk. Het gaat erom dat wij daaraan inhoud geven in plaats van dat wij een evaluatie houden.

(Mevr. VAN OUDENALLEN: Als u zegt dat de evaluatie op andere wijze in onze vakcommissie terugkomt, trek ik deze motie in.)
Die gaat mee in de bekende cycli die wij daarvoor hebben.

(Mevr. VAN OUDENALLEN: Ik vertrouw daarop en trek de motie in.)
Op de motie over de deelraden heb ik al een preadvies gegeven. Wij handhaven ons negatieve preadvies.

(De heer H. BAKKER: Waarschijnlijk leest u de rapporten niet die wij u overhandigen. Dat moet u niet nalaten, want in de toekomst zullen wij met nog meer rapporten komen. Vanavond heeft u ook vernomen dat de deelraad Westerpark er slecht voor staat. Ik verzoek u deze zaak te evalueren.)
Wij hebben diverse malen over dit onderwerp gesproken. Het standpunt van de heer H. Bakker over dit onderwerp is duidelijk en dat geldt ook voor dat van het College.

(Mevr. VAN OUDENALLEN: Wethouder Van der Horst heeft motie nr. 738 inzake een impuls op het gebied van de public relations van de haven afgewezen. Mag hij zijn argumentatie nog geven?)

(De VOORZITTER: Ik stel voor dat wij doorgaan, want het College is door zijn spreektijd heen. Wij hebben afgesproken dat wij ons daaraan zullen houden. Ik stel daarom voor verder te gaan met de tweede termijn.)>

De motie-Van Oudenallen, nr. 902, ingetrokken zijnde, maakt geen onderdeel van behandeling meer uit.

De motie-Van Oudenallen, nr. 904 ingetrokken zijnde, maakt geen onderdeel van behandeling meer uit.

De Burgemeester neemt het presidium weer op zich.

De heer ASSCHER: Mijnheer de Voorzitter. De wethouder voor Financiën heeft ons vanmiddag uitgenodigd voor een tenniswedstrijd, maar gaat pingpongen. Pingpongen doe je met een ander batje en een ander balletje dan tennissen.
Ik zal eerst ingaan op de tenniswedstrijd. De wethouder vraagt om debatten over groot geld. Dat willen wij ook, namelijk kaderstellend. Het verheugt mij dat de hij het amendement uiteindelijk positief waardeert. Wij hebben gehoord dat hij heeft toegezegd dat hij juist ook die inkomenskant aan ons presenteert, de mogelijkheden daarvan zal onderzoeken en aan ons zal voorleggen. De wethouder voor Financiën verlangt naar het principiële debat over het weerstandsvermogen. Daaraan doen wij graag mee, hoewel hij zojuist een berekening uit de losse pols maakte. Dat geeft niet, want hij gaf reeds aan dat hij nog niet over de precieze getallen beschikt. Ik zeg toe dat er inderdaad niet een taboe zal zijn bij die behandeling bij de Voorjaarsnota.
Wethouder Dales verwijdt de Raad nu gebrek aan lef om keuzes te maken. Hij spreekt over die tennis- en pingpongballen in de lucht, maar zelf toont hij ook niet veel durf. Ik heb al gezegd dat er in de begroting voor 2003 niet een taakstelling is opgenomen. Het is nog erger. Hij laat het apparaat flink doorgroeien. Waarom stelt hij de Raad dan niet voor te bevriezen op het niveau van 2002 en nu alvast in eigen vlees te snijden? Dan zou hij recht van spreken hebben als hij de Raad verwijdt dat hij met politieke keuzes te veel ballen in de lucht houdt.

(Wethouder DALES: Komt u dan met dat voorstel. Misschien krijgt u daarvoor spoedig een meerderheid. Wat houdt u tegen? Dat zou een geweldige ondersteuning zijn van het beleid van het College. Ik raad u aan een motie in te dienen en dat daarin voor te stellen.)
De vorige maal heb ik wethouder Dales nog gevraagd daaraan aandacht te besteden, maar hij heeft daarop negatief gereageerd.

(Wethouder DALES: Wat wilt u nu? U zegt dit niet zomaar. Vraagt u het College daarmee dat nog eens na te gaan? Zegt u daarmee dat de Raad liever niet wacht op de begroting voor 2004 en dat het in het kader van de eerste suppletoire begroting niet wil beginnen met verschuiven en bijplussen, maar met afbouwen? Is dat wat u wilt? Dat zou misschien interessant kunnen zijn. Laat dat zien.)
In november heb ik al voorgesteld het niet bij woorden te laten en op te schieten. Tot nu toe blijft het echter bij die `Sinterklaasbrief'. Vandaag heeft de wethouder die enigszins gematerialiseerd.

(Wethouder DALES: Nee, dat is niet waar. Het is u niet kwalijk te nemen, maar u weet niet precies wat er in het stadhuis gebeurt. Het is niet juist dat wij slechts enkele opmerkingen hebben gemaakt en dat ik een briefje heb gestuurd. Er is vele malen meer gedaan. Dat weet u ook wel.)
Dat zal ongetwijfeld het geval zijn. Wij communiceren op allerlei manieren met elkaar. Dat gebeurt onder andere aan de hand van de begroting. Daarin zegt de wethouder dat het nodig is, maar verder niets. Dat bent u met mij eens.

(Wethouder DALES: Dat ben ik absoluut niet met u eens.)
Toen kwam ons amendement en vervolgens een `Sinterklaasbrief'. Dat is de chronologie. Nu moet de wethouder ook sportief zijn.

(Wethouder DALES: Nee, dat heeft niets met sportief zijn te maken. Wat u zegt, is onzin.)
Naar mijn idee was dat de chronologie.

(Wethouder DALES: Nee, dat is werkelijk onzin! Reeds in oktober ? dat was dus ruim voordat u daarover bent begonnen ? is ambtelijk gestart met het maken van een inventarisatie. Deze heeft inmiddels geleid tot een enorm pakket aan mogelijke voorstellen. U beschik t nog niet over die stukken. U heeft daarnaar gevraagd en mag deze inzien. Dat loopt dus al enige tijd en dat is niet gebeurd, omdat u met dat amendement kwam. Dat wat u zegt is dus werkelijk onzin, maar ik geef u veel eer en krediet. Dat mag u toekomen. Ik ben blij met uw medewerking en hoop dat u raadsbrede steun krijgt, maar maak het niet te bont.)
Ik ben het niet met de wethouder eens. Die inventarisatie die hij heeft gedaan, is typisch een geval van de kalkoen en het kerstmenu. Dat weet hij zelf ook. Ik ben er dus wel degelijk van overtuigd dat wethouder Dales op ons verzoek aan de slag is en dat vinden wij ook goed. Dat verheugt ons.
Ik ga in op het pingpongwedstrijdje dat de wethouder ook wilde spelen. Over de Openbare Bibliotheek zei dat wethouder voor Financiën dat hij de aannemer naar mij zou moeten doorverwijzen, omdat hij het geld niet heeft. Naar mijn idee is dat onzin. Wethouder Dales wordt hier geconfronteerd met een politieke keuze van de Raad en niet met een van hemzelf. Het gaat ons erom nu die VMBO-school te realiseren en de betaling van een dergelijke bibliotheek over een langere termijn te spreiden. Dat heb ik concreet aangegeven. Dat betekent niet dat die aannemer niet wordt betaald. De wethouder leent een bepaald bedrag en financiert het op een andere manier. Het voorbeeld van de kapitaallastfinanciering is genoemd, alsmede die van VMBO-scholen zelf. De wethouder gaat het politieke debat uit de weg waaruit duidelijk wordt dat deze Raad het nu belangrijk vindt voor deze zaken te kiezen.

(Wethouder DALES: Wat u doet, noemde men vroeger potverteren. Het is een kwestie van de zaak voor zich uitschuiven, de rekening naar voren schuiven en zoek het dan later maar uit. Dat is wat u doet. Zeg dat dan eerlijk. U kunt zeggen dat de Raad daarvoor kiest en dan merk ik op dat dit een onverstandige keuze is. U moet echter niet doen alsof dat een fatsoenlijke financieringsmethode is, want dat is het niet.)
Dat is het wel!

(Wethouder DALES: Het is niet een goede manier van financieren. U schuift de financiering naar een volgende collegeperiode onder het motto `zoekt u het dan maar uit'. Ik herhaal dat ik dat niet een goede methode vind.)
Het is mogelijk dat u dat niet een goede methode vindt, maar het is niet juist dat wij dat geld tweemaal uitgeven. Het is evenmin correct dat de aannemer straks niet wordt betaald. Het gaat ons erom dat wij nu een aantal zaken realiseren.

(Wethouder DALES: Zegt u dan dat de consequentie daarvan is dat u de begrotingen voor 2007 en 2008 nu al gaat belasten met zaken die eigenlijk al per 2006 hadden moeten zijn geregeld. Ik merk daarbij meteen op dat dit ook op die wijze in het programakkoord is geregeld.)
Met andere woorden?

(Wethouder DALES: Wij hebben die financiering in het programakkoord geregeld. Dat hebben wij niet voor niets gedaan. Ook een aantal leden van uw fractie heeft aan die onderhandelingen deelgenomen. Dat is in het programakkoord opgenomen. Wij hebben nog 50 miljoen euro nodig.)
De wethouder speelt weer een pingpongspelletje. Ik spreek nu niet over de techniek, maar leg hem voor dat wij deze politieke keuze maken.

(Wethouder DALES: Die keuze houdt in dat u het restant van die financiering vooruitschuift naar een periode na deze collegeperiode en dat u in die periode een aantal andere zaken niet kunt realiseren. Dat is daarvan de consequentie. Als u denkt dat u dan gewoon kunt doorgaan, is het een kwestie van tweemaal dat geld uitgeven. Ik ben van mening dat dit een onverstandige financieringsmethode is. Het is immers niets anders dan de rekening over de schutting van de toekomst gooien. Dat moeten wij in deze gemeente niet te veel doen.)
Probeer die tennisbal te zien en u daarop te concentreren. In de krant zegt u dat u niet alleen over financiële zaken wil debatteren, maar u doet dat nu zelf weer.
Wij doen daaraan niet meer mee. Wij handhaven dit amendement om de door mij genoemde redenen. Een van die politieke redenen is die VMBO-school. De andere fracties hebben hun eigen redenen. Wij weten dat u het niet verstandig vindt, maar wij gaan het op die wijze doen. Wij stellen hier immers het budget vast.

(Wethouder DALES: Wij moeten dit werkelijk tot op het bot uitdiscussiëren.)
Voorzitter, is dit de tweede termijn van het College?

(Wethouder DALES: Dit is een buitengewoon principieel punt.)

(De heer VAN POELGEEST: Dit debat heeft nu lang genoeg geduurd. De argumenten zijn nu driemaal gewisseld.)

(De VOORZITTER: Wethouder Dales, in tweede termijn krijgt u de gelegenheid daarop te reageren.)

(De heer VAN POELGEEST: De fractie van de PvdA spreekt in haar amendement over de ombuigingsoperatie over een dusdanig hoog bedrag dat de Raad in vrijheid keuzes kan maken. Aan welk bedrag denkt zij dan? Het College heeft gezegd dat dit niet veel meer kan zijn dan 100 miljoen euro. Houdt u toch vast aan een hoger bedrag?)
Wij houden niet vast aan die 100 miljoen euro, omdat de berekening die wethouder Dales zojuist uit zijn mouw schudde allerlei onzekerheden in zich had. Wij moeten een debat voeren over de vraag wat nodig is en wat wij willen. Wij houden wel vast aan een inventarisatie die in ieder geval het benodigde ruim overschrijdt. Dat hoorde ik wethouder Dales toezeggen. Hij noemt de zaken die wij vandaag bespreken, maar dat zal toch meer moeten zijn om een keuze te kunnen maken. Het doet er dan niet toe of het 150 miljoen of 120 miljoen euro is.

(De heer VAN POELGEEST: Dan is mij duidelijk wat wij aannemen en wat de opdracht aan het College is als uw amendement het haalt. Ik hoop dan ook dat het College dat zal uitvoeren.)

De heer HUFFNAGEL: Mijnheer de Voorzitter. Uit de discussie van zojuist begrijp ik niet waarom het niet mogelijk is die termijn te verlengen. Het Gemeentearchief wordt over twintig jaar afgeschreven met 1,5 miljoen euro per jaar. Vanzelfsprekend moeten wij dat geld dan niet tweemaal uitgeven. Wethouder Dales zegt dat er voor de bibliotheek uiteindelijk geld nodig is. Dat is juist en dat moet dan ook worden gevonden. Als de wethouder zegt dat de Raad daarvoor zorg moet dragen, is dat eveneens juist. Anders komt de Openbare Bibliotheek niet van de grond en als die niet wordt gerealiseerd, hoeven wij deze niet af te schrijven. Dat is overigens ook een idee, maar naar mijn idee hebben wij dat in het programakkoord niet afgesproken. Ik begrijp dus nog steeds niet goed wat het probleem is.
Het verheugt ons dat het College inmiddels veel moties en amendementen van de fractie van de VVD positief heeft gepreadviseerd. Wat mij betreft kunnen die per hamerslag worden aangenomen. Op de lijst van bij hamerslag aan te nemen moties en amendementen staat ook nr. 878 over het Rozentheater. Ik stel voor dat wij die motie niet bij hamerslag aannemen. Mijn fractie zal daar namelijk tegen stemmen. Het Rozentheater hebben wij inmiddels geregeld met een dekking ten laste van de Openbare Bibliotheek. Ik doel op de verzamelmotie waarin ook de VMBO-scholen staan.

(Mevr. BRUINES: Daarmee bent u nog niet aan het bedrag dat nodig is.)

(De heer NEDERVEEN: Dat andere miljoen komt uit de gelden van Het Muziektheater.)

(Mevr. BRUINES: Op dit moment is minimaal een bedrag van 2,7 miljoen euro nodig en dat loopt op tot 3,8 miljoen euro.)

(De heer ASSCHER: Het lijkt mij vanzelfsprekend dat de mogelijkheid bestaat ook tegen de moties te stemmen die op de lijst staan met moties en amendementen die bij hamerslag kunnen worden aangenomen. Voor een aantal moties en amendementen geldt dat wij dat ook van plan zijn. Het probleem van de heer Huffnagel lijkt mij daarmee opgelost.)
Wij hebben nog een tweede probleem, namelijk dat uitgerekend onze vrienden van de fractie van D66 willen beknibbelen op het budget voor dualisering. Dat is toch wel opmerkelijk.

(Mevr. BRUINES: Daarover zal ik straks iets zeggen.)
Wij zijn niet van plan moties in te trekken en zijn dus snel klaar.
Ik verzoek de voorzitter de heer Flos het woord te geven.

De VOORZITTER: Ik geef het woord aan de heer Flos.

De heer FLOS: Mijnheer de Voorzitter. Over de motie-Meijer op nr. 664 inzake de autoloze dagen merk ik op dat het bijzonder vreemd is dat met name de fractie van de PvdA, die voortdurend aandringt op het feit dat taken van stadsdelen niet moeten worden vermengd met die van de centrale stad, het voorstel doet voor het stadsdeel Amsterdam-Centrum ? dat stadsdeel is sinds kort wegbeheerder van de straten in het centrum ? een autoloze koopzon dag te financieren. De fractie van de PvdA geeft op andere momenten immers aan dat die taken strikt gescheiden moeten zijn. Het argument dat zij aandraagt is dat vorig jaar de toezegging is gedaan dit jaar een experiment te doen. Dat is niet gedaan en zij wil dat experiment volgend jaar wel financieren. Dan kan ik nog wel tien gevallen noemen. Ik vind dat principieel onjuist en dat met name de fractie van de PvdA in dit geval met twee maten meet.

(De heer BIJLSMA: In reactie op de woorden van de wethouder hebben wij nadrukkelijk gezegd dat het niet de bedoeling is dit structureel te financieren. Voor 2002 stonden twee autoloze zondagen op stapel. Vorig jaar is de Raad ermee akkoord gegaan dat daarvoor geld zal worden vrijgemaakt. Het was netjes geweest als het College in de begroting had opgenomen dat 455.000 euro zou vrijvallen, doordat één van de twee door de Raad gewenste autoloze zondagen niet zou worden uitgevoerd.)

De heer VAN POELGEEST: Mijnheer de Voorzitter. Het verheugt mij te vernemen dat het College van de PvdA-fractie de opdracht krijgt voor die bezuinigingsoperatie een ruimer pakket samen te stellen. Naar mijn idee is het belangrijk dat dit ruimer is. Als het een dichtgespijkerd pakket is, kan deze Raad immers slechts ja of nee zeggen. Dan slaat de inhoudelijke discussie dood. Als dat amendement wordt aangenomen, neem ik aan dat het College dat loyaal uitvoert en naar een ruimer pakket op zoek gaat. Ik spreek de wens uit dat wij niet voor een voldongen feit worden geplaatst op het moment dat die stukken voor de Voorjaarsnota beschikbaar komen. Als de voorstellen voor de behandeling van Voorjaarsnota voorliggen, is het belangrijk dat ook de bestedingen daarbij zijn vermeld. Ik neem overigens aan dat het College dat van plan was. Vanzelfsprekend gaat het er niet alleen om dat er wordt gesneden en gekort. Wij moeten ook weten waaraan het geld wordt besteed. Als het zaken betreft die wij bijvoorbeeld om politieke redenen niet zien zitten, kunnen wij ons afvragen of wij moeten korten. De discussie over de bestedingsrichtingen behoort er wat ons betreft nadrukkelijk bij. Wij zullen de voorstellen voor de Voorjaarsnota afwachten.
Met betrekking tot de Openbare Bibliotheek merk ik op dat ik van oordeel ben dat wethouder Dales gelijk heeft. De motie haalt de facto geld uit 2007 of 2008 naar voren. Daarvan kan men voorstander zijn, maar het is juist dat de begroting in die jaren dan krapper is. Als wij dat niet doen, is dat geld in 2007 en 2008 nog beschikbaar. De indieners moeten daarover duidelijk zijn. Ik begrijp ook wel wat de reden is van het feit dat wethouder Dales zich daarover om inhoudelijke redenen boos maakt. Al in het vorige programakkoord stond namelijk dat de financiering van de Openbare Bibliotheek in die periode zou worden geregeld. De volledige financiering zou voor elkaar komen. Dat is er toen niet van gekomen, omdat fracties daaraan op dezelfde wijze als nu begonnen te rommelen. Zij hadden dat geld voor het Stedelijk Museum op dat moment nodig en de Openbare Bibliotheek moest daarom even wachten. Er werd een streep gehaald door die afspraken in het programakkoord. Dat kan zich nu herhalen, want daarover staan duidelijke teksten in het programakkoord.
Als je bij de eerste de beste begroting eigenlijk al begint te knabbelen aan maar een kwart van het bedrag dat voor die Openbare Bibliotheek nodig is, begrijp ik heel goed dat het College zich zorgen maakt. Wat dat betreft steunt de fractie van GroenLinks het College volledig. Wij zullen dan ook niet voor moties en amendementen stemmen waarin deze gelden als dekking zijn opgenomen. Dat wil niet zeggen dat wij die doelen niet goed vinden, maar wij zijn van mening dat wij dat niet moeten doen en dat dit het verkeerde politieke signaal is. Het is immers ook een politiek signaal dat je die Openbare Bibliotheek eigenlijk niet zo belangrijk vindt. Ik betreur het zeer dat de meerderheid van deze Raad die bibliotheek lager op het lijstje heeft gezet. Het is echter niet anders.
Naar aanleiding van de beantwoording van wethouder Van der Horst zullen wij het amendement Dalm c.s. op nr. 681 inzake de bereikbaarheid/Regionet intrekken.

Het amendement-Dalm c.s., nr. 681, ingetrokken zijnde, maakt geen onderdeel van behandeling meer uit.

De heer RES: Mijnheer de Voorzitter. Ik dank het College voor zijn uitgebreide beantwoording, al wordt die niet in alle opzichten in dank afgenomen.
Ook ik heb er behoefte aan terug te komen op het amendement-Asscher onder nr. 668, inzake de betaling van de herhuisvesting van de Openbare Bibliotheek Amsterdam. Wij hebben afgesproken het bedrag van 50 miljoen euro ongeveer binnen deze periode in vier tranches te regelen. In de slotbeschouwingen heb ik al gezegd dat dit misschien een iets te hoge conjuncturele inschatting was. Als wij het rapport van professor Geuzekamp bestuderen over hoe het in 2006 en 2007 gaat ? wethouder Dales noemde dat al ? is een verschuiving goed te verdedigen. Wij blijven dat voorstel derhalve volledig steunen.
Het amendement-Spee op nr. 591 inzake de exploitatiesubsidie voor Artis is gewijzigd. Besluit II blijft gehandhaafd, te weten; he t College van Burgemeester en Wethouders uit te nodigen, in overleg met Artis een visie te ontwikkelen inzake de gezondmaking van de financiële positie van Artis, alsmede een gezonde en gestructureerde subsidierelatie met Artis en de Gemeenteraad ten tijde van de Voorjaarsnota voorstellen te doen toekomen inzake deze herijking van de subsidierelatie. Besluit I verwijst naar de dekking in het amendement-Asscher op nr. 668, inzake de herhuisvesting van de Openbare Bibliotheek Amsterdam.
Wij wijzigen het amendement-De Graaf onder nr. 601, in nr. 844. Wij leggen daarmee meer nadruk op de relatie tussen de stadsetiquette en de stadsdelen. Dit amendement wordt mede ondertekend door de fracties van de PvdA en de VVD.
Ik kom terug op de motie-Spee onder nr. 645 inzake het 24 uur lang inzetten van de metro. Welke zaken zouden in Amsterdam zijn gerealiseerd als wij vooraf steeds hadden gezegd dat wij die niet kunnen betalen. Naar mijn idee is Amsterdam niet zo angstig. In de Algemene Beschouwingen merkte mijn fractie al op dat Amsterdam op bepaalde gebieden moet durven voorop te lopen. Zij moet niet eerst links en rechts kijken hoe het moet. Het antwoord dat het College dit voorstel niet steunt omdat het dat niet kunnen betalen, zint ons absoluut niet. Wij zijn bereid nog wat verzachtende omstandigheden te noemen. Misschien willen nog meer raadsleden meestemmen om dat toch voor elkaar te krijgen. Wij kunnen goed begrijpen dat wordt gediscussieerd over de vraag of het 2 of 3 uur moet zijn. Ook begrijpen wij dat eerst wordt nagegaan of het zinvol is in het weekend wat langer te rijden, maar wij moeten meer doen met het openbaar vervoer en het is het Amsterdams College niet waardig te zeggen dat het dat niet doet omdat het dat niet kan betalen. Wij gaan daarmee niet akkoord.

(Wethouder VAN DER HORST: Als dat een paar miljoen euro zou kosten, op welke aspecten van het openbaar vervoer zou u dan willen bezuinigen? Dat is namelijk de consequentie. Hoeveel tramlijnen in Amsterdam moeten wij schrappen om de metro 's nachts te laten rijden?)
De wethouder weet nog niet wat de kosten daarvan zullen zijn.

(Wethouder VAN DER HORST: Ik weet dat dit dergelijke consequenties heeft. Dat heb ik u ook gezegd.)
Wat levert de halvering van het ziekteverzuim op?

(Wethouder VAN DER HORST: U moet mijn vraag niet ontwijken. Wij beschikken over een bedrijfsplan dat tot doel heeft het GVB gezond te maken. De opdrachtgever moet keuzes maken. Als u de metro midden in de nacht wilt laten rijden, moet u ervoor kiezen op een ander moment een bepaald vervoermiddel niet te laten rijden.)
Dan ben ik niet met de wethouder eens.

(De heer HUFFNAGEL: Het kan toch interessant zijn te weten waarover wij dan spreken? Voorlopig weten wij dat niet. Wij kunnen dat toch onderzoeken?

(Wethouder VAN DER HORST: De heer Huffnagel weet toch van tevoren dat dit geld kost. Als de Raad daarvoor moet kiezen, weet ik dat die tramlijn niet verdwijnt. Ook de heer Huffnagel weet dat, dus laten wij ophouden met die onzin. Ik weet dat de heer Huffnagel er niet voor gaat midden in de nacht een metro te laten rijden waar geen hond in zit.)
Wij houden vast aan die motie en willen Amsterdam goed vooruit helpen. Ik verzoek de voorzitter het woord te geven aan de heer Weenink voor het toelichten van de motie-Weenink, nr. 670, inzake SMART.

Het amendement-De Graaf (nr. 601), ingetrokken zijnde, maakt geen onderdeel van behandeling meer uit.

De VOORZITTER deelt mede dat is ingekomen:
59°
Motie van 18 december 2002 van de raadsleden De Graaf, Klerks en Van der Burg inzake het initiatief Buurt in Beeld (Gemeenteblad afd. 1, nr. 844).

De motie wordt voldoende ondersteund en terstond in behandeling genomen.

De VOORZITTER: Ik geef het woord aan de heer Weenink.

De heer WEENINK: Mijnheer de Voorzitter. Ik ken de heer Dales als een goede wethouder voor Financiën en ook als een goed liberaal. Het verbaast mij dan ook zeer dat hij het amendement-Weenink onder nr. 601 inzake SMART heeft afgewezen. Ik verwacht namelijk dat hij in de toekomst al het geld kan krijgen dat hij nodig heeft voor bijvoorbeeld het financieren van de Openbare Bibliotheek als dit amendement wordt aangenomen. Alles wat wij in deze stad doen, willen wij meetbaar maken. Wij wensen de effecten van elk bedrag te meten, zodat de wethouder de gelden kan schrapen voor projecten en prioriteiten die niet voldoende effect sorteren. Een andere mogelijkheid is ervoor te zorgen dat er verbetering optreedt. Dat is de enige intentie van de fracties van het CDA, de VVD en de PvdA. In het kader van de kwaliteitsfilms hebben wij al metingen gedaan. Het blijkt dat de ene instelling 3 euro per bezoeker aan subsidie krijgt en de andere 0,25 euro. Als ik zou moeten bezuinigen, zou ik een deel weghalen bij de eerste instelling en een bedrag toevoegen aan dat van de tweede instelling. Op die manier is het mogelijk de kwaliteit en het aanbod te handhaven en toch veel geld te besparen. De wethouder kan er steeds voor zorgen dat hij het juiste effect bereikt met de gelden die hij inzet. Dat betekent wel dat een systeem moet worden opgezet, al kost dat in eerste instantie wat moeite. Andere gemeenten werken daarmee al 14 à 15 jaar. Als dat systeem eenmaal draait, kunnen wij op eenvoudige wijze aan de knoppen draaien. Wij kunnen dan bijvoorbeeld nagaan of een schooltelevisieprogramma als BASTA effect heeft. Als dat effect heeft, moeten wij daarmee doorgaan en daaraan meer geld besteden. Als dat niet het geval is, moeten wij daarmee ophouden. Daar gaat het om.

(Mevr. KALT: Ik vind het wel heel schattig dat u een dermate eenvoudig wereldbeeld heeft dat u meent alles te kunnen kwantificeren.)
Dank u wel dat u dat schattig vindt. Gemeenten over de hele wereld, inclusief Nederland, doen dat al. Ik weet niet wat daar schattig aan is, want het werkt.

Mevr. ALBERTS: Mijnheer de Voorzitter. Ik kom toch nog even terug op het amendement-Meijer op nr. 710 inzake het leerlingenvervoer. Door de wethouder voor Verkeer is aan het begin van deze avond duidelijk toegegeven dat veiligheid heel belangrijk is. Wij hebben deze voorstellen juist ingediend omdat alle bij het leerlingenvervoer betrokken partijen zeggen dat de vraag is wanneer er een ongeluk gebeurt.
Er is sprake van een explosieve situatie, maar de wethouder gaat deze vorm van veiligheid uit de weg. Hij zegt dat de stadsdelen actie moeten ondernemen, terwijl alle stadsdeelbesturen aangeven dat zij graag willen dat het leerlingenvervoer weer door de centrale stad wordt geregeld. Ik begrijp daarom niet dat de wethouder niet zegt dat hij ervoor gaat, dat hij gaat graven en nagaat of dat zo snel mogelijk is recht te breien. Ik dring erop aan dat hij daarover nog eens goed nadenkt. In de vorige periode is raadsbreed erkend dat er sprake is van een veiligheidsbedreigende situatie is. Desondanks wijst de wethouder dit steeds af op allerlei gronden die in feite nergens toe doen. Per dag worden 1700 kinderen vervoerd. Ik zou niet graag in de schoenen van de wethouder staan op het moment dat het fout gaat. De Raad heeft goed in de gaten hoe de situatie is.
Ik verzoek de voorzitter het woord te geven aan de heer Bakker.

De VOORZITTER: Ik geef het woord aan de heer J.L. Bakker.

De heer J.L. BAKKER: Mijnheer de Voorzitter. Wethouder Stadig doet alsof ik hem met motie nr. 654 het komend jaar een meetbaar aantal Wibowoningen uit de grond wil laten stampen. Dat is absoluut niet het geval. Wij zijn wel zo reëel te beseffen dat dit niet kan. In de motie vragen wij slechts de heer Verdellen te laten onderzoeken wat de drempels zijn om dit soort woningen te realiseren en of daar wat te halen valt. Nu blijft het geld op de plank liggen en dat is jammer. Dat is de enige inzet die wij van het College vragen. Wij handhaven deze motie.

De heer PAQUAY: Mijnheer de Voorzitter. Wij zijn bereid motie nr. 606 over de Sociale Dienst in te trekken onder de voorwaarde dat de wethouder toezegt dat hij het resultaat van de discussie met de ACAM in de commissie inbrengt. Wij kunnen dan nagaan wat wij daarmee doen.

(Wethouder OUDKERK: Dat zeg ik toe.)
Ik vraag de voorzitter aan de Raad voor te stellen eerst lijst A in stemming te brengen en vervolgens B.

De motie-Paquay, nr. 606, ingetrokken zijnde, maakt geen onderdeel van behandeling meer uit.

Mevr. BRUINES: Mijnheer de Voorzitter. Wij ondersteunen de laatste woorden van de heer Paquay van harte. Ook vraag ik de voorzitter eerst een aantal verstrekkende moties en amendementen in stemming te brengen. Denk bijvoorbeeld aan het amendement waarin wordt voorgesteld de Hortus Botanicus Amsterdam van het budget voor de marathon te betalen. Daarnaast is er het amendement met het voorstel de marathon aan het Topsportfonds toe te voegen. Ik verzoek de voorzitter dus eerst het amendement inzake de Hortus Botanicus Amsterdam in stemming te brengen en vervolgens het andere.
Ik ga in op het amendement-Zafer Yurdakul onder nr. 875 inzake de keuzevrijheid van kinderen en hun ouders om in te schrijven op meer dan één middelbare school op grond van het geadviseerde schooltype en het consumentenplatform. Wethouder Oudkerk heeft daarover gesproken. Wij begrijpen dat hij bezig is met de vormgeving daarvan en dat hij niet meteen kan zeggen wat de hoogte van het bedrag is. Als de wethouder toezegt dat hij binnenkort met voorstellen komt, daarbij de kwestie keuzevrijheid betrekt en ingaat op de financiën, zijn wij bereid dat amendement in te trekken. Wij zullen daarover dan immers nog spreken.

(Wethouder OUDKERK: Ik ben bereid die kwestie daarbij te betrekken, maar dat heeft in de raadzaal ook altijd een frêle betekenis. Ik zal nagaan of het mogelijk is die daarbij te betrekken. Het zijn in principe immers twee separate discussies. Als dat mogelijk is, breng ik dat vanzelfsprekend in de commissie in. Ik plaats een en ander op dit moment echter niet in een financieel kader, maar dat had u al gemerkt.)
Nee, maar als de wethouder daarmee aan de slag gaat, zal er op een gegeven moment toch een bepaald bedrag worden betaald. Wij vernemen graag wat de hoogte daarvan zou kunnen zijn. Als wethouder Oudkerk in dat stuk in ieder geval vermeldt wat naar zijn idee de reden is van het feit dat die keuzevrijheid daarbij moet worden betrokken, kunnen wij daarover spreken.

(Wethouder OUDKERK: Dat is toegezegd.)
Ik trek nr. 875 in.
Ik ga in op de kwestie van de renovatie van het gebouw van de GG&GD. Wij realiseren ons dat er nu hoge nood is, maar het zit ons behoorlijk dwars dat het een gigantische operatie betreft waarmee veel geld is gemoeid en dat de Raad wat dat betreft nooit enige strategische keuze kon maken. De Raad kon niet aangeven of hij van mening is dat de GG&GD in dat pand moet blijven, dat de medewerkers alles centraal op een hoofdvestiging moeten blijven doen, of dat er mogelijkheden zijn voor decentralisatie. Ook kon hij niet discussiëren over de vraag of het laboratorium op een andere locatie kan worden gehuisvest enz. Ongetwijfeld zijn er argumenten om het op deze manier te doen, maar het zit ons dwars dat wij daarover nooit op die wijze konden spreken. Ik ben bereid amendement nr. 694 in te trekken als het College toezegt dat wij dit in de toekomst niet meer zullen tegenkomen. Tegen de tijd dat er kredietbesluiten moeten worden genomen, ontvangen wij graag een uitgewerkt plan over wat er precies gaat gebeuren. Op dat moment is ook de Gezondheidsnota beschikbaar. Wij verzoeken de wethouder dat in de commissie aan de orde te stellen.
De heer Huffnagel stelde mij een vraag over amendement nr. 878 over het Rozentheater en de dekking ten laste van het budget dualisering. Ik geef toe dat deze motie ietwat laat is binnengekomen. Als dat niet het geval was geweest, hadden wij daarover kunnen spreken. Maar ik heb mij pas gisteren bedacht. Wij zijn voorstander van dualisering, maar constateren dat er al een jaarafdracht beschikbaar is en dat wij daarvan tot nu toe nog niet één cent hebben benut. Dat bedrag valt straks dus in de rekening vrij. De Raad moet ook durven stilstaan bij zijn eigen budget als hij van mening is dat de komende tijd op allerlei posten, inclusief het ambtelijk apparaat, flink moet worden bezuinigd of omgebogen. Wij zijn van mening dat het Rozentheater hoge prioriteit heeft. Bovendien zijn wij het niet eens met de dekking Carré/Muziektheater, zoals die door anderen is voorgesteld. Dat is er de reden van dat wij deze motie hebben ingediend. Daarmee kan de heer Huffnagel het eens zijn of niet, maar dat zijn de argumenten.

(De heer HUFFNAGEL: Dit jaar zijn wij met de dualisering begonnen. Het geld daarvoor is nog niet gebruikt, maar u weet hoe het in dit huis gaat. Als wij dat eenmaal weggeven, krijgen wij dat niet snel terug. Als wij het dualisme tot uitdrukking willen brengen, lijkt het mij niet verstandig in onze middelen te snijden.)
Ik vermoed dat er nog veel geld over is en dat wij enigszins op weg zijn om het dualisme vorm te geven. Ik ben het absoluut met de heer Huffnagel eens dat er op dat gebied nog veel moet gebeuren. Dat zit soms misschien zelfs wat meer tussen de oren dan in geld, maar dat is een andere discussie. Ik meen dat wij met een budget van 500.000 euro per jaar aan onderzoeksgeld daadwerkelijk uit de voeten kunnen. De Raad zou kunnen zeggen dat hij daarvan een second opinion
wil of dat hij een bepaalde zaak nader wil laten onderzoeken. Ook ten behoeve van een ander, zeer nuttig doel is dat onze overtuiging. Voor mij is er dan ook niet een reden om die motie in te trekken. Ik begrijp dat daarvoor niet een brede steun is en betreur dat. Het verheugt mij wel dat wij daarvoor de steun van het College krijgen.
Het amendement waarin het geld van Carré/Muziektheater aan de orde komt, zullen wij niet steunen.

(Mevr. CODRINGTON: Trekt u amendement nr. 876 in, of houdt u dat boven de markt voor het geval dat over dit onderwerp in de commissie een discussie wordt gevoerd?)
Ik heb dat amendement ingetrokken. De wethouder zegt dat wij in de commissie over dit onderwerp uitgebreid hebben gediscussieerd en dat door de GG&GD een korte presentatie is gehouden over de stand van zaken. De plannen zijn te ver gevorderd om deze nu nog terug te draaien. Wel betreurt het ons dat het op de wijze is gebeurd zoals ik die zojuist heb geschetst.


Het amendement-Zafer Yurdakul, nr. 875, ingetrokken zijnde, maakt geen onderdeel van behandeling meer uit.


Het amendement-Bruines, nr. 876, ingetrokken zijnde, maakt geen onderdeel van behandeling meer uit.


De heer H.H.G. BAKKER: Mijnheer de Voorzitter. Wij komen toch terug op de motie-H. Bakker, nr. 639, inzake het instellen van een onderzoek naar de verkleining van het aantal stadsdelen. Over dat onderwerp hebben wij al informatie aangeleverd, waaronder een rapport. Wij vragen nu niet om afschaffing van de stadsdelen, maar om het instellen van een onderzoek. Als het College een goed gevoel heeft over het functioneren van de stadsdelen, begrijp ik niet waarom het tegen een dergelijke evaluatie is. Als alles goed werkt, komt er immers niets aan het licht. Wij hebben daarbij andere gevoelens. Wij zijn bereid deze motie in te trekken als het College een evaluatie van de stadsdelen toezegt.
Wij spreken steeds over het linksom en rechtsom bezuinigen. Vandaag hebben wij diverse moties in achtvoud voor onze kiezen gekregen. Ik ben van mening dat dit verspilling van het materiaal is. Aan het begin ontvingen wij een pakket van 150 moties. Dat kan ik in de prullenbak gooien, want nagenoeg alle moties en amendementen zijn gewijzigd. Ik ben van mening dat de gemeente Amsterdam moet opletten waaraan zij het geld uitgeeft. Wij kunnen beginnen met het uitgeven van minder geld aan papier.

Mevr. KALT: Mijnheer de Voorzitter. Als het nu werkelijk gaat om bezuinigen, hebben wij onze eigen kop in de strop gestoken door de gigantische belasting op de begroting door de Noord-Zuidlijn, Ceres en de Megabanenmarkt. Daarmee zijn honderden miljoenen euro's gemoeid en het bevalt mij dan ook niet dat wethouder Dales zo `knieperig' doet. In die gevallen deed hij dat in ieder geval niet.
Een kunstje dat bij wethouder Stadig past, is dat verlies op een plan meteen wordt ingeboekt. De situatie ziet er dan zeer treurig uit. De winst waarvan later sprake is, wordt pas ingeboekt als deze wordt geïncasseerd. Als je dat niet weet, denk je dat alles er somber uitziet, terwijl alles netjes parallel loopt. Ik vind het daarom flauw dat wethouder Stadig zegt dat ik een subpost moet aanwijzen. Er is een groep die zich bezighoudt met binnentuinen in de negentiende-eeuwse wijken. Deze groep heeft een doorlopende conferentie georganiseerd en heeft dat geld nodig om daarmee door te kunnen gaan. Ik betreur het dat dit springt op een verwijt over een subpost van het Stedelijk Vernieuwingsfonds. Derhalve handhaaf ik de motie en hoop ik dat andere raadsleden deze steunen. Dan mag wethouder Stadig het uitzoeken, want dat kan zo niet.

Wethouder Van der Horst heeft problemen met het amendement dat betrekking heeft op fietslessen voor allochtonen. Die fietspaden zijn echter wel voor fietsers bedoeld. Het is de bedoeling dat ook mensen uit andere landen op die fietspaden kunnen rijden, ondanks het feit dat zij in hun jeugd niet hebben geleerd te fietsen. Het is een kwestie van inburgering en integratiebeleid. Straks spreken al die mensen Nederlands. Dan is veel geld nodig voor het inzetten van trams, omdat deze personen het te gevaarlijk vinden in de stad te fietsen.

(De heer HUFFNAGEL: Mag ik aannemen dat de volgende maal een amendement wordt ingediend met de vraag iedereen die niet kan zwemmen zwemles te geven? Moeten wij dat allemaal subsidiëren? Zullen wij het hier een beetje serieus houden?)
Ja, dat is inderdaad een goed idee. Je kunt in Amsterdam namelijk in iedere gracht verdrinken. Ik vind het kinderachtig dat over dat geringe bedrag voor fietslessen ingewikkeld wordt gedaan. Wij handhaven het amendement dan ook.
Wethouder Van der Horst zei dat hij voldoende geld heeft voor P+R-voorzieningen langs de A10 in Amsterdam. Wij willen hem daarvoor nog wat meer geld geven.

(Wethouder VAN DER HORST: U begrijpt dat de wethouder voor Verkeer nooit genoeg geld heeft.)
Dan moet hij reuze blij zijn. Wij bieden hem in amendement nr. 661 namelijk een bedrag aan van 2,5 miljoen euro aan. Dat kan hij inzetten voor P+R-voorzieningen rond de A10. Dat bedrag gaat wel af van de planvorming over en de realisatie van de Singelgrachtgarages, want daarvan zijn wij tegenstander. Wij hebben dat liever allemaal aan de A10.

(Wethouder VAN DER HORST: Dat is een goed punt uit het programakkoord, dus dat haalt u toch niet. Ik stel voor dat u dat bijvoorbeeld van het geld voor de binnentuinen haalt. Dan vind ik het goed.)
Ach, die arme binnentuinen met dat geringe bedrag. Nee, dat doe ik niet. Ik begrijp al dat de wethouder vast zit aan het programakkoord. Ik hoop dat de andere raadsleden dit een beter idee vinden, maar eerlijk gezegd vermoed ik dat ik dat niet haal.

(De heer HUFFNAGEL: Ik vrees dat meer raadsleden vastzitten aan het programakkoord.)
Dat is heel treurig. Daarmee heb ik gelukkig niet te maken.
De verbouwing van het Cosmictheater is heel belangrijk. Dat theater loopt als een trein. Nu is het een soort gezellig shabby buurthuisje, maar dat kan gewoonweg niet meer. Het theater moet worden opgeknapt. Het is gekocht door de gemeente, al moet nog een aantal handelingen worden verricht. Graag wil men eind 2003 starten. Ik verzoek de wethouder in ieder geval geld toe te zeggen, zodat men dit jaar met de verbouwing kan beginnen. Ik vraag hem een reactie te geven.
Wij hebben amendement nr. 748 ingediend met het voorstel 0,2 miljoen euro voor het cameratoezicht te schrappen en daarvoor stadswachten in te zetten. Het plaatsen van camera's helpt immers toch niet. Het inzetten van stadswachten is veel nuttiger en die mensen hebben dan een leuke baan. Ik beveel de Raad dat amendement aan.

Mevr. VAN OUDENALLEN (orde): Aan het begin van deze vergadering heb ik punt 14 aangehaald. Ik keek in de eerlijke blauwe ogen van wethouder Dales en geloofde hem op zijn woord toen hij zei dat mijn duo-raadslid het niet bij het rechte eind had, maar in de pauze hebben wij ontdekt dat zij en ik wel degelijk gelijk hadden. Wij zullen punt 14 in de commissie dan ook ter sprake brengen. Dat heeft niets met het onderwerp te doen dat wij nu behandelen, maar ik merk dat op voor de notulen.
Wethouder DALES: Ik had wel gelijk toen ik zei dat dit op de agenda van de commissie heeft gestaan. Die commissievergadering is echter door de commissieleden geannuleerd op het moment dat ik in het buitenland zat. Uw duo had zeker gelijk.
Mevr. VAN OUDENALLEN: Het omgekeerde was het geval. Die vergadering werd geannuleerd omdat de wethouder niet aanwezig was.

Mevr. VAN OUDENALLEN: Mijnheer de Voorzitter. Ik dank het College voor de preadviezen op onze moties en amendementen. Wij hopen dat de raadsleden onze moties over het onderzoek naar blauwe zones, hergebruik van invalidenwagens, een onderzoek naar dubbelgebruik van gemeentelijke garages en parkeerterreinen steunen.
De motie van de fractie van de PvdA over de autoloze dagen in de binnenstad is onzinnig. Daarmee hebben wij namelijk niets te maken. Dat zou de vice-voorzitter van de Raad toch moeten weten.
Motie nr. 899 heeft betrekking op de PR van de Amsterdamse Haven. De wethouder wijst deze motie af, maar het enige wat wij vragen, is het verloop te evalueren. Naar mijn idee kan hij ja zeggen.

(Wethouder VAN DER HORST: Ja.)
Deze motie is aangenomen. Ik dank de wethouder. Wat wil ik nog meer?
Wij komen met een notitie met de titel `Draaischijf van Amsterdam' met het doel de Amsterdamse Haven een impuls te geven.
Wij verwachten dat er in 2004 stemcomputers zullen zijn. Anders moeten wij zo lang wachten om te weten te komen welke personen na de verkiezingen in de Tweede Kamer komen.

(De BURGEMEESTER: Dat heb ik niet toegezegd.)
De Burgemeester heeft wel toegezegd dat hij de aanzet zal geven en de mogelijkheden zal nagaan.

(De BURGEMEESTER: Nee. Ik heb toegezegd dat ik dat zal nagaan en niet dat ik de aanzet zal geven.)
Dat vind ik een toezegging.
Met betrekking tot motie nr. 744 merk ik op dat wij hopen dat er inderdaad voldoende personeel komt en dat wij niet over een jaar tot de ontdekking komen dat het is mislukt, omdat de diensten en bedrijven dat zelf mogen regelen. Wij hebben goede hoop, want op onze aansporing van verschillende diensten en bedrijven hebben wij leuke reacties ontvangen. Ditmaal zijn wij gelukkig en volgend jaar hopen wij weer met goede reacties op de begroting te komen.

(Wethouder STADIG: Het was al over elven.)
Ik begrijp uw opmerking niet.

De VOORZITTER: Mevr. Kalt wil nog een opmerking maken. Ik geef haar daartoe de gelegenheid.

Mevr. KALT: Mijnheer de Voorzitter. De motie van D66 met het voorstel het Rozentheater met dualiseringsgeld te financieren vind ik sympathiek. Wij helpen wethouder Belliot daarmee tevens uit de ruzies met Het Muziektheater. Graag verneem ik wat zij daarvan vindt.

De VOORZITTER: Ik geef het College het woord voor de beantwoording van de resterende vragen.

Wethouder mevr. BELLIOT: Mijnheer de Voorzitter. Ik heb mevr. Bruines al gecomplimenteerd met deze fantastische dekking.

Wethouder DALES: Mijnheer de Voorzitter. Ik begin met het heikele punt, namelijk de Openbare Bibliotheek. Graag houden wij vast aan het principe dat de financiering moet zijn geregeld op het moment dat een gebouw wordt opgeleverd. Dat doen wij ook in het geval van het Gemeentearchief. Dat financieren wij namelijk via de Kapitaalsdienst. Dat is structureel geld, namelijk de kapitaallast. Die financiering loopt inderdaad twintig à dertig jaar door, maar dat is iets anders dan afschrijven. Bij de bibliotheek zal dat met incidentele middelen gebeuren.

(De heer HALBERTSMA: Dit is de grootste flauwekul. Het Gemeentearchief financiert u in twintig stapjes, jaar na jaar. Wij spreken in dit geval over een termijn van zes jaar. Houd u alstublieft op met die flauwekul.)
Dat kan ook wel met structureel geld, maar dan moet de Raad bij het structurele geld iets weg halen. Het principe blijft hetzelfde.

(De heer ASSCHER: Uw voorstel is dus de constructie van het archief ook voor bibliotheek te gebruiken?)
Ik weet niet waar ik die structurele ruimte moet vinden. In de begroting voor 2003 hebben wij immers exceptioneel veel incidenteel geld. Het was veel beter geweest die zaak meteen te regelen, maar dan hadden wij veel andere zaken niet kunnen uitvoeren. Dan was het te weinig geworden en daarom is gekozen voor die vier tranches. Dat is overigens geheel conform de afspraken in het programakkoord. Het College kan wel leven met een financiële dekking per datum oplevering. Tot die tijd kan dan naar wens worden geschoven. Dat is ook voor de Raad de oplossing van het probleem in 2003. Hij wil immers een aantal prioriteiten dekken. Op die manier zou hij dat ook kunnen doen.

(De heer HUFFNAGEL: Dat klinkt goed. Deze discussie heeft al veel te lang geduurd en met dat voorstel zijn wij snel klaar.)
De heer Van Poelgeest vraagt of ik bij de Voorjaarsnota niet alleen met ombuigingsvoorstellen wil komen, maar ook met voorstellen voor de besteding. Dat zal ik doen. Het is immers niet de bedoeling om te buigen vanwege het opbuigen op zichzelf. Het geld wordt meteen aan een bepaald doel besteed. Het is goed mogelijk dat de Raad besluit niet akkoord te gaan met onze ombuigingsvoorstellen en dat het geld dus niet op een andere wijze wordt besteed.Dat lijkt mij niet waarschijnlijk, maar dat kan. De Raad krijgt die voorstellen uiteraard voorgelegd.
Inzake het Huis voor de Dans doe ik een suggestie om te voorkomen dat wij ook wat dat betreft vastlopen. Als ik goed ben geïnformeerd, wordt die uitgave van 2 miljoen euro voor het Huis voor de Dans nog niet in 2003 gedaan. Het gaat erom dat er zekerheid wordt geboden voor de cofinanciering. Het is dus ook mogelijk het College te vragen dat bij de Voorjaarsnota financieel te regelen. Dan is die zekerheid geboden en blijven wij ook in dat geval min of meer binnen de regels van onze financiële discipline.

(Mevr. BRUINES: Dat is precies wat in mijn gewijzigde amendement over het Huis voor de Dans staat. U heeft dat zojuist negatief gepreadviseerd, maar nu neem ik aan dat die overgaat naar de andere lijst.)
Ik ken dat gewijzigde amendement niet. Voor mij ligt amendement nr. 855.

(De VOORZITTER: Welk amendement is het?)

(Mevr. BRUINES: Het is amendement nr. 877)

De VOORZITTER: Ik stel voor dat de wethouder amendement nr. 877 leest en dat hij daarop later terugkomt. Ik geef het woord aan wethouder Maij.

Wethouder mevr. MAIJ: Mijnheer de Voorzitter. Er is nog een motie bijgekomen, namelijk nr. 845. Dat heeft betrekking op het leefbaar en veilig maken van Amsterdam.
Het College is in principe akkoord, maar de deadline van maart is onhaalbaar. Als de heer De Graaf ermee kan instemmen dat wij die deadline niet zo nauw nemen, gaan wij daarmee akkoord. Anders zouden wij alles al in januari a.s. gereed moeten hebben en ook de omlooptijd speelt een rol. Dat redden wij gewoonweg niet.

Wethouder mevr. BELLIOT: Mijnheer de Voorzitter. Mevr. Alberts zou een gewijzigde motie indienen, maar die heb ik nog niet ontvangen.

(Mevr. ALBERTS: Ik heb slechts twee zinnen geschrapt. Wel merk ik op dat `v' in `a' moet worden veranderd.)

De VOORZITTER: Ik geef het woord aan wethouder Dales.

Wethouder DALES: Mijnheer de Voorzitter. Ik reageer op het amendement van mevr. Bruines. Zij heeft gelijk als zij zegt dat ik een fase achter liep. Wij proberen met de Raad mee te denken en een oplossing te vinden waarmee zowel het College als de Raad kan leven. Alles afwegende lijkt mij de in het amendement weergegeven oplossing de beste. Het College geeft dus een positief preadvies op dat amendement.

De discussie wordt gesloten.

De heer HALBERTSMA (orde): Wij willen ons graag op de stemming voorbereiden. Ik verzoek de voorzitter daarom de vergadering gedurende tien minuten te schorsen.

De VOORZITTER: Ik stel voor dat wij eerst nagaan wat wij voor ons hebben. Daarna zal ik de vergadering enige tijd schorsen, zodat u zich kunt voorbereiden.
Wij beschikken over twee lijsten. Op stemminglijst A, versie 4, staan de moties en amendementen die door het College negatief zijn gepreadviseerd. Ik constateer dat niet iedereen in het bezit is van die lijst en schors de vergadering totdat dit wel het geval is.

De vergadering wordt van 23.15 tot 23.25 uur geschorst.

De VOORZITTER: U heeft stemmingslijst A, versie 4, ontvangen. Dat is de lijst met moties en amendementen die door het College negatief zijn gepreadviseerd. U treft daarop amendement nr. 601 aan. Dat verdwijnt van die lijst, want wij hebben zojuist gehoord dat het gewijzigde amendement nr. 845 door het College positief is gepreadviseerd. Dat gewijzigde amendement komt op stemmingslijst B te staan. Het amendement-Paquay, nr. 847, over het smartengeld voor de cliënten van de GSD is ingetrokken en dient derhalve te worden doorgestreept. Het amendement-Dalm c.s., nr. 681, over Regionet is eveneens ingetrokken. Ook dat kunt u doorstrepen.

(Wethouder STADIG: Ook de motie-J.L. Bakker, nr. 600, moet naar de andere lijst.)
Ik spreek over de vierde versie van lijst A. U moet zich daarmee niet bemoeien.
Het amendement-Zafer Yurdakul c.s., nr. 875 over de keuzevrijheid om op meerdere scholen in te schrijven, is ingetrokken en kan worden doorgestreept. Hetzelfde geldt voor het amendement-Bruines, nr. 694. Het amendement-Bruines, nr. 695, komt op lijst B, omdat dat positief is gepreadviseerd.
De motie-Van Oudenallen, nr. 738, verdwijnt eveneens van deze lijst en komt op lijst B.


(De heer VAN POELGEEST: Is ook de motie-J.L. Bakker, nr. 600, door het College positief gepreadviseerd?)
Ja, ook motie nr. 600 verdwijnt van lijst A en komt op lijst B.

(Mevr. ALBERTS: Amendement nr. 763 had ik al ingetrokken, maar staat nog op de lijst.)
De motie-Alberts onder nr. 763 over de vering van de bussen is ingetrokken en verdwijnt van de lijst.
Ik ga in op stemmingslijst B. Daaraan hebben wij de motie-J.L. Bakker, nr. 600, toegevoegd. Hetzelfde geldt voor de motie-De Graaf, nr. 844, het amendement-Bruines, nr. 695 en de motie-Van Oudenallen, nr. 738.

(De heer HALBERTSMA: Het amendement-Asscher op nr. 592 wensen wij alsnog in te trekken en het amendement-Halbertsma op nr. 635, is reeds ingetrokken. Wij verzoeken de voorzitter het amendement-Asscher op nr. 668 aan het begin in stemming te brengen, omdat die stemming van invloed is op andere moties en amendementen.)

(De heer FLOS: Op lijst A staat bij het amendement-Flos op nr. 713 een foutieve omschrijving. De amendementen nrs. 888 en 889 hebben betrekking op het pontje over de Nieuwe Meer in plaats van op veiligheidsarrangementen openbaar vervoer.)
Als ik mij goed herinner, heeft de heer Paquay er de voorkeur aan gegeven eerst te stemmen over lijst A.

(De heer HUFFNAGEL: Boven stemmingslijst B staat dat de daarop vermelde moties en amendementen bij hamerslag kunnen worden aangenomen.)
Ja, maar daarover zullen wij wel stemmen. Ik zal de raadsleden vragen wie niet voor die moties of amendementen wil stemmen.

(De heer H.H.G. BAKKER: In het amendement-H. Bakker op nr. 896 hebben wij de financiële dekking van Ceres teruggehaald. Dat is in gewijzigde vorm ingebracht.)
Ik begrijp dat de tekst "ten laste van Ceres" moet worden doorgestreept. Is er nog behoefte aan schorsing?

(Mevr. BRUINES: Ik verzoek de voorzitter de vergadering twee minuten te schorsen. Ook vraag ik hem het amendement-Manuel op nr. 873 van lijst A in stemming te brengen voordat het amendement-Nijman op nr. 853 van lijst B in stemming komt.)
Dat komt vanzelf goed.

(De heer VAN POELGEEST: Wij verzoeken de voorzitter het amendement-Dalm op nr. 679 over de autoloze dagen in stemming te brengen voordat de motie-Meijer op nr. 664 over datzelfde onderwerp in stemming komt. Het amendement nr. 679 is namelijk vérstrekkender.)
Dat is genoteerd.

De vergadering wordt voor enkele minuten geschorst.

De VOORZITTER: Ik heropen de vergadering.

Aan de orde is de stemming over de ingediende moties en amendementen.

Het amendement-Asscher c.s. (nr. 864) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Codrington, Dalm, Van Pinxteren, Özütok, Van Poelgeest en Sargentini zich tegen het amendement hebben verklaard.

Het amendement-Spee-Rouppe van der Voort c.s. (nr. 837) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Codrington, Dalm, Özütok, Van Pinxteren, Van Poelgeest en Sargentini zich tegen het amendement hebben verklaard.

De motie-J.L. Bakker (nr. 839) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, H. Bakker, H.H.G. Bakker, J.L. Bakker, Codrington, Dalm, Kalt, Meijer, Van Oudenallen, Özütok, Paquay, Van Pinxteren, Van Poelgeest en Sargentini zich voor de motie hebben verklaard.

Het amendement-Olij c.s. (nr. 840) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden H. Bakker, H.H.G. Bakker, Bruines, Kalt, Manuel, Van Oudenallen en Zafer Yurdakul zich tegen het amendement hebben verklaard.

Het amendement-Olij c.s. (nr. 841) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Bruines, Van der Burg, Buurma-Haitsma, Flos, Geerdink, Goring, Huffnagel, Isik, Manuel, Nederveen, Van der Wieken-de Leeuw en Zafer Yurdakul zich tegen het amendement hebben verklaard.

De motie-De Graaf (nr. 846) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, Asante, Asscher, J.L. Bakker, Bijlsma, Van der Garde, Halbertsma, Jamari, Kalt, Klerks, Marres, Meijer, Nijman, Olij, Paquay, Reuten, Riem Vis, Schaapman, De Wolf en Zati Yurdakul zich tegen de motie hebben verklaard.

Het amendement-Marres (nr. 849) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden H. Bakker en H.H.G. Bakker zich tegen het amendement hebben verklaard.

Het amendement-H. Bakker c.s. (nr. 850) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden H. Bakker en H.H.G. Bakker zich voor het amendement hebben verklaard.

Het amendement-H. Bakker c.s. (nr. 633) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden H. Bakker en H.H.G. Bakker zich voor het amendement hebben verklaard.

Het amendement-Asscher c.s. (nr. 851) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Bruines, Manuel en Zafer Yurdakul zich tegen het amendement hebben verklaard.

Het amendement-Van Poelgeest (nr. 637) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, J.L. Bakker, Codrington, Dalm, Kalt, Meijer, Özütok, Paquay, Van Pinxteren, Van Poelgeest en Sargentini zich voor het amendement hebben verklaard.

De motie-H. Bakker c.s. (nr. 639) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden H. Bakker, H.H.G. Bakker, Van der Burg, Buurma-Haitsma, Flos, Geerdink, Goring, Huffnagel, Isik, Nederveen, Van Oudenallen en Van der Wieken-de Leeuw zich voor de motie hebben verklaard.

De motie-Spee-Rouppe van der Voort (nr. 852) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden het lid Kalt zich tegen de motie heeft verklaard.

Het amendement-De Wolf c.s. (nr. 855) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Van der Burg, Buurma-Haitsma, Flos, Geerdink, Goring, De Graaf, Huffnagel, Isik, Nederveen, Res, Spee-Rouppe van der Voort, Weenink en Van der Wieken-de Leeuw zich tegen het amendement hebben verklaard.

Het amendement-Riem Vis c.s. (nr. 856) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Bruines, Manuel en Zafer Yurdakul zich tegen het amendement hebben verklaard.

De motie-J.L. Bakker (nr. 654) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, J.L. Bakker, Bruines, Codrington, Dalm, Kalt, Manuel, Meijer, Van Oudenallen, Özütok, Paquay, Van Pinxteren, Van Poelgeest, Sargentini en Zafer Yurdakul zich voor de motie hebben verklaard.

Het amendement-Kalt (nr. 857) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, J.L. Bakker, Kalt, Meijer en Paquay zich voor het amendement hebben verklaard.

Het Amendement-Kalt (nr. 858) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden het lid Kalt zich voor het amendement heeft verklaard.

Het amendement-Kalt (nr. 860) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, J.L. Bakker, Kalt, Meijer en Paquay zich voor het amendement hebben verklaard.

Het amendement-Kalt (nr. 861) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden het lid Kalt zich voor het amendement heeft verklaard.

De motie-Meijer c.s. (nr. 863) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, J.L. Bakker, Kalt, Meijer, Van Oudenallen en Paquay zich voor de motie hebben verklaard.

De motie-Weenink c.s. (nr. 865) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, J.L. Bakker, Bruines, Codrington, Dalm, Kalt, Meijer, Özütok, Paquay, Van Pinxteren, Van Poelgeest en Sargentini zich tegen de motie hebben verklaard.

Het amendement-Dalm c.s. (nr. 866) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, H. Bakker, H.H.G. Bakker, J.L. Bakker, Codrington, Dalm, Kalt, Meijer, Özütok, Paquay, Van Pinxteren, Van Poelgeest en Sargentini zich voor het amendement hebben verklaard.

Het amendement-Dalm c.s. (nr. 867) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, J.L. Bakker, Codrington, Dalm, Kalt, Meijer, Özütok, Paquay, Van Pinxteren, Van Poelgeest en Sargentini zich voor het amendement hebben verklaard.

De motie-Meijer c.s. (nr. 862) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden H. Bakker, H.H.G. Bakker, Bruines, Van der Burg, Buurma-Haitsma, Flos, Geerdink, Goring, De Graaf, Huffnagel, Isik, Manuel, Nederveen, Van Oudenallen, Res, Spee-Rouppe van der Voort, Weenink, Van der Wieken-de Leeuw en Zafer Yurdakul zich tegen de motie hebben verklaard.

Het amendement-Dalm c.s. (nr. 680) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, J.L. Bakker, Codrington, Dalm, Kalt, Meijer, Özütok, Paquay, Van Pinxteren, Van Poelgeest en Sargentini zich voor het amendement hebben verklaard.

Het amendement-Van Pinxteren c.s. (nr. 870) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Bruines, Kalt, Manuel en Zafer Yurdakul zich tegen het amendement hebben verklaard.

Het amendement-Van Poelgeest (nr. 687A) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, J.L. Bakker, Codrington, Dalm, Kalt, Meijer, Özütok, Paquay, Van Pinxteren, Van Poelgeest en Sargentini zich voor het amendement hebben verklaard.

Het amendement-Van Poelgeest (nr. 687B) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden H. Bakker, H.H.G. Bakker, Bruines, Van der Burg, Buurma-Haitsma, Flos, Geerdink, Goring, De Graaf, Huffnagel, Isik, Manuel, Nederveen, Van Oudenallen, Res, Spee-Rouppe van der Voort, Weenink, Van der Wieken-de Leeuw en Zafer Yurdakul zich tegen het amendement hebben verklaard.

Het amendement-Manuel c.s. (nr. 690A) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Bruines, Codrington, Dalm, Kalt, Manuel, Özütok, Van Pinxteren, Van Poelgeest, Sargentini en Zafer Yurdakul zich voor het amendement hebben verklaard.

Het amendement-Manuel c.s. (nr. 690B) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden H. Bakker, H.H.G. Bakker en Van Oudenallen zich tegen het amendement hebben verklaard.

Het amendement-Zafer Yurdakul c.s. (nr. 692) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, J.L. Bakker, Bruines, Kalt, Manuel, Meijer, Paquay en Zafer Yurdakul zich voor het amendement hebben verklaard.

De motie-H. Bakker c.s. (nr. 705) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, H. Bakker, H.H.G. Bakker, J.L. Bakker, Kalt, Meijer, Van Oudenallen en Paquay zich voor de motie hebben verklaard.

Het amendement-Paquay c.s. (nr. 882) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, J.L. Bakker, Kalt, Meijer en Paquay zich voor het amendement hebben verklaard.

Het amendement-Meijer c.s. (nr. 883) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden H. Bakker, H.H.G. Bakker, Bruines, Van der Burg, Buurma-Haitsma, Flos, Geerdink, Goring, Huffnagel, Isik, Manuel, Nederveen, Van Oudenallen, Van der Wieken-de Leeuw en Zafer Yurdakul zich tegen het amendement hebben verklaard.

Het amendement-Meijer c.s. (nr. 884) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, J.L. Bakker, Meijer, Van Oudenallen en Paquay zich voor het amendement hebben verklaard.

De motie-Meijer c.s. (nr. 885) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Bruines, Manuel, Van Oudenallen en Zafer Yurdakul zich tegen de motie hebben verklaard.

De motie-Meijer c.s. (nr. 886) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, J.L. Bakker, Meijer en Paquay zich voor de motie hebben verklaard.

Het amendement-Meijer c.s. (nr. 887) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, J.L. Bakker, Bruines, Codrington, Dalm, Kalt, Manuel, Meijer, Van Oudenallen, Özütok, Paquay, Van Pinxteren, Van Poelgeest, Sargentini en Zafer Yurdakul zich voor het amendement hebben verklaard.

Het amendement-Flos c.s. (nr. 888) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden H. Bakker, H.H.G. Bakker, Bruines, Van der Burg, Buurma-Haitsma, Flos, Geerdink, Goring, De Graaf, Huffnagel, Isik, Manuel, Nederveen, Van Oudenallen, Res, Spee-Rouppe van der Voort, Weenink, Van der Wieken-de Leeuw en Zafer Yurdakul zich voor het amendement hebben verklaard.

Het amendement-Flos c.s. (nr. 889) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat geen van de bij de stemming aanwezige raadsleden zich tegen het amendement heeft verklaard.

Het amendement-Nederveen c.s. (nr. 720) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, J.L. Bakker, Bruines, Codrington, Dalm, Manuel, Meijer, Özütok, Paquay, Van Pinxteren, Van Poelgeest, Sargentini en Zafer Yurdakul zich tegen het amendement hebben verklaard.

Het amendement-Nederveen c.s. (nr. 891) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat geen van de bij de stemming aanwezige raadsleden zich tegen het amendement heeft verklaard.

Het amendement-Nederveen c.s. (nr. 892) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Bruines, Manuel en Zafer Yurdakul zich tegen het amendement hebben verklaard.

Het amendement-Buurma-Haitsma (nr. 725) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Bruines, Van der Burg, Buurma-Haitsma, Flos, Geerdink, Goring, De Graaf, Huffnagel, Isik, Manuel, Nederveen, Res, Spee-Rouppe van der Voort, Weenink, Van der Wieken-de Leeuw en Zafer Yurdakul zich voor het amendement hebben verklaard.

Het amendement-Buurma-Haitsma (nr. 727) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Bruines, Van der Burg, Buurma-Haitsma, Flos, Geerdink, Goring, De Graaf, Huffnagel, Isik, Manuel, Nederveen, Res, Spee-Rouppe van der Voort, Weenink, Van der Wieken-de Leeuw en Zafer Yurdakul zich voor het amendement hebben verklaard.

De motie-H. Bakker c.s. (nr. 745) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden H. Bakker en H.H.G. Bakker zich voor de motie hebben verklaard.

Het amendement-Kalt (nr. 906) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, J.L. Bakker, Kalt, Meijer en Paquay zich voor het amendement hebben verklaard.

De motie-H. Bakker c.s. (nr. 909) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden H. Bakker en H.H.G. Bakker zich voor de motie hebben verklaard.

De motie-H. Bakker c.s. (nr. 911) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden H. Bakker, H.H.G. Bakker en Van Oudenallen zich voor de motie hebben verklaard.

Mevr. BRUINES: Ik voel mij tot mijn grote spijt genoodzaakt amendement nr. 877 over het Huis voor de Dans in te trekken, die nu overbodig is geworden.

De motie-Spee-Rouppe van der Voort (nr. 838) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, J.L. Bakker, Bruines, Codrington, Dalm, Kalt, Manuel, Meijer, Özütok, Paquay, Van Pinxteren, Van Poelgeest, Sargentini en Zafer Yurdakul zich tegen de motie hebben verklaard.

De motie-Olij c.s. (nr. 842) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat geen van de bij de stemming aanwezige raadsleden zich tegen de motie heeft verklaard.

De motie-Marres (nr. 848) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat geen van de bij de stemming aanwezige raadsleden zich tegen de motie heeft verklaard.

Het amendement-Spee-Rouppe van der Voort c.s. (nr. 641) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, J.L. Bakker, Meijer en Paquay zich tegen dit amendement hebben verklaard.

De motie-Spee-Rouppe van der Voort (nr. 642) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, J.L. Bakker, Codrington, Dalm, Kalt, Meijer, Özütok, Paquay, Van Pinxteren, Van Poelgeest en Sargentini zich tegen de motie hebben verklaard.

De motie-Spee-Rouppe van der Voort (nr. 644) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat geen van de bij de stemming aanwezige raadsleden zich tegen de motie heeft verklaard.

Het amendement-Nijman (nr. 853) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, J.L. Bakker, Codrington, Dalm, Kalt, Meijer, Paquay, Van Pinxteren, Van Poelgeest, Özütok en Sargentini zich tegen het amendement hebben verklaard.

De motie-Marres c.s. (nr. 854) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat geen van de bij de stemming aanwezige raadsleden zich tegen de motie heeft verklaard.

Het amendement-Van der Garde c.s. (nr. 857) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat geen van de bij de stemming aanwezige raadsleden zich tegen het amendement heeft verklaard.

De motie-Kalt (nr. 663) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat geen van de bij de stemming aanwezige raadsleden zich tegen de motie heeft verklaard.

Het amendement-Codrington c.s. (nr. 868) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat geen van de bij de stemming aanwezige raadsleden zich tegen het amendement heeft verklaard.

De motie-Sargentini c.s. (nr. 869) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden De Graaf, Res, Spee-Rouppe van der Voort en Weenink zich tegen de motie hebben verklaard.

De motie-Zafer Yurdakul c.s. (nr. 691) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Asante, Asscher, Bijlsma, Van der Garde, Halbertsma, Jamari, Klerks, Marres, Nijman, Olij, Reuten, Riem Vis, Schaapman, De Wolf en Zati Yurdakul zich tegen de motie hebben verklaard.

Het amendement-Bruines c.s. (nr. 878) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, H. Bakker, H.H.G. Bakker, J.L. Bakker, Bruines, Codrington, Dalm, Kalt, Manuel, Meijer, Van Oudenallen, Özütok, Paquay, Van Pinxteren, Van Poelgeest, Sargentini en Zafer Yurdakul zich voor het amendement hebben verklaard.

De motie-Jamari c.s. (nr. 879) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat geen van de bij de stemming aanwezige raadsleden zich tegen de motie heeft verklaard.

De motie-Bijlsma (nr. 699) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat geen van de bij de stemming aanwezige raadsleden zich tegen de motie heeft verklaard.

De motie-Bijlsma (nr. 700) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat geen van de bij de stemming aanwezige raadsleden zich tegen de motie heeft verklaard.

De motie-Bijlsma (nr. 701) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat geen van de bij de stemming aanwezige raadsleden zich tegen de motie heeft verklaard.

De motie-Bijlsma c.s. (nr. 880) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat geen van de bij de stemming aanwezige raadsleden zich tegen de motie heeft verklaard.

De motie-Marres (nr. 881) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat geen van de bij de stemming aanwezige raadsleden zich tegen de motie heeft verklaard.

Het amendement-Meijer (nr. 883) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, J.L. Bakker, Kalt, Meijer en Paquay zich tegen het amendement hebben verklaard.

De motie-Geerdink c.s. (nr. 893) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, J.L. Bakker, Kalt, Meijer en Paquay zich tegen de motie hebben verklaard.

De motie-Geerdink c.s. (nr. 729) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat geen van de bij de stemming aanwezige raadsleden zich tegen de motie heeft verklaard.

Het amendement-Flos c.s. (nr. 894) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat geen van de bij de stemming aanwezige raadsleden zich tegen het amendement heeft verklaard.

Het amendement-Flos c.s. (nr. 896) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat geen van de bij de stemming aanwezige raadsleden zich tegen het amendement heeft verklaard.

Het amendement-Van Oudenallen (nr. 898) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat geen van de bij de stemming aanwezige raadsleden zich tegen het amendement heeft verklaard.

De motie-Van Oudenallen (nr. 739) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Asante, Asscher, Bijlsma, Codrington, Dalm, Van der Garde, Halbertsma, Jamari, Kalt, Klerks, Marres, Nijman, Olij, Özütok, Van Pinxteren, Van Poelgeest, Reuten, Riem Vis, Sargentini, Schaapman, De Wolf en Zati Yurdakul zich tegen de motie hebben verklaard.

De motie-Van Oudenallen (nr. 900) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat geen van de bij de stemming aanwezige raadsleden zich tegen de motie heeft verklaard.

De motie-Van Oudenallen (nr. 901) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Asante, Asscher, Bijlsma, Van der Garde, De Graaf, Halbertsma, Jamari, Kalt, Klerks, Marres, Nijman, Olij, Res, Reuten, Riem Vis, Schaapman, Spee-Rouppe van der Voort, Weenink, De Wolf en Zati Yurdakul zich tegen de motie hebben verklaard.

De motie-Van Oudenallen (nr. 903) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, Asante, Asscher, J.L. Bakker, Bijlsma, Van der Garde, Halbertsma, Jamari, Kalt, Klerks, Marres, Meijer, Nijman, Olij, Paquay, Reuten, Riem Vis, Schaapman, De Wolf en Zati Yurdakul zich tegen de motie hebben verklaard.

De motie-J.L. Bakker (nr. 843) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Asante, Asscher, Bijlsma, Van der Garde, De Graaf, Halbertsma, Jamari, Klerks, Marres, Nijman, Olij, Res, Reuten, Riem Vis, Schaapman, Spee-Rouppe van der Voort, Weenink, De Wolf en Zati Yurdakul zich tegen de motie hebben verklaard.

De motie-De Graaf (nr. 844) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, J.L. Bakker, Kalt, Meijer en Paquay zich tegen de motie hebben verklaard.

De motie-Asante c.s. (nr. 905) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat geen van de bij de stemming aanwezige raadsleden zich tegen de motie heeft verklaard.

De motie-Asante (nr. 747) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden H. Bakker, H.H.G. Bakker, Van der Burg, Buurma-Haitsma, Flos, Geerdink, Goring, De Graaf, Huffnagel, Isik, Nederveen, Res, Spee-Rouppe van der Voort, Weenink en Van der Wieken-de Leeuw zich tegen de motie hebben verklaard.

Het amendement-Alberts c.s. (nr. 907) wordt met zitten en opstaan aangenomen.

De VOORZITTER constateert, dat geen van de bij de stemming aanwezige raadsleden zich tegen het amendement heeft verklaard.

De motie-H. Bakker c.s. (nr. 910) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden H. Bakker, H.H.G. Bakker, Codrington, Dalm, Van Oudenallen, Özütok, Van Pinxteren, Van Poelgeest en Sargentini zich voor de motie hebben verklaard.

De motie-Van Oudenallen (nr. 899) wordt met zitten en opstaan verworpen.

De VOORZITTER constateert, dat van de bij de stemming aanwezige raadsleden de leden Alberts, Asante, Asscher, J.L. Bakker, Bijlsma, Codrington, Dalm, Van der Garde, Halbertsma, Jamari, Kalt, Klerks, Marres, Meijer, Nijman, Olij, Özütok, Paquay, Van Pinxteren, Van Poelgeest, Reuten, Riem Vis, Sargentini, Schaapman, De Wolf en Zati Yurdakul zich voor de motie hebben verklaard.

De VOORZITTER: Tot slot van deze vergadering dank ik ten zeerste de griffie voor de voortreffelijke wijze waarop zij de zo laat gewijzigde moties heeft verwerkt. Ik wens u uitstekende kerstdagen en een goed nieuwjaar.

(Applaus)


De vergadering wordt om 00.00 uur gesloten.